Poell, Lambert Johan Joseph Marie (1872-1937)

 
English | Nederlands

POELL, Lambert Johan Joseph Marie (1872-1937)

Poell, Lambert Johan Joseph Marie, geestelijk adviseur vakbeweging ('s-Hertogenbosch 22-3-1872 - Gemert 7-1-1937). Zoon van Joannes Hubertus Poell, boekdrukker, uitgever en redacteur van De Noordbrabanter, en Maria Elisabeth Theresia de Rooij. afbeelding van Poell, Lambert Johan Joseph Marie

Poell begon na de lagere school in Den Bosch en vier jaar gymnasium in Weert in 1887 zijn priesteropleiding aan de seminaria van het Bossche diocees. Op 8 juni 1895 werd hij tot priester gewijd. In mei 1896 werd hij assistent-kapelaan in Tilburg, parochie Heikant. Vervolgens was hij kapelaan in Woensel (1898-1904), daarna in de parochie St. Anna in Tilburg (1904-1915) en in juli 1915 werd hij in Gemert als pastoor ingehaald.

Poell behoorde tot de weinige geestelijken die, gegrepen door de encycliek Rerum Novarum (1891), zich al vroeg hebben ingespannen voor de verwezenlijking van het ideaal van een nieuwe samenleving op corporatieve grondslag, volgens het beginsel van de christelijke solidariteit, waarbij voor de vakbeweging een belangrijke taak was weggelegd. Hij was geen baanbrekend theoreticus, hij onderscheidde zich daarentegen als praktisch organisator en propagandist, en als de verbreider van de sociale gedachte in woord en geschrift, wat hem alom in den lande bekendheid heeft gegeven. Uitgaande van de corporatieve gedachte heeft hij van meet af aan ook geijverd voor en bijgedragen tot de organisatie van de werkgevers.

Zijn sociale bewogenheid kwam in Tilburg tot ontluiking. Hij zette een cursus op over de katholieke sociale beginselen, aanvankelijk bedoeld voor de fabrikanten, maar op aanraden van de vooruitstrevende ondernemer Jan B.M. van Besouw uit Goirle gaf hij deze, vanaf november 1897, voor de aan diens textielbedrijf verbonden corporatie 'Rerum Novarum'. De lessen werden in 1900 gebundeld uitgegeven als Leergang over het maatschappelijk vraagstuk. Dit opmerkelijk initiatief kreeg vervolg in een nieuwe cursus, geënt op het boek van P.B. Bruin Sociologische beginselen (Nijmegen, 1904), die twee jaar later in druk verscheen: Sociale cursus, vragen en antwoorden (Tilburg, 1906). Dit praktische handboek voor de arbeidersbeweging is zeer populair geworden: het beleefde dertien herdrukken, de laatste kwam uit in 1922. Tot in lengte van jaren heeft Poell zijn cursussen en lezingen voortgezet.

Ook in organisatorisch opzicht was Poell van den beginne af zeer actief. In Woensel (Eindhoven) was hij adviseur van verscheidene vakverenigingen. Daarbij kreeg hij van zijn socialistisch georiënteerde tegenstanders spoedig de naam veruit de meest democratische van alle adviseurs te zijn. Men vreesde zelfs dat hij door zijn optreden, vroeg of laat, net als A.M.A.J. Ariëns naar een onbelangrijke parochie overgeplaatst zou worden. Maar zijn bisschop, mgr. W. van de Ven, steunde hem. In oktober 1904 gaf deze Poell de opdracht de textielarbeiders van het diocees in een nieuwe krachtiger organisatie te verenigen, daar het bestaande nationale Textielarbeiders-secretariaat bleek te falen en het interconfessionele Unitas zich naar Brabant uitbreidde. Door een voortvarende en democratische aanpak werd spoedig resultaat bereikt: in januari 1905 kwam de Textielarbeidersbond St. Severus tot stand. Deze groeide, tegen het concurrerende Unitas in, relatief voorspoedig. In het verlengde van zijn taak als adviseur en propagandist, waarvoor Poell was vrijgesteld van parochiële bediening, lag de zorg voor het vakblad Het Hoog-Ambacht, door hem opgericht en geredigeerd.

