Röell, jhr. David Cornelis (1894-1961)

RÖELL, jhr. David Cornelis (1894-1961)

Röell, jhr. David Cornelis, museumdirecteur (Utrecht 23-11-1894 - Amsterdam 3-12-1961). Zoon van jhr. Johan Hendrik Röell, gouverneur Koninklijke Militaire Academie, en jkvr. Henriette Quirine Hoeufft.

Röell groeide op in een gezin waar het beroep van de vader meebracht dat hij veelvuldig van woonplaats verwisselde. Zo kwam het dat hij lager onderwijs genoot in Utrecht en Den Helder en voorbereidend hoger onderwijs in Leiden en 's-Gravenhage. Na het behalen van zijn eindexamen gymnasium in 1913 studeerde hij aanvankelijk rechten en vervolgens kunstgeschiedenis te Utrecht. Tijdens zijn studententijd was hij actief als redacteur van het Utrechts studentenblad Vox studiosorum. Na 1919 voltooide hij te Parijs aan de Sorbonne en de École du Louvre zijn studie. Hier treft hij voorbereidingen voor een dissertatie over de 17e-eeuwse architect Daniel Marot. Deze studie is echter nooit voltooid. Door zijn bemoeienis met de organisatie van de 'Exposition Hollandaise' in de Salle du Jeu de Paume in 1921 trekt hij de aandacht van F. Schmidt Degener, die het volgend jaar zou worden benoemd tot hoofddirecteur van het Rijksmuseum te Amsterdam. Door diens toedoen wordt Röell op 27 mei 1922 aangesteld bij het Rijksmuseum. Hieraan is hij verbonden geweest tot februari 1936, opklimmend in rang van assistent van de schilderij en afdeling tot conservator. In deze loopbaan gaf Röell in toenemende mate blijk van organisatorische talenten en een duidelijk gevoel voor kunstzinnig niveau en kwaliteit.

Van 1936 tot 1945 was hij als directeur verbonden aan de gemeentelijke museumdienst te Amsterdam, belast met de leiding van het Stedelijk Museum. Röell bleek daarbij ook voor moderne kunst inzicht aan mensenkennis te paren: onder zijn leiding werd, ondanks crisistijd, de collectie op voortreffelijke wijze verrijkt en slaagde hij erin goede medewerkers te vinden. Tijdens de oorlogsjaren was hij belast met het toezicht op het gemeentelijk kunstbezit, dat in bewaarplaatsen in de duinen was ondergebracht.

Direct na de bevrijding volgde bij KB van 27 juni 1945 nr. 13 zijn benoeming, met feitelijke ingang van 1 augustus 1945, tot hoofddirecteur van het Rijksmuseum, als opvolger van de in 1941 overleden Schmidt Degener. Van 1946 tot 1950 was hij tevens directeur van de afdeling Schilderijen.

Röell ontpopte zich in zijn nieuwe hoedanigheid als een energiek, bekwaam en invloedrijk bestuurder, die door zijn organisatorisch inzicht en overredingskracht leiding wist te geven aan de wederopbouw van het in de oorlogsjaren onttakelde museum. Tijdens zijn ambtsperiode werd het gehele museum gerenoveerd en een krachtig begin gemaakt met een reeks ingrijpende verbouwingen, waarvan hij de voltooiing niet meer beleefde. De verbouwing van de westelijke binnenplaats kwam in 1962 gereed (Röells opvolger realiseerde de bouwplannen van de oostelijke binnenplaats). Daarmee immers werd ruimte geschapen voor de afdeling Beeldhouwkunst en Kunstnijverheid, waarvan de verzamelingen onder Röell aanzienlijk werden uitgebreid. Bij dit alles gaf Röell telkens weer blijk van groot gevoel voor stijl en esthetisch inzicht. Ook de aanpassing van de technische voorzieningen van belichting en klimaatbeheersing had zijn volle aandacht. Voorts slaagde hij erin de museumorganisatie goed op te zetten met een uitgebreide administratieve ondersteuning. In 1955 werd ter verbetering van de bestaande rondleidingsdienst een afdeling 'bevordering museumbezoek', later de Educatieve Dienst, in het leven geroepen.

Röell heeft echter vooral naam gemaakt - en zijn museum bekendheid gegeven - door de talrijke, groots opgezette tentoonstellingen die hij organiseerde en waarvoor meestal overweldigende belangstelling bestond. Röell zag hierin een middel bij uitstek om bepaalde lacunes in de collecties van het Rijksmuseum te compenseren. Daarbij had hij geen bezwaar tegen het tentoonstellen van onderwerpen die met zijn museum niet direct van doen hadden, zoals bijvoorbeeld de expositie 500 jaren kunst uit Egypte van 1960/1961. Een overzicht van deze tentoonstellingen, waaronder Van Jan van Eyck tot Rubens (1946), Kunstschatten uit Wenen (1947), Uit de schatkamers der Middeleeuwen (1948), Bourgondische pracht (1951), De triomf van het maniërisme (1955) en Rembrandt (1956), is opgenomen in de hieronder vermelde publikatie van F. van Lennep.

In deze levensbeschrijving van Van Lennep is tevens een overzicht afgedrukt van de talrijke commissies, stichtingsbesturen en dergelijke waarin Röell zitting had. Aan eerbewijzen heeft het deze innemende persoonlijkheid niet ontbroken. Behalve een in 1958 door de Universiteit van Amsterdam verleend eredoctoraat in de letteren en wijsbegeerte, vielen hem talrijke binnen- en buitenlandse onderscheidingen ten deel. Op 30 november 1959 droeg Röell het hoofddirectoraat over aan A.F.E. van Schendel. Tot het eind van zijn leven zou hij evenwel nog als adviseur werkzaam zijn.

P: Behalve een enkel voorwoord in de onder zijn leiding verschenen catalogi: 'De verzameling Oldenburg in het Rijksmuseum', in Maandblad voor Beeldende Kunsten I (1924) 66-69 en 135-138; 'Geschiedkundig overzicht der verzamelingen...', in Catalogus der schilderijen, miniaturen, pastels, omlijste teekeningen, enz. in het Rijksmuseum te Amsterdam (Amsterdam, 1934) XIX-XXXIV; 'New arrangements at the Rijksmuseum, Amsterdam', in Museum. A quarterly review 8 (1955) 24-28.

L: A.B. de Vries, 'Jhr. Röell en Rijksmuseum werden een begrip', in Het Parool, 28-11-1959; A. van Schendel, 'Bij het afscheid van hoofddirecteur Röell', in Bulletin van het Rijksmuseum 1 (1959) 51-52; idem, ibidem, 10 (1962) 3-4 ; A . Staring, in The Burlington Magazine 104 (1962) 162-163; A.M. Hammacher, 'Charlotte van Pallandt "Het portret van Jhr. Dr. D.C. Röell", in Openbaar Kunstbezit 6 (1962) 7; F. [J.E.] van Lennep, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1962-1963. Levensberichten 155-161; F.J. Duparc, Een eeuw strijd voor Nederlands cultureel erfgoed ('s-Gravenhage, 1975) 261-270; P.J.J. van Thiel, in Alle schilderijen van het Rijksmuseum... Door de afdeling schilderijen van het Rijksmuseum: P.J.J. van Thiel [et al.] (Amsterdam [etc., 1976]) 41-44.

Th.J. Meijer


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013