Pater, Jan Cornelis Hendrik de (1887-1971)

 
English | Nederlands

PATER, Jan Cornelis Hendrik de (1887-1971)

Pater, Jan Cornelis Hendrik de, historicus (Bleiswijk 26-11-1887 - 's-Gravenhage 6-8-1971). Zoon van Dammes de Pater, rentenier, en Antje Sanders. Gehuwd op 5-6-1919 met Catharina Henriëtta Höweler. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 2 dochters geboren.

Door de vroege dood van zijn vader viel de opvoeding van de jonge De Pater geheel aan zijn moeder toe. Na in 1907 het einddiploma van een christelijke HBS in Rotterdam te hebben verworven, legde hij zich toe op het staatsexamen gymnasium-A. Vanaf 1909 volgde hij te Leiden als student in de letteren de nog ongesplitste opleiding Nederlands en geschiedenis. De SSR (Societas Studiosorum Reformatorum) had in hem een actief lid. Nog vóór zijn doctoraal examen leraar, afwisselend te Rotterdam en in Den Haag, werd De Pater in 1919 definitief benoemd aan Het 's-Gravenhaagsch Christelijk Gymnasium, waar hij tot aan zijn pensionering in 1953 werkzaam zou blijven. Het leraarsleven heeft hem echter nooit verhinderd zich te wijden aan wetenschappelijk werk op historisch gebied. Een eerste vrucht daarvan was het proefschrift waarop hij in 1917 bij P.J. Blok promoveerde, getiteld De Raad van State nevens Matthias, 1578-1581 (1917). Ook gedurende de rest van zijn leven bleef De Pater geboeid door de zaak van de Opstand: de meeste van zijn publikaties zijn gewijd aan de zestiende en zeventiende eeuw, al had hij zeker niet de neiging zich in een eng specialisme op te sluiten. In de jaren na zijn promotie verschenen regelmatig artikelen van zijn hand, terwijl hij tevens het leeuwedeel voor zijn rekening nam van een samen met de Hongaarse hoogleraar G. von Antal verzorgde bronnenuitgave: de Weensche Gezantschapsberichten van 1670 tot 1720 (2 dl.), verschenen in de serie Rijks Geschiedkundige Publicatiën (1929-1934). Twee samenvattende werken vestigden zijn naam als kenner van Het tijdperk van de Reformatie en de Godsdienstoorlogen - zoals de titel luidde van het door hem verzorgde zesde deel van de Algemeene Geschiedenis uitgegeven door H. van Gelder en N. Japikse (1931). Substantiëler nog was zijn bijdrage tot de onder redactie van H. Brugmans verschenen Geschiedenis van Nederland, waarvan De Pater de delen drie en vier verzorgde: De Tachtigjarige Oorlog (1936).

In al zijn werken deed De Pater zich kennen als de geschiedschrijver die hij ook wilde zijn, een christen-historicus. Ook, of juist, in het geschiedverhaal diende de belijdende christen zich niet te verloochenen. Dat kwam duidelijk tot uiting in zijn visie op de Tachtigjarige Oorlog, die voor hem primair een godsdienstige strijd bleef. In het oude debat over de oorzaken van de Opstand, ter wille van de vrijheid of de religie, koos hij vol overtuiging voor de laatste factor. De scheiding tussen de noordelijke en zuidelijke Nederlanden was voor hem dan ook niet een gevolg van toevallige factoren, maar een uitvloeisel van het eigen karakter van het protestantse noorden. Het lag voor de hand dat deze opvatting De Pater in conflict zou brengen met Groot-Nederlanders als Geyl, en inderdaad is het in de loop der jaren herhaaldelijk tot een scherpe polemiek gekomen tussen beiden. Geyls opvatting van één Nederlandse stam, die slechts door de natuurlijke barrière der grote rivieren en door het verloop van het krijgsgebeuren uiteen was gevallen, bleef voor De Pater onaanvaardbaar. Het conflict werd heviger toen De Pater na de oorlog in Geyls Groot-Nederlandse conceptie bovendien gevaarlijke tendenties naar 'bloed en bodem'-theorieën meende te ontwaren. Na het verschijnen van Geyls Studies en Strijdschriften (1958) erkende De Pater echter ten onrechte een persoonlijk element in de strijd te hebben gebracht en verzoenden beide tegenstanders zich, zonder elkaar overigens in het principiële meningsverschil veel nader te zijn gekomen.

Naast zijn leraarsbaan en publicistische activiteiten was De Pater ook nog anderszins een vooraanstaande figuur in de historische wereld. Hij was een van de oprichters, in 1920, van het Gezelschap van Christelijke Historici in Nederland, en bleef daarin actief tot en met zijn erelidmaatschap in 1971. Na de oorlog werd hij bovendien als docent verbonden aan de MO-opleiding geschiedenis bij de Haagse School voor Taal- en Letterkunde, een functie die hij tot 1958 met veel animo heeft vervuld. Een treffend getuigenis van zijn energie is wel het feit dat de toen 71-jarige geleerde het nog aandurfde voor het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie een monografie te beginnen over Het schoolverzet (1969). De publikatie van dit laatste werk betekende een waardig besluit van een lang leven in dienst van onderwijs en wetenschap.

P: Bibliografie achter het hierna te noemen artikel, in Serta Historica III, 30-34.

L: L.C. Suttorp, in Bijdragen en mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden 86 (1971) 412-413; idem, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1971-1972, 246-251; idem, in Serta Historica III (Kampen, 1972) 17-30.

H. van der Hoeven


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013