Rink, Pieter (1851-1941)

 
English | Nederlands

RINK, Pieter (1851-1941)

Rink, Pieter, politicus (Tiel 13-8-1851 - 's-Gravenhage 6-8-1941). Zoon van Stephanus Rink, advocaat, en Gabriella Jacomina van der Willigen. Gehuwd op 29-7-1880 met Emelie Petronella van Lidth de Jeude. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 4 dochters geboren. afbeelding van Rink, Pieter

Rink studeerde rechten te Utrecht en promoveerde cum laude in 1874 op een dissertatie: Bijdrage tot de leer der noodweer volgens den Code Pénal (Tiel, 1874). Van 1874 tot 1905 was hij advocaat te Tiel. Tevens was hij lid van de gemeenteraad (1883-1905) en wethouder (1886-1895); bovendien secretaris van het polderbestuur Neder-Betuwe (1876-1905) en lid van de Provinciale Staten van Gelderland (1883-1905). In 1891 werd hij in Arnhem gekozen tot lid van de Tweede Kamer; tot en met 1905 werd hij steeds herkozen. Ook was hij van 1891 tot 1897 bestuurslid van de Liberale Unie.

Rink, al in de jaren zeventig lid van het Comité ter bespreking der sociale quaestie, behoorde steeds tot de vooruitstrevenden onder de liberalen. Hij behoorde in 1879 tot de aandeelhouders van het toen heropgerichte vrijdenkerstijdschrift De Dageraad, maar trok zich wegens interne ruzies kort daarop terug. Hij steunde het kieswetsontwerp-Tak krachtig, maar bestreed dat van S. van Houten als te behoudend. Hij voegde zich in 1893 direct bij de afzonderlijke vooruitstrevende club, al betreurde hij de splitsingen in het liberale kamp. Rink sloot zich in 1901 niet aan bij de uitgetreden vrijzinnig-democraten, maar wijdde zich met H. Goeman Borgesius en C. Lely aan het herstel van de verzwakte Liberale Unie, waarvan hij van 1901 tot 1905 en van 1912 tot 1915 gewoon bestuurslid en van 1915 tot 1921 ondervoorzitter was.

Samen met H.Ph. de Kanter en R.J.H. Patijn publiceerde hij in opdracht van de Unie een rapport: Het kiesrechtvraagstuk (Zutphen, 1903). Daarin werd bepleit dat de grondwet in de toekomst de regeling van het kiesrecht geheel aan de gewone wetgever zou overlaten (het 'blanco-artikel'); zo zou ook vrouwenkiesrecht mogelijk worden en zou het districtenstelsel door evenredige vertegenwoordiging kunnen worden vervangen. De rapporteurs wilden nog wel via de kieswet bedeelden en wanbetalers van belastingen blijven uitsluiten.

Rink was een groot voorstander van het 'stembusaccoord' met de Vrijzinnig-Democratische Bond (VDB) in 1905, waarvan het 'blanco-artikel' deel uitmaakte. Na Kuypers nederlaag werd hij minister van Binnenlandse Zaken in het minderheids-kabinet-De Meester (1905-1908). Hij diende voorstellen voor grondwetsherziening in (inclusief het 'blanco-artikel'), maar door de ontijdige val van het zwakke kabinet werden zij niet behandeld.

In 1909 werd hij door Hoogezand in de Tweede Kamer herkozen. Hij pleitte daar voor ouderdomspensioen, gefinancierd uit de algemene middelen, en voor de mogelijkheid van voorwaardelijke veroordeling. Van 1908 tot 1937 oefende hij tevens in Den Haag de advocatuur uit. In 1914 werd hij lid van de staatscommissie voor evenredige vertegenwoordiging. Bij de verkiezingen van 1918, volgens het nieuwe systeem, was Rink lijstaanvoerder van de Liberale Unie in het noorden; hij werd voorzitter van de tot zes man geslonken fractie. Op 13 november 1918, te midden van de door Troelstra's optreden veroorzaakte beroering, diende hij een motie in, waarbij onmiddellijke invoering van grote democratische hervormingen op wetgevend en sociaal gebied noodzakelijk werd genoemd; de motie-Rink werd met 43-38 stemmen door de Tweede Kamer aangenomen.

In 1921 hield hij de openingsrede in de constituerende vergadering van de Vrijheidsbond, tot zijn grote vreugde ontstaan door een fusie met de Vrij-Liberalen en kleinere partijen zoals de Economische Bond. Van 1921 tot 1922 was hij voorzitter van de nieuwe fractie in de Tweede Kamer, welke taak hij wegens zijn gevorderde leeftijd neerlegde. Van 1923 tot 1932 was hij fractievoorzitter in de Eerste Kamer, waar hij het verdrag met België hielp verwerpen. Hij was bestuurslid van de Vrijheidsbond van 1921 tot 1924, ondervoorzitter van 1925 tot 1932 en daarna erevoorzitter. Verder was hij in 1920 lid van de staatscommissie voor grondwetsherziening, van 1920 tot 1925 voorzitter van de bezuinigingscommissie en van 1922 tot 1938 lid van het Centraal Stembureau.

Rink was een bekwaam jurist, correct en zakelijk in optreden; in de politiek was hij gematigd vooruitstrevend en realistisch, geen strijdersnatuur.

A: Familiearchief in het Rijksarchief in Gelderland, waarin slechts formele stukken omtrent P. Rink.

P: Behalve de reeds genoemde: 'Mr.dr. Hendrik Goeman Borgesius', in Groningsche Volksalmanak van het jaar 1918, 165-170; 'De Burenweg', in Rechtsgeleerd Magazijn 44 (1925) 41-59; 'Levensbericht van Mr. Hendrik Coenraad Dresselhuijs', in Levensberichten... Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden 1927-1928, 173-199; 'De afstamming van Napoleon III en de vice-admiraal graaf Carel Hendrik Ver Huell', in Historici 2 (1936) 277-282.

L: Joh.J.B. [= Belinfante], 'Uit het staatkundig leven van mr. P. Rink', in De Vrijheid, 22-3-1922, 29-3-1922 en 5-4-1922; F. Portheine, onuitgegeven scriptie over zijn grootvader P. Rink (in het bezit van de auteur te Leiden); G. Taal, Liberalen en radicalen in Nederland, 1872-1901 ('s-Gravenhage, 1980).

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 1230.

G. Taal †


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013