Mulder, Gerardus Johannis (1802-1880)

 
English | Nederlands

MULDER, Gerardus Johannis (1802-1880)

Mulder, Gerardus Johannis, chemicus (Utrecht 27-12-1802 - Bennekom 18-4-1880). Zoon van Jan Andries Mulder, chirurgijn, en Petronella van Ommeren. Gehuwd op 2-5-1827 met Wilhelmina van Rossem. Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 3 dochters geboren. afbeelding van Mulder, Gerardus Johannis

Mulder bezoekt in Utrecht de Franse school en volgt daarna een opleiding tot chirurgijn, waarmee hij een familietraditie voortzet. Zijn begaafdheid en aanleg voor dit vak vallen op, en op aandrang van prof. B.F. Suerman gaat hij, na aanvullend onderwijs, in Utrecht medicijnen studeren. In 1825 promoveert hij bij N.C. de Fremery in de medicijnen op een proefschrift De opio ejusque principiis, actione inter se comparatis en vervolgens in de farmacie op stellingen. Gedurende zijn gehele studieperiode volgt Mulder, naast colleges van G. Moll met fysica en N.C. de Fremery met chemie, die van J.F.L. Schröder, hoogleraar in de wiskunde, logica, metafysica en moraal. Schröders opvatting dat wetenschapsbeoefening ethisch vormend is, blijft voor Mulder gedurende zijn hele leven richtinggevend. Zijn religieuze overtuiging wordt bepaald door de herinnering aan het geloof van zijn moeder, tot wie hij een bijzondere affectie heeft. In tegenstelling tot veel andere wetenschapsbeoefenaars in deze periode komen bij hem geloof en wetenschap niet met elkaar in conflict: zijn onbegrensde zelfgenoegzaamheid laat geen ruimte voor twijfels.

In 1825 gaat hij als arts naar Amsterdam, het volgend jaar naar Rotterdam, waar hij sinds hetzelfde jaar voor het Bataafsch Genootschap de 'natuurkundige winteravondlezingen' (1826-1832) verzorgt. In 1828 wordt hij lector aan de Genees-heel- verlos- en artsenijbereidkundige School te Rotterdam voor botanie, materies medica, zoölogie, geologie en minéralogie (tot 1831) en chemie, pharmacie, physicaen pharmacologie (tot 1840). In de volgende jaren verricht Mulder veel medisch-chemisch onderzoek. Vooral zijn studie van de cholera, waar hij als medicus in 1832 in Rotterdam en Scheveningen mee wordt geconfronteerd, en zijn analyse van opiaten, het therapeuticum tegen deze ziekte, krijgen grote bekendheid. Met D.F. van der Pant publiceert hij een rapport waarin de besmettelijkheid van cholera weliswaar niet wordt onderkend, maar waarin wel verband gelegd wordt tussen het uitbreken van deze ziekte en de hygiënische toestanden in de armenwijken, al erkennen de auteurs niet te weten of het epidemisch karakter van de cholera aan de moerassige bodem dan wel aan de luchtgesteldheid geweten moet worden. Mulder, die zich vanaf 1835 uitsluitend wijdt aan onderwijs en onderzoek, vestigt door publikatie van tientallen onderzoekresultaten een internationale reputatie: hij onderhoudt contact met de fysicus M. Faraday en de chemici J.J. Berzelius en J. von Liebig. In 1840 wordt hij, mede op advies van von Liebig, benoemd tot hoogleraar in de farmacie en chemie te Utrecht.

Mulder weet curatoren van de universiteit te overtuigen van de noodzaak van een goed geoutilleerd laboratorium ten behoeve van onderwijs en onderzoek en krijgt voor dit doel in 1845 het Leeuwenberghgasthuis tot zijn beschikking. Dit eerste moderne chemische laboratorium in Nederland groeit binnen enkele jaren uit tot een onderzoek- en onderwijscentrum met internationale faam. Gedurende het eerste decennium van zijn professoraat is het onderzoek van Mulder en zijn leerlingen vooral geconcentreerd op de eiwitverbindingen. In deze jaren (1843-1850) komt ook zijn leerboek Proeve eener algemeene physiologische scheikunde tot stand.

Mulder tracht zijn overtuiging dat vermeerdering van kennis de mens op een hoger zedelijk plan brengt in praktijk te brengen door zijn vak te populariseren in voordrachten voor genootschappen en onderwijsinstellingen en te ijveren voor uitbreiding en verbetering van alle vormen van onderwijs. Hierdoor krijgt hij ook buiten de wetenschappelijke wereld bekendheid. De politieke ontwikkeling verwijdert zich na 1848 steeds verder van Mulders ideaal van een sterk koninklijk gezag dat deskundige adviseurs tot zijn beschikking heeft en niet door een parlement wordt gecontroleerd. Na de April-beweging van 1853 wordt hij voorzitter van "Koning en Vaderland", de centrale kiesvereniging van Groot-Protestanten die zich ten doel stellen Oranje en Nederland tegen liberalisme en ultramontanisme te beschermen. In de drie volgende jaren kan Mulder zich geheel aan de politiek wijden (hij is ook van 1854 tot 1858 lid van de Utrechtse gemeenteraad) omdat hij toestemming krijgt zijn onderwijs door assistenten te laten verzorgen. Mulder, die als regent van de Koningsschool te Apeldoorn ook verbindingen met hofkringen onderhoudt, wordt in 1856 gepolst voor de portefeuille van onderwijs, die van Binnenlandse Zaken moet worden afgesplitst. Hij weigert en trekt zich, na het aftreden van zijn geestverwant G. Simons als minister van Binnenlandse Zaken in 1847, geheel uit de politiek terug.

