Plas, Charles Olke van der (1891-1977)

 
English | Nederlands

PLAS, Charles Olke van der (1891-1977)

Plas, Charles Olke van der, Raad van Indië (Buitenzorg (Ned.-Indië) 15-5-1891 - Zwolle 7-6-1977). Zoon van Charles Olke van der Plas, administrateur in de cultures, en jkvr. Catharina Cornelia Eleonora Clifford Kocq van Breugel. Gehuwd op 30-4-1919 met Lilian Mabel Skerrett Rogers. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren. Na haar overlijden (10-12-1924) gehuwd op 8-11-1933 met Johanna Jacoba Willemina Hermine Pleijte. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Plas, Charles Olke van der

Van der Plas gaat na zijn middelbare school op 22 september 1908 aan de Leidse universiteit studeren om zich voor te bereiden op het examen voor de Ned.-Indische bestuursdienst op 20 juni 1911. In 1912 begint hij als administratief ambtenaar bij het Binnenlandsch Bestuur (BB) op Java en sinds 1913 is hij controleur BB. Vervulling van bijzondere werkzaamheden vestigde reeds vroeg de aandacht op hem. In 1919 werd hij in Nederland tot de Bestuursacademie toegelaten en dong hij naar de functie van Nederlands consul te Djeddah. Het was de vermaarde Leidse hoogleraar C. Snouck Hurgronje die hem verkoos voor deze, in wezen diplomatieke, post.

Te Djeddah, plaats met een onbarmhartig klimaat, heeft Van der Plas van 1921 tot 1926 de vleugels wijd uitgeslagen. Bij het beschermen van de hem bij Allah's buren, de Mekkanen, toevertrouwde tienduizenden argeloze Indonesische pelgrims heeft hij zich doen kennen als een kundig, beleidvol en onverschrokken diplomaat. Van feilloos politiek inzicht getuigde zijn uitlokken van de snelle Nederlandse erkenning in begin 1926 van koning Abdoelaziez Ibn Saoud als de nieuwe heerser in Arabie. Te Addis-Abbeba sloot hij voor Nederland in het najaar van 1926 twee verdragen met de negus Ras Tafari, sinds 1930 keizer Haile Selassie, van Ethiopië. De Britse consul (later ambassadeur Sir) R.W. Bullard getuigde: 'My colleagues included Van der Plas, Netherlands Consul, a distinguished member of the Java Civil Service and a cultivated man who would have been welcome anywhere and in Jedda was a godsend.'

Toen Van der Plas in 1927 na acht jaren afwezigheid op Java terugkeerde als plaatsvervangend c.q. waarnemend Adviseur voor Inlandse Zaken, raakte hij midden in de situatie die sinds de Eerste Wereldoorlog in toenemende mate de politieke gemoederen in Ned.-Indië vervulde: tussen enerzijds de even omstreden als vaststaande wil aan Nederlandse zijde tot verder gaande machtsoverdracht aan de inheemsen, en anderzijds de wens tot machtsovername van het in verschillende richtingen zoekende Indonesische nationalisme. Het was de taak van de Adviseur - een functie indertijd voor Snouck Hurgronje geschapen - de gouverneur-generaal rechtstreeks te dienen met adviezen betreffende 'de Inlandse beweging'. De onstuimige ontwikkelingen van dit nationalisme in de jaren waarin Van der Plas zijn adviezen uitbracht (1927-1929) hebben hem de reputatie bezorgd 'progressief te zijn. Maar hoezeer hij als 'ethisch' ging gelden en 'bête noire' werd van andersdenkende Nederlanders, bij de belangrijkste nationalisten was hij niet geheel reçu. Van der Plas benaderde het nationalisme bij voorkeur vanuit de moslimse hoek, en dit gaf hem wel een ruime entree bij Indonesische moslims, maar niet bij séculaire nationalisten van het type Soekarno. Aan deze laatsten zou de toekomst blijken te zijn, en dit moest meebrengen dat de progressieve Van der Plas eenmaal uitgerangeerd zou worden.

Na de periode op Inlandsche Zaken volgden opdrachten betreffende onderwijs en kolonisatie. In 1932 werd Van der Plas resident van Cheribon en terzelfder tijd voorzitter van de Overdracht-Commissie. Deze had in wezen tot taak de voltooiing van de in 1919 aangevangen machtsoverdracht vanuit het centrale bewind naar vertegenwoordigende lichamen met ruime Indonesische meerderheid, een taak die om een figuur met het prestige van Van der Plas vroeg. In 1936 volgde zijn benoeming tot gouverneur van Oost-Java. In deze belangrijkste provincie van Ned.-Indië kon hij op grote schaal zijn creatieve bestuurlijke visies ontplooien, daarbij blijk gevend van zijn bijzondere belangstelling voor de opheffing van de kleine man op sociaal en economisch gebied. Mogelijk is dit de gelukkigste tijd van zijn leven geweest, maar voor velen - meeliggers of dwarsliggers - moet het een soort verademing geweest zijn toen in 1941 deze dynamische, zo niet rusteloze figuur in de Raad van Indië geroepen werd.

