Quack, Hendrick Peter Godfried (1834-1917)

 
English | Nederlands

QUACK, Hendrick Peter Godfried (1834-1917)

Quack, Hendrick Peter Godfried, schrijver over sociale ideeën en directeur van De Nederlandsche Bank (Zetten, gem. Valburg 2-7-1834 - Amsterdam 6-1-1917). Zoon van Peter Christofiel Quack, rentenier, en Theodora Segerina Heineken. Gehuwd op 14-12-1865 met Clasine Thérèse van Heukelom. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Quack, Hendrick Peter Godfried

Quacks ouders woonden te Zetten op het buitenverblijf Steenbeek, waaraan een brouwerij was verbonden. Na enige jaren kwamen er financiële moeilijkheden en in 1839 vertrok het gezin Quack naar Baarn, waar de vader voortaan zijn dagen sleet als zuinige kleine rentenier, ondersteund door zijn schoonfamilie. In 1848 ging de jonge Quack naar Amsterdam om het gymnasium te bezoeken en weldra verhuisden ook zijn ouders daarheen. Vervolgens studeerde hij aan het Athenaeum te Amsterdam en sloot hij deze studie op 13 december 1859 te Utrecht af met een promotie tot meester in de rechten.

De beide juridische hoogleraren aan het Athenaeum hebben grote invloed op hem gehad, in de eerste plaats Martinus des Amorie van der Hoeven. Deze wees de individualistische liberale staatsopvatting af en legde vanuit zijn religieuze overtuiging sterk de nadruk op het gemeenschapsgevoel. Na Van der Hoevens vroegtijdige dood heeft Quack een biografie aan hem gewijd. Diens boekje Over het wezen der godsdienst en hare betrekking tot het staatsrecht (Amsterdam, 1854) lag altijd op zijn lessenaar.

Over zijn eigen godsdienstige opvattingen heeft Quack zich weinig uitgelaten. Bij zijn afscheid van het gymnasium sprak hij over Bernard van Clairvaux, bij het werken aan zijn dissertatie over Het Staatswezen in de XIVde eeuw werd hij geboeid door abt Joachim van Fiore († 1202). Franciscus van Assisi noemde hij zijn liefste heilige. Pascal zijn lievelingsauteur. In de eerste jaren na zijn afstuderen dreigde zijn geloof 'te breken', maar in zijn huwelijk kwam 'de inkeer, de bevrediging en het evenwicht'. Hij wilde de levensvragen 'met godsdienstig-wijsgerig bewustzijn' bezien.

Quacks tweede leermeester, Jeronimo de Bosch Kemper, verzette zich eveneens tegen het individualisme en de abstracte economische theorieën van de liberalen. Ook hij meende dat tegenover de kwalen der samenleving slechts 'een meer volmaakt gemeenschappelijk leven' zou helpen. In dezelfde tijd wees Gerrit de Clercq, secretaris van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, Quack op de Franse Saint-Simonisten als een der 'kiemen van de toekomst'.

Steeds heeft Quack zich aangetrokken gevoeld tot kunstenaars en schrijvers. Reeds in zijn gymnasiumtijd verkeerde hij met jonge kunstenaars en 'rederijkers' in de Rederijkerskamer Vondel. In zijn studententijd ging hij om met J.A. Alberdingk Thijm en E.J. Potgieter. In 1861 vroeg de laatste hem voor De Gids overzichten van de buitenlandse politiek te schrijven. In 1862 trad hij toe tot de redactie. Het contact met de Gids-kring gaf 'een ideëlen tint' aan zijn bestaan, want 'aan den gloed van letterkunde en kunststudie' had zijn hart behoefte. Tot 1894 is hij lid van de Gids-redactie gebleven.

Na zijn promotie voorzag hij enige tijd met journalistiek werk in zijn levensonderhoud. Van juli 1860 tot september 1861 was hij werkzaam aan de provinciale griffie te Haarlem, daarna als secretaris van de Kamer van Koophandel te Amsterdam. In september 1863 werd hij secretaris van de nieuw opgerichte Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen.

