Naeff, Anthonetta (1878-1953)

 
English | Nederlands

NAEFF, Anthonetta (1878-1953)

Naeff, Anthonetta (Top), letterkundige (Dordrecht 24-3-1878 - Dordrecht 22-4-1953). Dochter van Johan Reinhard Naeff, beroepsofficier, en Anna Cornelia Vriesendorp. Gehuwd op 23-11-1904 met Huibert Willem van Rhijn, arts. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Naeff, Anthonetta

Met damast gestoffeerde huizen waarin de eredienst aan tradities en conventies stipt werd uitgevoerd, en het wijde water rondom Dordrecht vormden het decor van Anthonetta Naeffs jeugd. De Merwede-stad was een koopmansstad, en koopman was men ook in de familie aan moederskant. Status en welstand waren in deze kring heilige waarden. Na enig aarzelen werd de uit de Achterhoek afkomstige beroepsmilitair Naeff door de Vriesendorps als partij voor Anna Cornelia aanvaard. Het huwelijk werd in 1877 voltrokken. Anthonetta, in de wandeling Top genaamd, kwam een jaar later ter wereld. Zij zou enig kind blijven. In hun streven haar niet te 'bederven' neigden haar ouders tot een strikte opvoeding. Bij haar Dordtse grootvader daarentegen kon zij geen kwaad doen; aan hem bewaarde zij haar beste jeugdherinneringen, later liefdevol vastgelegd in de schets 'Mijn grootvader en ik', in Onze Mei. [Onder red. van M.C. van Zeggelen] (Baarn, 1927) 107-127. Haar vader diende bij het corps Pontonniers in Gorinchem en Den Helder, meesttijds te Dordrecht, waar hij in 1895 benoemd werd tot commandant. De diverse scholen die zij bezocht boeiden haar slechts matig; liever sprong zij uit de band of las zij onder de lessenaar mevrouw Bosboom-Toussaint en Hélène Swarth.

Teneinde het enfant terrible Top te beschaven stuurden haar ouders haar voor een jaar naar een kostschool in Brussel. Kort na haar terugkeer overleed haar vader, in oktober 1897, door een val van zijn paard. Deze gebeurtenis liet diepe sporen bij haar achter. Zeven jaar, tot aan haar huwelijk in 1904, woonde zij bij haar moeder, trachtend opbeurend gezelschap te zijn. Schrijven en publiceren konden daarbij helpen. Als zestienjarige had zij het genoegen gesmaakt dat een van haar verhalen werd geaccepteerd door Elsevier's geïllustreerd Maandschrift. Hierdoor gestimuleerd bleef zij de pen hanteren. Toneel boeide haar van kindsbeen af. In 1899 verscheen haar dramatische schets De genadeslag, die genoeg kwaliteit bleek te hebben om door het Rotterdamse gezelschap 'Le Gras en Haspels' te worden opgevoerd. Een jaar later boekte zij een nog opmerkelijker succes met het meisjesboek School-idyllen, in één ruk geschreven en in keurige schoolschriften naar de uitgever opgestuurd. Het trok meteen een groot lezerspubliek en zou telkenmale worden herdrukt. Indien alle tranen uitgestort over het 'sterfbed van Jet' zouden samenvloeien, had Nederland er een heuse rivier bij. Maar naast sentiment bevatte het humor, en geschreven vanuit de optiek van de puber (of bakvis) bereikte het een categorie lezers die in de jeugdliteratuur nog nauwelijks aan bod was gekomen. Zij publiceerde nog drie andere jeugdboeken. Tweelingen (1901), 't Veulen (1903) en In den dop (1906), waaraan zij minder waarde hechtte.