Tot zijn emeritaat in 1867 wijdt Mulder zich weer geheel aan de scheikunde, waarbij zijn onderzoek zich vooral richt op de praktische toepassingen van de chemie en landbouw, volksgezondheid en industrie. Zijn adviezen ten aanzien van de cholera gaan weliswaar van onjuiste premissen uit, maar met zijn pleidooi, zowel in de Koninklijke Akademie van Wetenschappen als in de Utrechtse raad voor overheidsbemoeiing met de behuizing van arbeiders en paupers en voor verbetering van de hygiënische omstandigheden, geeft hij toch de goede richting aan. In deze jaren adviseert Mulder de regering eveneens op het terrein van de farmacie en de accijnswetgeving voor levensmiddelen en neemt hij deel aan discussies over de wetgeving op het gebied van het hoger onderwijs en het geneeskundig staatstoezicht. Mulder keert zich daarbij fel tegen de gangbare liberale opvattingen over het onderwijs, dat naar zijn mening van het volk moet uitgaan en daarom aan de overheid onttrokken dient te worden. Aan Mulders initiatief is de oprichting van de eerste (middelbare) technische school (Utrecht 1850) en de eerste stedelijke gezondheidscommissie (Utrecht 1856) te danken. Hij is lid van het eerste bestuur van de Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst (1849).

Mulders zelfgenoegzaamheid en onevenwichtigheid in het gedrag tegenover zijn omgeving hebben in zijn leven een spoor van verbroken relaties nagelaten, zowel in de privé-sfeer als in de kringen van vakgenoten en politieke geestverwanten. Hij schonk snel zijn vertrouwen, maar kon bij het geringste meningsverschil ook weer abrupt een relatie verbreken. De betekenis van zijn onderzoek voor de verdere ontwikkeling van de chemie is beperkt. Zijn verdienste ligt in de praktische toepassing van de scheikunde en vooral in de energieke wijze waarop hij het chemisch onderwijs en onderzoek in Nederland bevorderd en georganiseerd heeft.

P: Bibliografie in hieronder vermeld werk van W. Labruyèrc. Zie voor aanvulling; Catalogue ofscientific papers compiled by the royal society of London IV (1870) 505-511 en VIII (1879) 455. Levenschets van G.J. Mulder door hem zelven geschreven en door drie zijner vrienden uitgegeven (Rotterdam, 1881. 2 dl.; 2e uitg. Utrecht, 1883. 2 dl.).

L: J.W. Gunning, 'G.J. Mulder' in Mannen van beteekenis in onze dagen (Bijeengebr. door N.C. Balsem et al.] 13 (1882) 139-188; J.M. van Bemmelen, 'Bijdrage tot de wetenschappelijke biographie van G.J. Mulder', in Verhandelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen Ie sect. VII: 7 (Amsterdam, 1901) 1-33: W. Labruyère, G.J. Mulder (1802-1880). (Leiden, 1938). Proefschrift Leiden; E. Brouwer, 'Iets over Gerrit Jan Mulder en zijn beteekenis voor de volksvoeding', in Voeding 7 (1946)2 (15juni) 53-67; M. Rooseboom, 'Gedachte over gisting en cholera in een brief van Gerrit Jan Mulder uit 1867', in Scientiarum historia 9 (1967) 1-16; C. Offringa, 'Burgerzin en wetenschap: een eerste aanzet tot milieubeheer in Utrecht', in Jaarboek Oud Utrecht 1972, 164-187; M.J. van Lieburg, 'Gerrit Jan Mulder: docent der Clinische School te Rotterdam', in Lof der historie. Onder red. van J. van Herwaarden ([Rotterdam], 1973) 211-240; H.A.M. Snelders, in Dictionary of scientific biography. Charles Coulston Gillispie. Editor in chief (New York, [1974]) IX, 557-559; E. Glas, 'The Liebig-Mulder controversy. On the methodology of physiological chemistry', in Janus. Revue internationale de l'histoire des sciences, de la médecine de la pharmacie et de la technique 63 (1976) 27-46; idem, 'An unnoticed explanation of exzyme action: thé view of G.J. Mulder (1843)', ibidem, 275-288.

I: Website Universiteit Utrecht: http://www.uu.nl/uupublish/collecties/geschiedenis/4266main.html [28-6-2007].

C.B. Wels


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013