Poell was actief betrokken bij de oprichting in 1907 van een gelijkaardige diocesane textielarbeidersbond in het Utrechtse diocees, waar het landelijke Unitas zetelde. In 1910 gingen beide diocesane organisaties samen in de Nederlandsche R.K. Textielbond St. Lambertus, verdeeld in een noordelijk en een zuidelijk district, elk met eigen bestuur en eigen adviseur. Deze opzet sloot aan bij de gedecentraliseerde 'federatief-nationale' structuur die Poell voorstond. Hij werd adviseur van de landelijke bond en van het zuidelijk district.

Nu nationale eenwording een feit was, streefde Poell naar een katholieke internationale textielarbeidersbond. Tot dan toe had hij geen aansluiting kunnen verkrijgen bij het interconfessionele Internationale Verbond van Christelijke Textielar-beidersorganisaties, waarin wel Unitas was opgenomen, doch waarvan katholieke bonden werden buitengesloten, omdat slechts één landelijke organisatie, die niet van zuiver confessionele signatuur was, werd toegelaten. Onder meer om deze reden had Poell gehoopt met Unitas tot federatieve samenwerking te kunnen komen. De ondernomen pogingen ontmoetten evenwel kritiek van de Tilburgse geestelijkheid en stuitten af op de veroordeling van de bisschop. Ook het ideaal van een katholieke internationale heeft Poell niet meer kunnen verwezenlijken.

In verband met de ideeënstrijd binnen de arbeidersbeweging over de juiste inrichting en koers was Poell ten aanzien van de onderlinge verhouding tussen stands- en vakorganisatie van oordeel dat beide niet gescheiden, maar onderscheiden dienden te worden, zonder dat de een aan de ander ondergeschikt was, of van die ander afhankelijk. In het conflict hierover tussen de Leidse School (P.J.M. Aalberse) en de Limburgse School (H.A. Poels) neigde hij naar de visie van Poels. Aangaande de bevoegdheden van een geestelijk adviseur in de vakvereniging nam Poell een vooruitstrevend standpunt in: een adviseur had nl. geen beslissende stem in technische en economische vakverenigingsaangelegenheden; dergelijke zaken berustten onder de verantwoordelijkheid van leken, voor zover er niet gehandeld werd in strijd met godsdienstig-zedelijke beginselen. Over dit probleem verscheen in 1906 een onder pseudoniem van 'Jos. Schrijvers' gepubliceerde brochure De eigenlijke verhouding der geestelijke adviseurs tot sociale vereenigingen (Helmond, 1906), die veel gerucht maakte en waarschijnlijk (mede) was geschreven door Poell. De auteur verzette zich tegen het klerikalisme in de vakbeweging, maar vond dat een geestelijk adviseur niet gemist kon worden, zolang het werkterrein nog op het godsdienstig-zedelijke en algemeen vormende vlak lag. Was om die reden afzonderlijke organisatie aannemelijk, toekomstige interconfessionele organisatie was, volgens Poell, niet per se uitgesloten. Vooralsnog was men echter, in gehoorzaamheid aan het episcopaat, gebonden aan het voorschrift van de zuiver katholieke organisatie. Ondanks die afzonderlijkheid was federatieve samenwerking met bijv. Unitas toegestaan. Hierin ging Poell verder dan zijn bisschop kon gedogen. Poells conciliante houding tegenover Unitas veranderde in een afwijzen, toen Unitas, tegen het uitdrukkelijk verlangen van het episcopaat in, vasthield aan de eigen vorm. De definitieve afwikkeling van het Unitas-geschil in 1916 was tevens de laatste bemoeienis van Poell met de landelijke vakbeweging. Op dat moment was hij reeds afgetreden als adviseur van de textielbond.

Bij heel zijn optreden kwam een voor die tijd van een geestelijke nog ongewoon openlijke kritiek op sociale misstanden naar voren en werd het recht op en de noodzaak van organisatie verdedigd. Dit was bijv. te beluisteren in Poells, vaak herdrukte, rede van 1907 te Breda, Verdiende ellende? (Tilburg, 1908), die in 1916 nog niet aan actualiteit bleek te hebben ingeboet. Poell kwam op voor loonsverhoging, verdedigde het stakingsrecht, maar bepleitte tevens de oprichting van Kamers van Arbeid en het sluiten van collectieve contracten. Hij zette zich in voor de belangen van de ongehuwd werkende vrouw, de fabrieksarbeidsters, dienstboden, zieken-verpleegsters en onderwijzeressen. Aan de kritiek bij de fabrikanten en gegoede burgerij op zijn optreden en opvattingen zou het, naar verluidt, te wijten zijn dat hem de benoeming tot pastoor in de parochie Goirle in Tilburg ontging. Zeker is wel dat door zijn aanstelling als pastoor te Gemert de vakbeweging, aan de vooravond van haar bloei, in hem een stuwende kracht verloor.