Want intussen had zij zich ook gepresenteerd aan een volwassen publiek. De korte verhalen in In mineur (1902) en De glorie (1906), en de novellen De dochter (1905) en De stille getuige (1906) lieten een heel andere Top Naeff zien dan de schrijfster van het stilistisch onbevangen School-idyllen. In een proza dat aanvankelijk tendeerde naar gekunsteldheid, maar geleidelijk soberder werd, behandelde zij nu, en in wat latere werken als Oogst (1908) en de omvangrijke roman Voor de poort (1912), het verschil in beleving van de liefde tussen man en vrouw, het web van herinneringen waarin de doden de levenden gevangen houden, de voortdurende ontgoocheling van het leven. Haar creaturen is er geen geluk in beschoren, liefde blijft onbeantwoord, eenzaamheid dreigt, en de dood is voortdurend aanwezig - thema's die voortkwamen uit een pessimisme dat zowel kunstvorm als levensstijl was. Het hoogste wat de mens in haar oeuvre bereiken kon was aanvaarding van en berusting in zijn lot. Critici waren het erover eens dat zij bewees te beschikken over een aanzienlijk talent voor sfeerbeschrijving en psychologische ontleding, vooral van de vrouwelijke ziel. Het schrijversgilde begroette haar daarom gaarne als lid. Herman Robbers, Ary Prins en Johan de Meester werden haar vrienden en mentoren.

Na publikatie van haar tweede drama Aan flarden (1901), waarover recensenten matig te spreken waren, hield zij zich voornamelijk als toneelcritica met het theater bezig, eerst op het bescheiden niveau van de Dordrechtsche Courant, vanaf 1914 tot aan 1930 in De [Groene] Amsterdammer. Zij koesterde een gepassioneerde bewondering voor de acteur/regisseur Willem Royaards, die zich ook in de persoonlijke sfeer zou uiten. De neerslag ervan is te vinden in haar essay Charlotte von Stein, een episode (1921). Zelf zei zij in dit geschrift haar diepste emoties te hebben lucht gegeven. Royaards zou er in de gedaante van Goethe verschijnen, zij als Charlotte, de vrouw die het genie wist te inspireren, maar die ten slotte in de steek werd gelaten toen Goethe een 'alledaags wezen' huwde - de goede verstaander begreep dat zij daarbij doelde op Royaards echtgenote, Jacqueline Sandberg. Het huwelijk, trouw en ontrouw komen in Naeffs werk voortdurend aan de orde, waarbij opvalt dat haar hoofdpersonen de banden van het huwelijk meestal als knellend ervaren en hunkeren naar bevrijding en een nieuw begin, zonder de definitieve stap te willen of kunnen zetten. De roman Offers (1932) is geheel aan dit onderwerp gewijd.

Ook de kleine en grote beproevingen van het leven in de provincie zijn bij haar terug te vinden. Zij wist waarover zij schreef. In Dordrecht was zij geboren, en daar zou zij proberen het schrijversschap - het 'wonderbare ambt', dat zij naar eigen zeggen met ziel en zaligheid lief had - met haar plichten als 'vrouw van de dokter' te verenigen. Wel greep zij iedere gelegenheid Dordt tijdelijk te ontvluchten met beide handen aan, of het nu was om in den lande uit eigen werk voor te lezen of om in Amsterdam of elders in haar functie van toneelrecensente voorstellingen te bezoeken.

'Mijn man zet heel aardig armen en benen maar van zaken doen heeft hij geen notie', schreef zij in een brief. Zij bestierde haar eigen besognes, bijv. de relatie met haar uitgevers, kordaat. Tot het feminisme voelde zij zich niet aangetrokken. De enige zaak die zij wilde dienen was de kunst; daarover uitte zij zich uitsluitend in verheven bewoordingen. Zij legde de nadruk op wat zij noemde het bevrijdende element in de kunst. Een bevrijding die dan vooral de literatuur en het toneel konden bieden. De aandacht voor het toneel ging volgens haar in Nederland weinig diep; door middel van haar kritieken probeerde zij daar verandering in te brengen en de voorwaarden voor een echte toneeltraditie te scheppen. In de jaren twintig verscheen een bundeling van deze kritieken. Dramatische kroniek (1919-1923. 4 dl.), die tot het beste van haar werk behoort. Een andere dienst bewees zij het toneel met haar studie over Willem Royaards, voltooid in 1940, maar pas in 1947 verschenen. Aan Jan Greshoff, die meende dat zij te weinig de persoon van Royaards had belicht, schreef zij dat het publiek alleen recht had op het openbare leven van de kunstenaar, niet op zijn vie intime. Ook in haar overigens boeiende memoires Zo was het ongeveer zijn de intieme bijzonderheden van haar leven - bijvoorbeeld haar relatie met Royaards - schaars. Zij achtte deze niet van wezenlijke betekenis voor goed begrip van haar werk.

