Rethaan Macaré, jhr. Adrien Jonathan (1842-1932)

 
English | Nederlands

RETHAAN MACARÉ, jhr. Adrien Jonathan (1842-1932)

Rethaan Macaré, jhr. Adrien Jonathan, advocaat-generaal bij de Hoge Raad (Middelburg 21-11-1842 - 's-Gravenhage 29-8-1932). Zoon van jhr. Cornelis Anthony Rethaan Macaré, ontvanger der registratie, en Florentine Jacobine Martine Ontijd. Gehuwd op 20-10-1870 met Vincentia Louisa van Bynkershoek van der Koog. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 5 dochters geboren. afbeelding van Rethaan Macaré, jhr. Adrien Jonathan

Rethaan Macaré was afkomstig uit een geslacht van Franse origine dat vele magistraten telde. Hij volgde na de lagere school de lessen aan het Instituut van Van Kinsbergen te Elburg, dat voorbereidde voor academische studies, en studeerde vanaf 1859 rechten aan de universiteit te Utrecht. Zijn promotie aldaar vond magna cum laude op 30 juni 1866 plaats op de dissertatie De leer der assignation (Utrecht, 1866) met J.A. Fruin als promotor. Hier was hij ook enige jaren werkzaam bij de balie en op het parket van het Hoog Militair Gerechtshof. Nadat hij van 1870 tot 1882 substituut-officier van justitie, achtereenvolgens in Sneek en Haarlem, was geweest, volgde op 16 januari 1882 zijn benoeming tot officier van Justitie in laatstgenoemde stad - een functie die hij tot 1900 bekleedde.

Naast zijn ambtelijke werkzaamheden vond Rethaan Macaré tijd voor activiteiten op maatschappelijk en politiek terrein. Zijn vele sociale bezigheden, waaronder die van oprichter, president-commissaris en voorzitter van de Raad van toezicht van de Haarlemsche Hypotheekbank genoemd kunnen worden, beperkten zich niet alleen tot zijn geliefde woonplaats Haarlem. Zo was hij o.a. lid en voorzitter van het hoofdbestuur van het Nederlandsch genootschap tot zedelijke verbetering der gevangenen. Voor de algemene vergadering van dit genootschap hield hij op 18 mei 1893 een baanbrekende redevoering over de wijze van berechting en bestraffing van kinderen. In 1895 volgde zijn preadvies voor de Nederlandsche Juristen-Vereeniging, waarin deze materie nog eens uitvoerig aan de orde kwam. Ook was hij van 1895 tot 1901 lid van het hoofdbestuur van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen. In 1898 werd door hem samen met andere hoofdbestuursleden - onder wie J.A. Levie - een rapport uitgebracht omtrent het vraagstuk van de verzorging van verwaarloosde kinderen. Dit leidde, mede door zijn ijveren, tot het ontstaan in 1899 van de Nederlandsche Bond tot Kinderbescherming. Rethaan Macaré werd van deze Bond de eerste voorzitter en zou dit voorzitterschap tot 1923 blijven bekleden.

Ook zou Macaré als lid van de Tweede Kamer voor de Liberale Unie (1896-1900) het genoegen smaken een wezenlijke bijdrage te leveren aan de totstandkoming van de kinderwetten in 1901, onder verantwoordelijkheid van de minister van Justitie,

P.W.A. Cort van der Linden. Bovendien heeft hij zich beziggehouden met o.a. wijzigingen in de Ongevallenwet en behoorde hij tot de vijf initiatiefnemers van het voorstel van wet tot aanvulling 18de titel W.v.Sv., waardoor mede herziening van de zg. Hogerhuis-zaak mogelijk werd. Als voorzitter van het Algemeen college van toezicht, bijstand en advies van het rijks-, tucht- en opvoedingswezen (1905-1917) kon hij hen menigmaal van advies dienen. Ook op andere terreinen deed de regering een aantal malen (1902,1909,1910 en 1912) een beroep op zijn ervaring; zo zond zij hem als afgevaardigde naar internationale congresssen en ook naar de conferentie te Parijs in 1910 die leidde tot het Verdrag van Parijs van 4 mei 1910 tot bestrijding van handel in vrouwen. Ingevolge dat verdrag werd in 1911 art. 250 ter in het W.v. Sr. opgenomen.

Ondertussen was Rethaan Macaré op 1 april 1900 advocaat-generaal geworden bij de Hoge Raad in Den Haag. Dat betekende niet alleen het einde van zijn 25-jarig verblijf in Haarlem, waar hij o.a. van 1881 tot 1900 raadslid was geweest en zeer vele maatschappelijke activiteiten ontplooid had, maar ook van zijn lidmaatschap van de Tweede Kamer, waarin hij als een onafhankelijk politicus opgetreden was die niet bang was voor 'de zweep van Troelstra' (Netscher, 665). Zijn functie van advocaat-generaal, die hij tot 1910 uitoefende, verhinderde hem niet aan zijn Nederlandsche Bond tot Kinderbescherming tot 1923 vaste leiding te geven en evenmin zijn redacteurschap van het Tijdschrift voor armenzorg en kinderbescherming, later Tijdschrift voor armwezen... geheten, tot eind 1924 te vervullen.

P: Behalve in de tekst genoemde publikaties: vele artikelen in onderstaande tijdschriften.

L: Frans Netscher, 'Jhr. mr. A.J. Rethaan Macaré, in De Hollandsche Revue 15 (1910) 666-670; J.R. Snoeck Henkemans, in Tijdschrift voor armenzorg en kinderbescherming 13 (1912) 375-376; A. de Graaf, ibidem, 376; idem, Tijdschrift voor armwezen. Maatschappelijke hulp en kinderbescherming 1 (1922) 321-323; J.M. van Bemmelen, Van zedelijke verbetering tot reclasseering. Geschiedenis van het Nederlandsch Genootschap tot zedelijke verbetering der gevangenen 1823-1923 ('s-Gravenhage, 1923) 183-191; 217-218; H. de Bie, Tijdschrift voor armwezen. Maatschappelijke hulp en kinderbescherming 11 (1932) 3309-3310; A.S. Miedema, in Haerlem. Jaarboek 1932, 28-31.

I: Haerlem. Jaarboek 1932, afbeelding tegenover pagina 28.

J. Charité


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013