Terwijl hij nog bij de Kamer van Koophandel werkte, bezocht hij in 1862 mijnen en fabrieken in het Ruhrgebied. Daar zag hij de arbeidsomstandigheden in de zware industrie, daar leerde hij ook de Pruisische reglementen op het mijnwezen kennen en voelde hij, in tegenstelling tot Holland, waar geen sprake was van overheidsingrijpen of sociale politiek, 'een andere frissche geest. Vrij luide klonk daaruit een stem die zeide: laat de industrie haar vaart gaan, maar zorg dat de arbeiders onder het werk een menschwaardig leven behouden'. Hij realiseerde zich met zorg, dat hij nog zo weinig van het werkelijke leven wist. Een aanbod om hoogleraar te worden wees hij daarom af. Op dienstreizen voor de spoorwegmaatschappij zag hij in Luik de ellende van de arbeiders en voelde hij hun haat. Spoedig trok Ferdinand Lassalle zijn aandacht, die in twee jaar 'de rustig slapende arbeiders-wereld van Duitschland in volle beroering van hartstocht' wist te brengen. Na Lassalles dood wijdde hij een Gids- artikel aan hem. De spanning tussen zijn hoge idealen en de werkelijkheid van de 19e-eeuwse verhoudingen werd het centrale thema van zijn denken en van zijn geschriften.

In 1868 kreeg hij de kans terug te keren tot het studieuze leven. Otto van Rees, die aan de Utrechtse universiteit economie doceerde, was overleden en Quack werd als zijn opvolger gevraagd. Zuivere economie, in de trant van de verafschuwde klassieke economen, zou hij niet onderwijzen, maar hij zou 'een studie op den economischen gang der maatschappij' geven en colleges over de staatkundige geschiedenis. In zijn inaugurele rede op 23 oktober 1868 over Staat en Maatschappij verzette hij zich tegen de nachtwakersstaat en betoogde hij, dat conflicten tussen staat en maatschappij onvermijdelijk zijn wanneer maatschappelijke toestanden door de staat worden 'geïgnoreerd of verwrongen'. Optimistisch meende hij, dat én staat én maatschappij veranderen onder invloed van 'de wet van de vooruitgang'. In zijn colleges verzette hij zich sterk tegen de liberale economie die de arbeid als koopwaar zou beschouwen. De economie, zo leerde hij in Kempers voetspoor zijn studenten, kan slechts een deel van de gangen verklaren, zij is slechts een fragment van de algemene leer der samenleving, van de sociologie. Naast de individuele sfeer, die sedert de Franse Revolutie vrijwel alle aandacht had gekregen, stond de sociale sfeer, en deze diende versterkt te worden. De grote fout van de Franse Revolutie was geweest, dat men in 1791 de gilden had afgeschaft, zodat de arbeider in een isolement was geraakt. Dikwijls sloot hij zich in zijn beschouwingen aan bij de historische school.

Quack zag zichzelf als een beoefenaar der sociologie, maar sociologisch onderzoek in de moderne zin heeft hij niet verricht. Enerzijds beschouwde hij zijn werk in de praktijk van het economisch leven als een onmisbare en vermoedelijk ook als een voldoende kennismaking met de maatschappelijke werkelijkheid, anderzijds meende hij dat 'onze moderne maatschappelijke evolutie' het resultaat was 'van de werking der sociale "ideeën", die... overal tot nieuw leven wekken' en dat de sociale kwestie louter een ethische kwestie was. Denkers, dichters en kunstenaars waren in zijn ogen de waarachtige leiders van de volken. In vele opstellen heeft hij dan ook aandacht gevraagd voor personen die in hun geschriften of hun handelen deze sociale ideeën vertolkt hebben en in zijn Utrechtse tijd begon hij aan zijn grote werk De Socialisten. Personen en Stelsels. Het zou al zijn idealen moeten bevatten. Met toewijding heeft hij hierin de gedachten verzameld van hen 'wier ziel gefolterd was door de wreede tegenstelling tusschen hetgeen, in maatschappelijke toestanden, was en wezen moest' (De Socialisten VI, 435).

