Regout, Edmond Robert Hubert (1863-1913)

 
English | Nederlands

REGOUT, Edmond Robert Hubert (1863-1913)

Regout, Edmond Robert Hubert (Robert), kamerlid en minister (Maastricht 4-6-1863 -'s-Gravenhage 18-1-1913). Zoon van Hubert Gerard Louis Regout, industrieel en kamerlid, en Theresia Hubertina Berger. Gehuwd op 10-1-1889 met Catharina Monica Maria van Sonsbeeck. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Regout, Edmond Robert Hubert

Regout studeerde na zijn gymnasiale opleiding in Maastricht rechten aan de Universiteit van Amsterdam. Daar promoveerde hij in 1886 op het proefschrift: Het stelsel van beheer van den faillieten boedel. Vergelijkende rechtsstudie (Amsterdam, 1886). In 1888 volgde zijn benoeming tot ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij de kantongerechten in Roermond, vijfjaar later die tot substituut-officier van justitie bij de rechtbank te Amsterdam. Hij genoot de reputatie van strenge rechtvaardigheid, maar hij was mild als het ging om jeugdige 'boefjes'. In 1903 werd Regout officier van justitie in Roermond. Na zijn verkiezing in 1905 tot lid van de Tweede Kamer legde hij zijn functie neer en verhuisde hij naar 's-Gravenhage. Als kamerlid viel hij niet bijzonder op, maar vanwege zijn deskundigheid werd hij vaak gevraagd in allerlei commissies zitting te nemen. Zo was hij lid, later voorzitter van het rijkswoningcollege, lid van het algemeen college van toezicht, bijstand en advies voor 's rijks tucht-en opvoedingswezen, lid van de staatscommissie van bedelarij en landloperij, lid van de staatscommissie voor de herziening van strafvordering. In 1910 werd hij commissaris-generaal van de Nederlandse afdeling op de wereldtentoonstelling in Brussel.

Regouts werk daar werd afgebroken door zijn benoeming op 7-6-1910 tot minister van Justitie in het kabinet-Heemskerk, nadat minister A.P.L. Nelissen om gezondheidsredenen zijn portefeuille ter beschikking had moeten stellen. Het unieke feit deed zich toen voor dat twee broers tegelijkertijd het ministersambt bekleedden: Robert op Justitie, Louis op Waterstaat. Een van de belangrijkste daden van Regout als minister was het tot stand brengen van de wet van 20 mei 1911 tot bestrijding van de zedeloosheid en beteugeling van de speelzucht, (de zg. Zedelijkheidswet), waarvan het ontwerp reeds door zijn voorgangers was ingediend, maar in Regout een warme, wijze en voorzichtige verdediger vond. De wet zou zeer lange tijd geldig blijven, vaak beschouwd worden als sterk verstrakkende zedelijkheidswetgeving en ten slotte sedert de jaren '60 onder heftige kritiek geraken. In tegenstelling tot Nelissen wilde Regout het gebruik van de totalisator niet verbieden, doch de kamer nam een amendement aan, waardoor het oorspronkelijke voorstel van Nelissen werd aanvaard. Onder Regouts bewind werd verder het KB van 24-12-1910 Stbl. 374 houdende vaststelling van een reclasseringsregeling van kracht waardoor de basis gelegd werd voor de overheidsbemoeiing met de reclassering. Verder danken we aan hem de Auteurswet (1912).

Minister Regout, die in het harnas stierf, stond bekend om zijn weldoordachte logische betoogtrant. Zijn redevoeringen hield hij zo beknopt mogelijk, maar de bewijsvoerging was er niet minder duidelijk om, en vaak ontbrak een innerlijke bewogenheid niet. Regout werd weleens, vanwege zijn soms stroef-ernstig en gereserveerd optreden, de Hollandse Limburger genoemd. Hij was een zeer strijdbaar katholiek en heeft in het maatschappelijk leven een belangrijke rol gespeeld. Zo was hij in Roermond de oprichter en eerste voorzitter van de Roomsch-Katholieke Volksbond, lid van het hoofdbestuur van de Katholieke Sociale Actie (KSA) en later voorzitter van het Diocesane Comité van de KSA in het bisdom Haarlem, medeoprichter en later voorzitter van de juridische afdeling van de Vereeniging tot het bevorderen van de beoefening der wetenschap onder de Katholieken in Nederland (Thijmgenootschap), medeoprichter van de Haarlemse 'Hanze' en van de Roomsch-Katholieke Diocesane Middenstandsbond (Haarlem).

L: 'Minister E.R.H. Regout †', in De Tijd, 18-1-1913 en 'Mr. Robert Regout' (Haagsche Brieven), ibidem, 20-1-1913; W.A.Ch. van Wichen, in Annuarium der Roomsch-Katholieke Studenten in Nederland 1913, 233-237 A.J. Rethaan Macaré, in Tijdschrift voor armenzorg en kinderbescherming 14 (1913) 33-34; Weekblad van het Recht 75 (1913) 9413 (22 januari) 1; W.J. van Weideren Rengers, Schets eener parlementaire geschiedenis van Nederland. 4e bijgew. uitg. III 1901-1914 door W.H. Vermeulen ('s-Gravenhage, 1950); J.P. Gribling, P.J.M. Aalberse, 1871-1948 (Utrecht, 1961). Proefschrift Nijmegen.

I: L.G. Karper, De 21 Ministers van Justitie naar wie de vergaderzalen zijn vernoemd (Den Haag 1983) 43.

J.P. Gribling


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013