Nog hoger steeg Van der Plas toen hij bij de ineenstorting van Ned.-Indië begin 1942 naar Australië werd gezonden om daar met H.J. van Mook de Ned.-Indische regering voort te zetten. Ook tegen deze taak zou hij zich geheel opgewassen tonen. Inventief, resoluut en inspirerend hield hij tot in de VS het licht van de Nederlandse zaak hoog. Het heeft niet aan hem gelegen dat bij de 'bevrijding' in augustus 1945 maar heel weinig is terechtgekomen van een herstel van Nederlands gezag over Ned.-Indië. In het tumult van de gebeurtenissen aldaar, najaar 1945, raakte Van der Plas zijn leidende functie kwijt, erger nog, hij bleek persona non grata bij de Indonesische leiders die het heft in handen genomen hadden. Nog vervulde hij enkele functies, maar in 1947 werd hij gepensioneerd. Wel verre van zijn carrière voor gezien te houden nam hij een nieuwe taak op zich. Gelijk een bevoegd beoordelaar (H.N. Boon) schreef: 'de mysterieuze van der Plas met de groengrijze ogen, een speelse glimlach om zijn mond, die het intrigespel van de Arabische wereld gaarne uitdroeg in het naoorlogse Indonesië, waar hij als organisator van de "volksstemming" moest zorgen, dat de deelstaat Oost-Java en Madura in het gareel bleef lopen.' (H.H. Dingemans, Bij Allah's buren, 7.) Met het einde van het Nederlandse tijdperk van Indonesië is ook Van der Plas gerepatrieerd.

Voor hem geen otium cum dignitate, maar twintig jaren van detailwerk van onderaf in het kader van de Verenigde Naties, en - als men zijn brieven en rapporten leest - even zovele jaren van frustratie. Van 1951 tot 1952 adviseert hij de Food and Agricultural Organization (FAO) over bevloeiingsmogelijkheden in Z.-W. Saoedi-Arabië, van 1956 tot 1958 ontwikkelt hij het Chrysoupolis-Nestos landbouwproject in N.-O. Griekenland, en in 1960/1961 gaat hij in Laos bij de rivier de Mekong de rijstverbouw reorganiseren. Maar zijn hart heeft hij verpand aan het minuscule tropische staatje Gambia in West-Afrika. Hier heeft hij vanaf 1954 intermitterend meer dan tien jaren 'community development' gepropageerd aan kleine landbouwers om dezen weerbaar te maken tegen handelaren-uitbuiters aan de Atlantische kust. In 1961, wanneer hij 70 is en steeds meer last heeft van zijn chronische dysenterie, malaria, bronchitis, en bovendien zijn enkel breekt met skiën bij Davos, kan de FAO hem niet meer gebruiken. In Gambia zet hij met steun van de Nederlandse Organisatie voor Internationale Bijstand (NOVIB) en met eigen middelen zijn gevecht tegen de overmacht der handelaren voort tot aan zijn 82e jaar.

Edeleer Van der Plas ('Edeleer' was de sinds de tijd der VOC gereserveerde titel voor de leden van de Raad van Indië, het hoogste regeringscollege naast de gouvemeur-generaal) is een van de meest markante leidende figuren in Ned.-Indië tussen de beide wereldoorlogen geweest. Zijn leven en werken bieden het contrast tussen enerzijds de man van visie, van organiserende en uitvoerende bekwaamheden en prestaties van het hoogste niveau, en anderzijds iemand met de rusteloze ambitie om sociaal detailwerk te verrichten.

A: Collectie-Van der Plas in Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage.

P: Behalve Brawidjaja (Amsterdam, 1951) artikelen op bestuursgebied in het Koloniaal Tijdschrift.

L: Reader [W.] Bullard, The Camels must go (London, [1961]) 130-131, 135-136; H.H. Dingemans, Bij Allah's Buren (Rotterdam, 1973) passim.

I: Beeldbank van het Nationaal Archief in Den Haag [Collectie ANEFO; Van der Plas omstreeks 1945].

H.H. Dingemans


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013