Om de veranderingen in de maatschappij beter te kunnen waarnemen en om zich de financiële middelen te verschaffen nodig om zijn grote boek te kunnen schrijven, liet hij het Utrechtse professoraat varen en keerde hij in december 1877 terug in het praktische leven, ditmaal als secretaris van de directie van De Nederlandsche Bank. In 1885 werd hij directeur van deze instelling en dit bleef hij tot 1912. Daarnaast was hij reeds in zijn Utrechtse tijd en, na enige jaren onderbreking, opnieuw in Amsterdam commissaris van de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen, vanaf 1885 president-commissaris, alsmede commissaris en president-commissaris van de Nederlandsche Handel-Maatschappij en de Koninklijke Nederlandsche Stoomboot Maatschappij. Bovendien was hij nog van 1885 tot 1894 buitengewoon hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam. Daar besprak hij drie onderwerpen: de auteurs van het socialisme, de transformatie van staat en maatschappij tijdens en na de Franse Revolutie en ten derde de arbeidswetgeving in Engeland, Duitsland en Frankrijk.

Met hoeveel liefde hij in zijn opstellen en in zijn boek personen en gedachten ook tekende, door zijn kritisch verstand werden bijna alle denkbeelden te licht bevonden. Hij sprak van de dwalende en kronkelende loop van het socialisme, van dromen en fantasieën, van utopieën, en kon toch eigenlijk slechts de goede bedoelingen van vele pioniers bewonderen. Voor Marx had hij weinig goede woorden over: zijn systeem was 'bijna rabbinistisch' (Herinneringen, 356), zat vol tegenstrijdigheden, zou leiden tot een dwangstaat. De klassenstrijd was hem een gruwel. Het socialisme had 'in 't algemeen twee aangezichten: één met harde trekken en oogen vol haat, die afstooten, en één met blikken waarin het licht van een schoonen droom tintelt' (De Socialisten III, 2). Rodbertus prees hij, maar deze had dan ook geschreven, dat het nog drie- of zelfs vijfhonderd jaar zou kunnen duren voordat de nieuwe maatschappij zou zijn gekomen.

In het slothoofdstuk van het laatste deel van De Socialisten moest hij in 1897 droevig constateren, dat in de laatste vijfentwintig jaar de strijd zich had toegespitst. Het optimisme van zijn inaugurele rede was verdwenen. Al in 1875 was hij voorzichtiger geweest. In zijn rectoraatsrede van 18 maart 1875 Bouw en samenstel der maatschappij vroeg hij zich af: 'zou het niet beter zijn dat woord van vooruitgang bescheidener te gebruiken en vooral niet van een gelijktijdigen en algemeenen vooruitgang te spreken?' Aan het eind van zijn leven, in het inleidend woord van het tweede deel zijner Herinneringen schreef hij wat krampachtig: 'De blijde wereld zal komen, maar is er niet: zij is in wording.' Wat hij aan constructieve voorstellen wist te doen, lag geheel in de lijn van de progressieve liberalen: arbeidsbeurzen, een leerlingstelsel, sociale verzekeringen, verbetering van woningtoestanden en dergelijke meer.

Terwijl hij schreef over sociale ideeën werkte hij als directeur van De Nederlandsche Bank en in zijn talrijke andere functies aan de versterking van 'de produktie-factoren' van het land. Voor wie Quacks gedachtenwereld begrepen heeft, is dit niet inconsequent. J. Saks heeft gesuggereerd, dat er bij Quack een spanning was tussen theorie en praktijk. Wellicht is het juister te zeggen dat er een spanning was tussen zijn emotionele reacties en zijn verstandelijke inzichten. Deze spanning vinden we zowel in zijn geschriften als in zijn praktisch werk. Zeer schrijnend bleek dit laatste bij de tweede spoorwegstaking in april 1903. Quack was toen president-commissaris van de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen. Bijna 11% van het personeel werd na de staking ontslagen. 'Het was streng en hard wat gedaan werd, maar in het belang der tegenwoordige samenleving bleek het noodzakelijk... Het conflict tusschen vage sociale ideeën en scherp-belijnde economische begrippen kon niet op stel en sprong tot vereffening worden geleid... Het is de wreedste bladzijde uit mijn levensboek geweest', oordeelde hij later (Herinneringen, 326-327).