De betekenis van dat werk zou na het midden van de jaren twintig worden aangevochten. Een invloedrijk criticus als Menno ter Braak liet zich in nogal schampere bewoordingen uit over 'tante Top' en haar esthetische normen, al wilde hij wel erkennen dat zij in haar soort (dat van de damesliteratuur) rijp werk leverde. Wat Naeff vooral stak was het oordeel dat de socialiste Annie Romein-Verschoor over haar uitsprak in De Nederlandsche romanschrijfster na 1880 (Utrecht, 1935) (eveneens in 1935 verschenen als Vrouwenspiegel): 'een kostelijke plant in al te schamele aarde.' Deze schraalheid zou zijn te wijten aan haar preoccupatie met de bourgeoisie en aan het feit dat zij geen oog had voor de maatschappelijke en politieke problemen van haar tijd. Naeff was, met andere woorden, conservatief. Geheel oneens was zij het daarmee niet, maar zij weigerde te geloven dat goede literatuur per definitie engagement van node heeft. Zij meende dat al te velen dat van de daken schreeuwden. Bovendien valt haar vanuit een later perspectief een vorm van - impliciet - engagement niet te ontzeggen. In de bundel miniaturen Letje (1926) beschreef zij immers de in het dwangbuis van conventies geperste burgerij met niet aflatende ironie, zelfs sarcasme. Naeff rekende in Letje af met het milieu dat zij zo goed kende en waarin zij een zelfde verstikking zou hebben ervaren als zij de kunst niet had ontdekt om eraan te ontsnappen. Wie dit boek en sommige van haar andere las kon moeilijk tot de conclusie komen dat zij nog veel heil verwachtte van de bourgeoisie, waaruit alle elan leek te zijn verdwenen. Zij gaf echter geen antwoord op de vraag waarvandaan dit wél moest komen - wat voorbij was achtte zij uiteindelijk waardevoller dan het meeste van wat zou komen.

Ook op de internationale PEN-congressen van de jaren '30 getuigde zij dat de kunst aan zichzelf genoeg moest hebben. Zo stemde zij tegen een motie waarin geprotesteerd werd tegen de vervolging van schrijvers in Duitsland. Tot grote belletristische produktiviteit stimuleerden de crisisjaren haar niet; feitelijk was de roman Een huis in de rij (1935) haar laatste fictie van enige omvang, en bovendien niet haar beste. Tussen 1937 en 1940 was zij als literair redacteur verbonden aan Eisevier's geïllustreerd Maandschrift. Zij verrichtte dit werk meer uit piëteit voor haar geestverwant Herman Robbers, die het blad tot aan zijn dood in 1937 had geredigeerd, dan met de overtuiging het literair klimaat te kunnen beïnvloeden. Het uitbreken van de oorlog zou tevens het einde betekenen van het Maandschrift, waarin zij ooit gedebuteerd had.

De Tweede Wereldoorlog maakte zij in Dordrecht door. Het leed toen geleden transponeerde zij tot de dichtbundel Klein Witboek (1947), die, een enkele uitzondering daargelaten, bewees dat haar verdiensten toch in de eerste plaats in het proza lagen. In de laatste maanden van de oorlog kreeg zij last van spierreumatiek, die gaandeweg iedere beweging pijnlijk zou maken. Toch drukten de lasten van de ouderdom haar niet terneer. Haar met lichtvoetige ironie geschreven autobiografische schets Zo was het ongeveer, die in 1950 verscheen, vormde daarvan een bewijs. Feesten zijn de beste grondslagen voor de literatuur, was haar stelregel. Zij liet zich daarom onveranderlijk zien op literaire bijeenkomsten waar iets te vieren viel. Niet zelden werd zij daarbij zelf gefêteerd als de 'grote dame' van de Nederlandse literatuur - de critici van het interbellum ten spijt. De Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden maakte haar in 1952 erelid, terwijl de gemeente Dordrecht haar in 1953 het ereburgerschap verleende, een onderscheiding die zij met een tintelende rede aanvaardde. Enkele weken nadien overleed zij.

