Noort, Gerardus Cornelis van (1861-1946)

 
English | Nederlands

NOORT, Gerardus Cornelis van (1861-1946)

Noort, Gerardus Cornelis van, RK theoloog (Stompwijk, gem. Leidschendam 9-5-1861 - Amsterdam 15-9-1946). Zoon van Nicolaas van Noord (bekend onder de naam Van Noort), werkzaam in de bouw, en Cornelia Onderwater. afbeelding van Noort, Gerardus Cornelis van

Van Noort studeerde van 1873 tot 1884 aan de bisschoppelijke seminaria Hageveld en Warmond. Zijn priesterwijding vond op 15 augustus 1884 plaats. Na kapelaan in Medemblik (1884-1887) en Amsterdam aan de kerk Nicolaas binnen de Veste (1887-1892) te zijn geweest, werd hij benoemd tot hoogleraar aan het seminarie te Warmond, met als leeropdracht de systematische theologie of dogmatiek.

In zijn Warmondse tijd slaagde de autodidact Van Noort erin om, naar de normen en gedachten van de neoscholastiek, een aantal theologische cursussen in boekvorm uit te geven. De werken van Van Noort, in het Latijn gesteld, bleven tot in de jaren vijftig van de twintigste eeuw de voornaamste dogmatische handboeken die op de meeste groot-seminaries in Nederland en ook op enkele in het buitenland gebruikt werden. Zij formuleerden de kerngedachten kort en helder en maakten duidelijk onderscheid tussen hoofd- en bijzaken in de systematische theologie.

In zijn theologische traktaten trachtte Van Noort het midden tussen traditie en modernisme te bewaren. Van belang was het daarbij dat hij in ieder geval weigerde alles wat nieuw was of nieuw leek bij voorbaat te verwerpen. Hierdoor werd hij toch beschuldigd van modernistische sympathieën en moest hij in 1908 zijn professoraat op het groot-seminarie neerleggen, om vervolgens pastoor in Amsterdam te worden. Al spoedig bleek dat hij zich niet kon of wilde beperken tot zijn werk in de parochie Willibrord binnen de Veste. Door de aanstelling in 1909 tot directeur van de Vereeniging tot weldadigheid van de allerheiligste Verlosser kwam hij direct in aanraking met de problemen en belangen van het katholiek onderwijs in de gehele hoofdstad. Van Noort constateerde dat het kleuteronderwijs niet voldoende voorbereidde op het lager onderwijs en stelde om die reden, samen met R.H.A.M. Romme, een onderzoek in dat leidde tot voorstellen van vernieuwing met het doel tot een meer gerichte opleiding van kinderen te komen. Deze voorstellen werden voor de katholieke onderwijspolitiek overgenomen en het rapport bleef daartoe telkens op nieuw de grondslag.

Van Noort werd bovendien de ziel van de Katholieke Wetenschappelijke Vereeniging in Amsterdam en het gehele bisdom Haarlem. Met katholieken uit de universitaire wereld onderhield hij goede contacten. Tien katholieke hoogleraren aan de rijksuniversiteiten zouden, gesteund door bisschop J.D.J. Aengenent, weten te bewerkstelligen dat hij in 1929 een eredoctoraat in de theologie van de Gregoriaanse universiteit te Rome zou ontvangen.

In januari 1929 werd Van Noort benoemd tot deken van Amsterdam en tot rector van het Begijnhof. Hij zou erin slagen deze functie op een zeer goede wijze te vervullen. Wanneer men als particulier of via organisaties met de deken in contact kwam, dan wist men dat men op zakelijke wijze tot resultaten kon komen. In bijeenkomsten die nooit te lang duurden, slaagde hij er vaak in menigeen te overtuigen van zijn opvattingen.

Ook samenwerking tussen het burgerlijk bestuur en de Amsterdamse deken verliep voorspoedig. In de oorlogsjaren zag Van Noort het als zijn taak iedereen die het moeilijk had moed in te spreken. Zijn korte preekjes in de kapel van het Begijnhof, waarvan hij van 1929 tot 1945 rector was, werden met eerbied beluisterd: boven de ellende van de oorlog uit wees hij zijn kerkgangers op hoger waarden. Het stadsbestuur gaf blijk van zijn waardering hiervoor: bij zijn afscheid als deken op 30 augustus 1945 werd hem de eremedaille van de stad toegekend.

De betekenis van Van Noort als geestelijk leider van de katholieke gemeenschap te Amsterdam is groot geweest, maar nog meer was hij als katholiek theoloog van belang. Ofschoon de theologie, steunend op de rationele gegevens van Thomas van Aquino, nu in het licht van de menswetenschappen andere accenten krijgt, moet men toch erkennen dat Van Noort met zijn boeken daarvoor stof heeft geleverd. Zijn invloed op anderen in de theologie komt duidelijk tot uiting in de hem in 1944 aangeboden bundel Theologische opstellen opgedragen en aangeboden aan mgr.dr. G.C.van Noort (Utrecht, 1944).

A: Dossier- Van Noort in Bisschoppelijk archief Haarlem.

P: Voornaamste publikaties: De Christus. Zijn persoon en zijn werk [Amsterdam, 1914]; Tractatus de deo creatore 4e dr. (Hilversum, 1925); Tractatus de deo redemptore 4e dr. (Hilversum, 1925); Tractatus de sacramentis 4e dr. verz. door J.P. Verhaar (Hilversum, 1927-1930. 2 dl.); Tractatus de deo uno et trino 4e dr. (Hilverum, 1928); Tractatus de ver a revelatione 5e dr. (Hilversum, 1929); Tractatus de ver a religione 5e dr. (Hilversum, 1929); Tractatus de ecclesia Christi 5e dr. (Hilversum, 1932); Tractatus de gratia Christi 4e dr. (Hilversum, 1934); Tractatus de novissimis quem praesertim ex annotationibus. Concinnavit J.P. Verhaar (Hilversum, 1935); Predicaties (Amsterdam, ça. 1947. 5 dl.).

L: K. Steur, 'De theoloog Van Noort', in De Tijd, 9-5-1941; A. Hollenberg, in Waar eens een Franse kostschool stond (Warmond, 1949) 41-46; B. Voets, Bewaar het toevertrouwde pand. Het verhaal van het bisdom Haarlem (Haarlem, 1981) passim.

I: Katholiek Documentatie Centrum te Nijmegen, Collectie personen: afb. 2A6847 [Van Noort in augustus 1924].

B. Voets


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013