Romme, Carl Paul Maria (1896-1980)

 
English | Nederlands

ROMME, Carl Paul Maria (1896-1980)

Romme, Carl Paul Maria, katholiek staatsman (Oirschot 21-12-1896 - Tilburg 16-10-1980). Zoon van Rudolph Hendrik Arnold Maria Romme, rechter, en Jeanne Marie Caroline Theodorine van Schaeck. Gehuwd op 19-4-1920 met Antonia Maria Wiegman. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 3 dochters geboren. afbeelding van Romme, Carl Paul Maria

Romme ging na zijn gymnasiumopleiding aan het Ignatiuscollege te Amsterdam in 1914 rechten studeren aan de Universiteit van Amsterdam; in 1919 promoveerde hij op stellingen. Daarna vestigde hij zich als advocaat in de hoofdstad. Zijn energie was van meet af aan meer dan toereikend om vele functies tegelijkertijd te bekleden. Tot 1924 vervulde hij diverse secretariaatsfuncties binnen de Algemeene RK Werkgeversvereenigingen schreef hij regelmatig in haar periodieken Het Patroonsblad en De RK Werkgever. In later jaren, vooral vóór 1940, oefende hij diverse commissariaten (o.a. van 1931 tot 1936 bij de NV Drukkerij De Tijd) en bestuursfuncties op maatschappelijk terrein uit en kreeg hij zitting in enkele overheidscommissies en -organen, o.a. de Hoge Raad van Arbeid.

In 1921 werd Romme voor de Roomsch-Katholieke Staats Partij (RKSP) lid van de Amsterdamse gemeenteraad, hoewel zelf nog niet tot het actief kiesrecht toegelaten, en begon hij wat hij zelf zijn 'gouden tijd' noemde. Hij onderscheidde zich spoedig in werkkracht, welsprekendheid, scherpzinnigheid, kennis van zaken en durf. In 1925 reeds werd hij fractievoorzitter, en in die functie ontwikkelde hij zich tot leider van hét niet-socialistische blok. Daardoor was hij vele jaren de belangrijkste tegenspeler van de socialisten. Voor hun leider F.M. Wibaut kreeg hij grote bewondering en met hem slaagde hij er in 1929 in een coalitie tot stand te brengen, op brede basis, nadat hij in 1927 het waagstuk had uitgehaald de socialisten uit het college van B en W te manoeuvreren. Het raadswerk, dat hij tot 1937 verrichtte - van 1935 tot 1937 gecombineerd met het lidmaatschap van Provinciale Staten van Noord-Holland, dat hij in 1946/1947 nog een keer zou vervullen-, was voor hem aldus een goede politieke leerschool voor wat hem later in de Tweede Kamer te wachten stond.

Al vroeg legde Romme vanuit een neothomistische visie, gebaseerd op de katholieke sociale doctrine en de pauselijke encyclieken, een belangstelling voor maatschappelijke ordeningsvraagstukken aan de dag. Hem stond een orde voor ogen waarin 'de geestelijke zelfverheffing van de mens en daarmee het dragen van de volle maat zijner verantwoordelijkheid als individu en als deel van de gemeenschap' gewaarborgd zou zijn. Deze belangstelling, gecombineerd met zijn bemoeienis met de praktische politiek, bezorgde hem in 1933 het lectoraat sociale wetgeving aan de RKHandelshoogeschool te Tilburg. De titel van zijn openbare les luidde: Over het begrip "arbeid" naar Nederlandsch recht (Amsterdam, 1934). Dit lectoraat werd in 1935 omgezet in een buitengewoon hoogleraarschap sociale wetgeving en staats- en administratief recht. Hij kwam er in een gunstig klimaat om zijn kritiek op het vigerende democratische bestel wetenschappelijk te verdiepen en voor dat bestel alternatieven te formuleren. Met welluidende pleidooien voor een corporatieve staat en maatschappij van een uitgesproken christelijke signatuur en met een sterk monarchaal gezag trok hij volle collegezalen. Op de ideeën die hij in zijn Tilburgse jaren ontwikkelde en o.a. in het Tilburgse maandschrift Economie uitdroeg, heeft hij steeds voortgeborduurd. Maar zijn opvattingen werden zo markant, dat men hem ook in de katholieke zuil eigenlijk alleen liet staan. In 1962 zou Tilburg hem het eredoctoraat verlenen.