In de gevel van haar geboortehuis aan de Nieuwe Haven 38 werd in 1960 nog een gedenkteken onthuld. Haar werk raakte grotendeels vergeten, het leek te tijdsgebonden, te conventioneel van stijlopvattingen en te beperkt in milieuschildering. Daarentegen bleven tragiek en onbevangenheid van School-idyllen en de wrange humor van Letje volgende generaties aanspreken, en suggereerden historici dat haar boeken van waarde zouden kunnen zijn bij de bestudering van de sociale stratificatie van Nederland in het eerste kwart van de twintigste eeuw.

'Een doodgewoon vrouwenleven' was de omschrijving die Top Naeff in haar memoires van haar bestaan gaf. Zo heel gewoon was het natuurlijk niet, en zelf wist zij dat ook wel. Maar schrijven was volgens haar weglaten en schrijven was camouflage. Ze camoufleerde tot het einde toe.

A: Collectie-Naeff in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage.

P: Bibiografie in onder L genoemd levensbericht van Marie Schmitz en in Ik hou van jou. Drieënnegentig auteurs van Querido -fotografisch, biografisch en bibliografisch (Amsterdam, 1982) 85.

L: Frans Netscher, 'Top Naeff, in Onze letterkundigen (Amsterdam, [1903-1907]) 3-7; M.J. Brusse, 'De dagtaak van de schrijfster Top Naeff, in NRC, 7-1-1928; M. ter Braak, 'Uit en toch in de rij', in Het Vaderland, 1-12-1935; Clare Lennart, 'Over Top Naeff', Den Gulden Winckel 36 (1937) 6/7 (juni-juli) 5-8; J. Greshoff, 'Bij de zestigste verjaardag van Top Naeff, in het te Brussel verschenen Het Hollandsche Weekblad. Onder leiding van J. Greshoff, 12-3-1938; [D. Th. Jaarsma], 'Bij den zestigsten verjaardag van Top Naeff', in NRC, 23-3-1938; Anna Blaman, 'Top Naeff. Noblesse en liefde', in Vrij Nederland, 13-3-1948; G. Stuiveling, 'Een zelfportret van Top NaefF, in Nieuw Vlaams Tijdschrift 6 (1951-1952) 76-80; Verslag van het verhandelde in de bijzondere openbare vergadering van de gemeenteraad van Dordrecht op 24 maart 1953. Toekenning gouden eremedaille der stad Dordrecht aan Anthonetta van Rhijn-Naeff(Top Naeff) (Dordrecht, [1953]); W.L.M. E. van Leeuwen, 'Top Naeff, of distictie en distantie', in De Vlaamse Gids 37 (1953) 459^161; C. Buddingh, 'Top Naeff legde het wezen van Dordt vast', in Vrij Nederland, 21-3-1953; P.H. Dubois, 'Top Naeff 75 jaar: Gaafste onder Nederlandse romanschrijfsters', in Het Vaderland, 21-3-1953; Jeanne van Schaik-Willing, 'Bij de dood van Top Naeff', in De Groene Amsterdammer, 2-5-1953; M. Schmitz, 'Anthonetta Naeff', in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1951-1953. Levensberichten 31-38; P.H. Ritter, Ontmoetingen met schrijvers [Amsterdam, 1956] 67-69; A. Salomons, Herinneringen uit den ouden tijd... ('s-Gravenhage, 1957-1960. 2 dl.) 1,181-193; H. Edinga, 'Top Naeff en de onverdiende stilte', in Elseviers weekblad, 27-4-1963 ; idem, 'Omdat de eenzaamheid zulke nijpende vormen kon aannemen', in NRC, 30-12-1978; J. Royaards-Sandberg, Herinneringen (Baarn, 1979) 115-116; H. van Gelder, 't Is 'n bijzonder kind, dat is ie (Bussum [etc., 1982]) 63-69.

I: Top Naeff, Zo was het ongeveer. Contouren van een schrijfstersleven (Utrecht 1988) afbeelding tegenover titelblad [Naeff in 1948].

A. Lammers


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013