Quack is tot in hoge ouderdom werkzaam gebleven. Toen hij 77 was, trad hij af als directeur van De Nederlandsche Bank, pas drie jaar later legde hij zijn commissariaten neer. In 1907 en 1910 schreef hij zijn Herinneringen, die hij in de volgende jaren aanvulde. Nog steeds vormen zij de beste bron voor de kennis van Quack.

Quack is een eenling gebleven. Aanvankelijk voelde hij zich één met de brede liberale stroming en het was een schok voor hem, toen anderen meenden dat hij daar niet bij hoorde. J.T. Buys was levenslang zijn vriend en J.P.R. Tak van Poortvliet beschouwde hij als de politicus met wie hij zich het meest verwant voelde. P.W.A. Cort van der Linden achtte hij iemand die in denkwijze niet ver van hem afstond. Toch verzette hij zich zo fel tegen het individualisme van de liberalen, dat we hem geen liberaal kunnen noemen. Grote bewondering had hij voor de encycliek Rerum Novarum (1891), maar zijn hele denkwereld was stellig niet katholiek. Hij had sympathie voor socialisten, maar vond dat 'wantrouwen, argwaan en haat te kweeken als middel van verbetering - zoo als de sociaal-democratie thans doet - wel het slechtste middel vormt wat denkbaar is om dit doel te bereiken'. De nadruk die hij legde op een organische maatschappijbeschouwing en op de gemeenschapsidee sloot aan bij sommige conservatieve theorieën, maar Quack voelde zich ver verwijderd van wie zich in Nederland conservatief noemden en beschouwde zichzelf als een democraat. 'Een soort van aristocraat met democratische opvattingen, die tegelijk altijd op het tegenwoordige en op de toekomst het oog richtte', zo tekende hij zijn vriend J.A. Sillem, zo zag hij vermoedelijk ook zichzelf.

A: Een collectie-Quack bevindt zich op de Universiteitsbibliotheek Amsterdam.

P: Het staatswezen in de XIVde eeuw historisch ontwikkeld (Amsterdam, 1859). Proefschrift Utrecht; Martinus des Amorie van der Hoeven (Amsterdam, 1869); De Socialisten. Personen en Stelsels (Amsterdam, 1875-1897. 4 dl.). Fotomech. herdr. van de uitgave 1921-1923 met inl. door A. Lehning (Baarn, [1977]. 6 dl.); Herinneringen uit de levensjaren van mr. H.P.G. Quack 1834-1914. Reprint van de 2e dr. (Nijmegen, 1977). Een selectie uit zijn zeer talrijke redevoeringen en artikelen heeft Quack uitgegeven in vier bundels: Studiën op sociaal gebied (Haarlem, 1877); Studiën en Schetsen (Amsterdam, 1886); Beelden en groepen (Amsterdam, 1892) en Uit den kring der gemeenschap. Omtrekken en figuren (Amsterdam, 1899).

L: J. Saks (ps. van P. Wiedijk), 'Mr. H.P.G. Quack', in Socialistische opstellen (Rotterdam, 1918) I, 75-165; J. Barents, H.P.G. Quack. Zijn leven en zijn werk (Assen, 1959) met litteratuuropgave; B. van Heerikhuizen, 'Sociologie in het werk van Quack', in Amsterdams Sociologisch Tijdschrift 3 (1976) 33-50, 303-327; J. Regier, 'Woord vooraf in H.P.G. Quack, Herinneringen. Reprint van de 2e dr. (Nijmegen, 1977 VII-XXV; R. de Ruig, 'Mr. H.P.G. Quack: de ongebroken kracht van de illusie', in Bijdragen en mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden 98 (1983) 191-211.

I: Website Universiteit Utrecht: http://www.uu.nl/uupublish/collecties/geschiedenis/4266main.html [28-6-2007].

J.J. Woltjer


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013