In de inaugurele rede De corporatiën in den staat (Amsterdam, 1935) zijn Rommes uitgangspunten duidelijk herkenbaar. Als gevolg van de ontwikkeling van het parlementaire bestel bespeurde hij een ontbreken van reële volksinvloed. Om dat bestel uit de versukkeling te halen pleitte hij voor aanvulling van de partijpolitieke vertegenwoordiging via een ten dele corporatief samengestelde volksvertegenwoordiging. In een RKSP-commissie, die in 1936 het rapport Een onderzoek omtrent wijziging van ons staatsbestel ([S.1.], 1936) publiceerde, sprak hij zich als enige uit voor de onmiddellijke realisering ervan. Op nog twee punten zijn in dit rapport voorstellen gedaan die Romme in later jaren met een zekere regelmaat zal herhalen: uitbreiding van de bevoegdheid van de wetgever tot delegatie aan de Kroon en beperking van het recht van vereniging en vergadering voor politieke organisaties. In Erfelijk nationaal koningschap (Amsterdam, 1937) verwierp hij de monistische staatsopvatting en verdedigde hij de eigen verantwoordelijkheid van de Koning tegenover zowel de ministers als de volksvertegenwoordiging. Uitgaande van de algemene geldigheid van bepaalde fundamentele zedelijke beginselen, zoals verbod op eredienst der godloosheid en recht op privaateigendom, heeft de Koning volgens Romme de plicht deze beginselen te beschermen tegen anders willende ministers en parlement, en wanneer de invloed van het volk op het regeringsbeleid onvoldoende tot zijn recht kan komen - wat zijns inziens toen het geval was -, moet de Koning die invloed tot gelding laten komen door koninklijke kabinetten te vormen, waartoe hij rechtstreeks contact moet opnemen met 'staatkundige leiders van het volk'. In het begin van de bezettingstijd publiceerde Romme de brochure Nederlandsche sociale politiek (Hilversum, 1940), waarin hij de corporatieve inrichting van het bedrijfsleven schetste. Nu bleek hij geen behoefte meer te hebben aan een afzonderlijk het volk vertegenwoordigend orgaan. De volksvertegenwoordiging zou geheel via de corporaties gestalte moeten krijgen. Belangenorganisaties, politieke partijen en strijdmiddelen als staking en uitsluiting verwees hij naar de verleden tijd.

De meeste elementen bracht Romme samen in Nieuwe grondwetsartikelen (Amsterdam, 1945), geschreven in 1943 en gepubliceerd zomer 1945. Zijn grondwet fundeerde het koninkrijk op de erkenning van God als zijn eerste oorzaak en doel, van het gezin, van het recht op en de plicht tot arbeid en van het recht op eigendom en de plicht dit te gebruiken in het gemeenschappelijk belang. Hieruit liet Romme voortvloeien dat alleen diegenen die deze geestelijke grondslagen aanvaardden, volwaardige staatsburgers konden zijn, terwijl de grondslagen tevens aan de vrijheid van drukpers, petitie en vergadering de grenzen stelden. Wat het staatsapparaat betreft, wenste hij een enkelvoudige Staten-Generaal, nu evenwel deels getrapt via de Provinciale Staten gekozen, deels door de bestuurders van de wettelijk erkende standen. In de wetgevende arbeid zou de leidende functie aan de regering toevallen, want het aandeel van het parlement hierin wilde hij beperken tot algemene begrotingswetgeving, en voor de overige wetgeving wilde hij het parlement slechts een adviserende stem toekennen; een recht van amendement zou niet bestaan, wel zou het parlement het recht van initiatief hebben. Op gemeentelijk en provinciaal niveau bepleitte hij eveneens versterking van de positie van B en W en Gedeputeerde Staten. Deze voorstellen zijn meer het produkt van de studeerkamer dan ingegeven door een juiste beoordeling van de politieke haalbaarheid. Zijn uitgesproken voorkeur voor standsorganisaties boven politiek-democratische organen als dragers van de volksinvloed deed inmiddels ouderwets aan, en met zijn streven Nederland via de grondwet een christelijk karakter te bezorgen toonde hij zich intolerant ten opzichte van het omvangrijke niet-christelijke volksdeel. De brochure liet - opnieuw -twijfel opkomen aan zijn democratische gezindheid, en dat belastte zijn startpositie in de naoorlogse politiek, althans buiten de katholieke zuil.