Op een ander terrein had Poell inmiddels blijk gegeven van zijn energiek optreden, zijn brede belangstelling en open oog voor nieuwe ontwikkelingen. Zo behoorde hij tot de initiatiefnemers van een Groene-Kruisvereniging in Eindhoven (1900), een der eerste in het zuiden, was hij belast met de organisatie van de stand textielindustrie en confectie op de Nederlandsche Tentoonstelling van Huisindustrie in Amsterdam (1909), en speelde hij een belangrijke rol bij de opvang van Belgische vluchtelingen, die in 1914 in groten getale ook naar Tilburg kwamen. Hij was medeoprichter van het vluchtelingen-comité en bevorderde en bestuurde mede het lager en middelbaar onderwijs voor de vluchtelingen, waarvan Tilburg de primeur had. Hij ondersteunde bij de opleving van de liturgische beweging en stond aan de wieg van de eerste R.K. Evangelie-Vereeniging in Nederland (1914). Maar vooral voelde Poell zich sterk aangetrokken tot de opkomende esperantobeweging. Hij nam deel aan de oprichting van de Nederlandse Katholieke Esperantistenbond (1909), was de eerste voorzitter tot 1916 en bleef adviseur tot zijn dood (1937). Ook binnen de internationale katholieke esperantobeweging was hij actief, zo werd hij o.a. voorzitter van het Internationaal Katholiek Informatiebureau (1934), dat het Esperanto dienstbaar maakte aan de verbreiding van het katholicisme. Behalve deze veelzijdige organisatorische arbeid was Poell ook een vruchtbaar publicist van meest populaire geschriften over stichtelijke, historische en vooral maatschappelijke aangelegenheden. Zijn verblijf in Gemert bracht trouwens geen verandering in de rusteloze ijver van Poell, al waren zijn activiteiten in die tijd voornamelijk van lokale aard. In het jaar dat hij als pastoor had willen bedanken, kwam hij te overlijden.

Met recht kan men Poell rekenen tot de pioniers die de katholieke sociale beweging over het aarzelend begin hebben heen getild. Erkenning voor zijn kwaliteiten als sociaal voorman komt o. a. tot uitdrukking in de benoeming tot lid van de Staatscommissie over de werkloosheid, die van 1909 tot 1914 aan haar rapport werkte, en spreekt uit een koninklijke onderscheiding die in 1920 werd verleend.

P: Behalve in de tekst genoemde werken: De taak der r.k. arbeidersvereenigingen (Tilburg, 1906); Christus ' lijden aan de geloovigen voorgehouden (Tilburg, 1907. 2 dl.); Een woord aan de vrouw van den werkman (Tilburg, 1909); 'Socialisme en rechtvaardigheid', in Rechtvaardigheid en naastenliefde (Leiden, 1913) 176-191; De puerorum institutione. Over het onderwijs der jeugd (Tilburg, 1915); Kleine liturgische kathechismus (Tilburg, s.a.); 'G. Macropedius', in Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek (Leiden, 1927) VII, kol. 822-823. Volledige bibliografie in publikatie van A. Thelen.

L: L.J. Rogier en N. de Rooy, In vrijheid herboren. Katholiek Nederland 1853-1953 ('s-Gravenhage, 1953) 464-465; J.J.M. Sicking, 'Lambert Poell', in Brabantia 15 (1966) 241-246; H.F.J.M. van den Eerenbeemt, 'Ideeën rond 1900 van katholieken in Nederland over een reconstructie der maatschappij', in Sociale wetenschappen 13 (1970) 274-275; L.C.W.J.M. ten Horn-van Nispen, Jan B.M. van Besouw. Een sociaal geïnspireerd ondernemer rond 1900 (Tilburg, 1971) passim; A. Thelen, Lambert J.J.M. Poell 1872-1937. Organisator en propagandist van de katholieke sociale actie (Tilburg, 1985).

I: Katholiek Documentatie Centrum te Nijmegen, Collectie personen: afb. 2A7653 [Foto: Archief Ned. Kath. Vakverbond].

A. Thelen


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013