Raaijmakers, Charles Adrianus Marie (1871-1954)

 
English | Nederlands

RAAIJMAKERS, Charles Adrianus Marie (1871-1954)

Raaijmakers, Charles Adrianus Marie, economist (Roosendaal en Nispen 22-12-1871 - Nijmegen 27-12-1954). Zoon van Petrus Johannes Raaijmakers, telegrafist, en Alida Maria van der Weijden. afbeelding van Raaijmakers, Charles Adrianus Marie

Raaijmakers promoveerde, na gymnasium en rechtenstudie, aan de Universiteit van Amsterdam tot doctor in de staats- en rechtswetenschap op het proefschrift Verzekering tegen werkloosheid (1895). Daarna trad hij in de orde der jezuïeten. In 1902 werd hij priester gewijd en in hetzelfde jaar benoemd tot leraar aan de jezuïetenschool, het Canisiuscollege, te Nijmegen. In 1921 volgde daarop de benoeming tot rector aan een andere jezuïetenschool, het Ignatiuscollege, te Amsterdam. Zijn voornaamste wetenschappelijk publicistische activiteit speelde zich af in de tijd dat hij bij het middelbaar onderwijs betrokken was en betrof zijn belangstelling voor sociale kwesties. Daarvan getuigden, behalve het proefschrift waarin hij een stelsel van werkloosheidsverzekering had bepleit, studies over armenzorg, arbeidsduur en medezeggenschap en artikelen over verwante onderwerpen in het Katholiek Sociaal Weekblad. In dit verband paste ook dat hij een der richtinggevers was van de ontwikkeling van het Katholiek Werkliedenverbond.

Het rectoraat in Amsterdam duurde slechts kort, want in 1923 werd Raaijmakers benoemd tot hoogleraar in de staathuishoudkunde en economische sociologie in de faculteit der Rechten aan de in dat jaar opgerichte Katholieke Universiteit te Nijmegen. Tijdens dit hoogleraarschap legde hij zich in het bijzonder toe op het vraagstuk van de relatie tussen economie en ethiek,zoals reeds bleek uit zijn diesrede Economie en ethiek (Nijmegen [etc.], 1926). Deze was gericht tegen de dominante antinormatieve tendensen in de economische wetenschap van zijn dagen en kwam hem op kritiek te staan van de Rotterdamse economist prof. F. de Vries, met wie hij lange tijd deel uitmaakte van de redactie van De Economist (1933-1944), en van de Groninger economist prof. H.W.C. Bordewijk. In dezelfde geest keerde hij zich in 1935 tegen devaluatie van de gulden, al voerde hij hiertoe ook argumenten van economische doelmatigheid aan. Hij achtte die devaluatie ethisch ongeoorloofd, omdat de lasten ervan ongelijk over de economische groepen werden verdeeld; gedane beloften en eenmaal gevestigd vertrouwen in de economische en juridische orde der dingen werden erdoor aangetast. De economie moest volgens Raaijmakers gekenmerkt worden door een geesteswetenschappelijke inslag, want zij heeft de mens als middelpunt. De gangbare economische wetenschap poogt ten onrechte, met verwaarlozing van de kwalitatieve interpretatie, de economische werkelijkheid te vangen in kwantitatieve relaties. De economie mag niet worden losgemaakt van psychologie, sociologie, wijsbegeerte en ethiek, want zij maakt de mens materialistisch en mechaniseert het leven. De eigenlijke economie begint pas bij de teleologie. Voor Raaijmakers als katholiek priester en hoogleraar vond deze teleologie haar bekroning in godsdienst en geloofsmoraal.

Als persoon was Raaijmakers een ingetogen aristocratische figuur. Hij was een helder docent. Leven en werk werden geïnspireerd door zijn priesterschap. Dat bracht ook een veelzijdiger belangstelling voor andere zaken dan economische met zich, o.a. voor geestelijke literatuur en kunst. Het katholicisme als inspiratiebron voor Raaijmakers' denken over sociale en economische kwesties blijkt, behalve uit de interesse voor de relatie tussen economie en ethiek, ook uit de gedachten over sociale vraagstukken in de publikaties vóór 1923. Deze gedachten waren geheel in overeenstemming met pauselijke sociale encyclieken - Rerum Novarum en Quadragesimo Anno - en het gangbare katholieke denken van die tijd in Nederland. Uit dien hoofde pleitte Raaijmakers voor solidariteit tussen de klassen, voor medezeggenschap der arbeiders in het kader van het bedrijfsradenstelsel en voor een op het solidariteitsbeginsel berustende corporatieve ordening van het bedrijfsleven.

Publikaties over de eigenlijke economische theorie heeft Raaijmakers niet voortgebracht. Een veelvuldig publicist was hij trouwens zeker niet.

P: Naast de in de tekst vermelde werken: Leo XIII. Korte levensschets voor het katholieke Nederlandsche volk... (Amsterdam, 1893); Staat en armenzorg (Leiden, 1907); Arbeidsduur voor volwassen mannen (Leiden, 1908); Vrouwen-kiesrecht (Amsterdam, [ca. 1909]); samen met J.G. van Schaik et al. De medezeggenschap der arbeiders. Redevoeringen... op 28 en 29 mei 1921 (Utrecht, 1927); 'Het bevolkingsvraagstuk en de moraal'. Preadvies uitgebracht voor de Vereeniging tot het bevorderen van de beoefening der wetenschap onder de katholieken in Nederland, Annalen 1927, 1-7; met E.G.J. Gimbrère preadviezen over 'Maakt de huidige ontwikkeling van het economisch leven in Nederland het gewenscht tot devaluatie over te gaan?' in Annalen [van de] Vereeniging tot het bevorderen van de beoefening der wetenschap onder de Katholieken in Nederland 1935, IIa, 1-80; Raaijmakers preadvies over devaluatie verscheen ook apart als Devaluatie? (Nijmegen [etc., ca. 1935]); Ordening (Nijmegen [etc.], 1937); tevens schreef Raaijmakers in de jaren '20 een vele malen herdrukt boek voor het middelbaar onderwijs Beginselen der staathuishoudkunde 15e druk ('s-Hertogenbosch, 1954).

L: F. de Vries, 'Honderd jaar theoretische economie', in De Economist 100 (1952) 870-872; G.W. Groeneveld, in Jaarboek der R.K. Universiteit te Nijmegen 1954-1955 (Nijmegen, 1956) 58-61; P.H. Winkelman, 'Sociale ethiek onder macro-economisch regiem 1935-1960', in Bedrijf en samenleving. Economisch-historische studies... (Alphen a/d Rijn [etc.], 1967) 275-281.

I: Katholiek Documentatie Centrum te Nijmegen, Collectie personen: afb. 2A7810 [Portret: J. Toorop, 1910].

A.C.A.M. Bots


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013