Ook al is Romme zijn leven lang overtuigd gebleven van de juistheid van deze opvattingen, veel ervan heeft hij niet verwezenlijkt gezien. Met enthousiasme heeft hij zich ingespannen voor de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie - samen met de bezitsvorming en de vernieuwing van het ondernemingsrecht zijn politiek stokpaardje - en de wet van 1950 bevatte ook veel van het katholieke gedachtengoed, in de praktijk heeft de wet echter nauwelijks gefunctioneerd. Voor het overige slaagde Romme slechts op een enkel punt zijn gedachten ingang te doen vinden, niet omdat er politiek op die punten een meerderheid zijn opvattingen deelde, maar omdat die meerderheid het in de Koude-Oorlogssfeer wenselijk vond zich tegen al of niet vermeende communistische gevaren te beschermen. Zo lukte het Romme in 1948 in de grondwet te doen opnemen dat onder buitengewone omstandigheden grondwettelijke bevoegdheden niet alleen konden overgaan op organen van militair gezag, maar ook op andere organen van burgerlijk gezag. Voor verdergaande maatregelen dan enkele van incidentele aard tegen de communisten vond hij onvoldoende steun. Dat Romme zich dus voornamelijk moest beperken tot pleidooien, ontnam hem overigens niet de lust in de politiek, want hij was, eenmaal fractievoorzitter, voldoende realist om te beseffen dat zijn denkbeelden te ver afstonden van de praktische politiek. En om de praktische politiek ging het in eerste instantie, ook bij hem.

Afgezien van een kortstondig lidmaatschap van de Tweede Kamer in 1933, deed Romme zijn entree in de landspolitiek definitief in 1937, toen hij, pas enkele weken lid van de Eerste Kamer, als minister van Sociale Zaken toetrad tot het vierde kabinet-Colijn (1937-1939). Hij beheerde het departement voortreffelijk en toonde zich opvallend produktief. Als voorstander van een verdergaande overheidsbemoeienis met het grote werkloosheidsprobleem wilde hij de werkverschaffing en de werkverruiming uitbreiden. Daartoe riep hij de Rijksdienst voor de Werkverruiming in het leven en zon hij op maatregelen om de overheid meer greep te geven op de arbeidsverdeling. Maar ook hij liep stuk op bureaucratie, onwil van de werkgevers en vooral op gebrek aan geld. Bovendien bleken sommige voornemens zo controversieel te zijn, dat hij niet eens toekwam aan wettelijke onderbouw ervan, zoals zijn plan de gehuwde vrouw volledig uit het arbeidsproces te weren. In de werklozenzorg weefde hij een sterk sociaal-pedagogisch element in. Zijn 'kwartje' is er een uiting van: als een gesteunde werkloze iedere week een kwartje van zijn steun liet inhouden, deed de overheid er een kwartje, en in bepaalde gevallen nog iets meer, bij en om onjuiste besteding tegen te gaan werd het spaargeld in natura uitbetaald. Zijn benadering van de jeugdige werkloze, die hem de meeste zorg baarde, wijst in dezelfde richting. Hem via cursussen en werkverschaffing onttrekken aan lediggang en hem een perspectief bieden, was voor Romme een belangrijk doel, dat hij alleen door krachtige centralisatie van de jeugdwerkloosheidszorg bereikbaar achtte. Zijn streven stuitte echter op heftige weerstand in protestants-christelijke kring, waar men bevreesd was voor een soort jeugd-staatsopvoeding in katholieke zin. Deze weerstand en in de ogen van Romme te geringe financiële ruimte gaven de doorslag bij de val van het kabinet in de zomer van 1939. Tijdens zijn ministerschap legde Romme overigens de grondslag voor een wettelijke kinderbijslag en trof hij op het tot zijn portefeuille behorende terrein van de volksgezondheid belangrijke wettelijke voorzieningen.

In de bezettingsjaren heeft Romme zich politiek niet geroerd. Van maart 1941 tot 1 november 1942, toen de bezetter er een eind aan maakte, was hij lid van het Oorlogscollege van Rijksbemiddelaars; na de bevrijding zou hij weer als Rijksbemiddelaar optreden en najaar 1945 kreeg hij het voorzitterschap van het College, welke functie hij neerlegde toen hij in 1946 weer tot de Tweede Kamer toetrad. Verder raakte hij in de oorlog betrokken bij plannen om te komen tot samenwerking in de wereld van de katholieke pers, o.a. als voorzitter van de Commissie van bisschoppelijke adviseurs inzake persplan. Ook stelde hij een programma op op basis waarvan de Volkskrant na de bevrijding als katholiek dagblad voor Nederland zou verschijnen; zelf nam hij de functie van staatkundig hoofdredacteur op zich. Voor het overige oefende hij in 1940-1945 zijn beroep van advocaat uit en vervulde hij enige commissariaten. Zo was hij president-commissaris van de Algemene Publiciteits Unie NV (APU), in welke functie hij in 1940/1941 betrokken was bij de verkoop van de dochteronderneming Remaco aan een Duitse firma. Begin 1944 werd hij commissaris van een andere, voor de Duitsers werkende dochteronderneming, Hypsos. Na de bevrijding werden tegen hem beschuldigingen van economische collaboratie ingebracht, waarop een gerechtelijk onderzoek volgde, dat leidde tot buitenvervolgingstelling. Zijn betrokkenheid bij collaborerende bedrijven zou hem politiek parten spelen, in ieder geval bij de formatie van 1946. Toen ontmoette hij bij de Partij van de Arbeid (PVDA), o.a. op grond van zijn 'oorlogs-verleden' - de andere grond lag in het auteurschap van vooral Nieuwe grondwetsartikelen -, zulke bezwaren dat er van die kant een 'veto' kwam tegen een eventueel premierschap van hem; overigens verkoos Romme zelf in de naoorlogse periode het kamerlidmaatschap boven een uitvoerende functie, waarvoor hij meer dan eens in aanmerking kwam. Aan nut en noodzaak van een eigen staatkundige organisatie voor katholieken heeft Romme nooit getwijfeld. Hij heeft dan ook een belangrijke rol gespeeld bij de oprichting van de Katholieke Volkspartij (KVP) in december 1945. 'Met een uitstekend gevoel voor politieke techniek' voorkwam hij -samen met o.a. pater J.G. Stokman - dat de verdeeldheid onder de katholieken over het vraagstuk van de politieke organisatie in de kaart van de doorbraak speelde. Zomer 1945, toen veel politieke traditie leek te bezwijken aan de vernieuwingsdrang, trad hij als voorzitter van het door hem geïnspireerde Centrum voor Staatkundige Vorming met succes op als bemiddelaar tussen herstellers en vernieuwers en wist hij de belangrijksten onder de katholieke vernieuwers voor de katholieke eenheidspartij te behouden. Het lag dan ook voor de hand dat hem, na de verkiezingssuccessen van de KVP van 1946, het voorzitterschap van de KVP-fractie in de Tweede Kamer toeviel, al was hij zelf liever teruggekeerd naar de wetenschap. In de nieuwe functie was het zijn primaire taak de permanente tegenstellingen in de partij te beheersen. Romme bezat een dusdanig geestelijk overwicht dat men hem graag als leider aanvaardde. Romme zocht de verzoening en gebruikte daarvoor het middel zich in publieke uitspraken zo bedachtzaam en afstandelijk in verhullende taal te uiten, dat eigenlijk niemand precies wist wat hij bedoelde en iedereen dus zijn eigen interpretatie kon volgen. Deze bewust aangemeten schimmigheid bezorgde hem spoedig de bijnaam van sfinx, maar bracht hem wel in een positie waarin hij menig compromis kon doordrukken. Met het bewaken van de politieke eenheid der katholieken, waarbij hij episcopale interventies als het mandement van 1954 maar matig waardeerde, had hij echter meer moeite dan met het bijeenhouden van zijn fractie. De afscheiding van Ch.J.I.M. Welter in 1948 - wat tot het ontstaan van de Katholieke Nationale Partij (KNP) leidde - heeft hij niet weten te voorkomen en bij de bestrijding van de oppositie van de rechtervleugel van de zg. groep-Steenberghe (1951 /1952) slaagde hij er niet in rechts en links in de partij voldoende tevreden te stellen, met als gevolg een verlies van twee zetels bij de Tweede-Kamerverkiezingen van 1952. Aan het einde van dat jaar verloor hij ook het staatkundig hoofdredacteurschap van de Volkskrant, doordat de eigenares - de Katholieke Arbeidersbeweging (KAB) - niet langer accepteerde dat Romme de krant gebruikte om het KVP-beleid te propageren en te verdedigen; vanaf 1954 mocht Romme evenwel een wekelijkse rubriek 'Politiek allerlei' verzorgen, wat hij bleef doen tot oktober 1960.

Voor het overgrote deel van de katholieken echter bleef Romme de man die pal stond voor het katholieke ideaal. Met de centrale rol die hij de KVP in de politiek bezorgde en met zijn zelfverzekerd optreden hielp Romme de katholieken af van gevoelens van minderwaardigheid. De positie van de KVP dacht Romme het sterkst te kunnen maken -daarmee de kans dat het katholieke gedachtengoed in de Nederlandse samenleving kon doordringen, het grootst - wanneer de regering op een zo breed mogelijke basis berustte; tegelijkertijd zou hij dan de vleugels in de partij het beste in bedwang kunnen houden. Het liefst zag hij een kabinet van katholieken, socialisten, liberalen en protestanten: dat zou het onverzoenlijke verzoenbaar maken. De samenwerking met de PVDA heeft Romme in de partij steeds moeten verdedigen, en dat deed hij met overtuiging; hij zag voldoende gemeenschappelijke punten, zeker waar het ging om het uitbreiden van de sociale zekerheid, maar zijn voorkeur werd hem ook ingegeven door de vrees dat een PVDA in de oppositie een radicaliserende uitwerking op de niet-christelijke arbeidersmassa naar de communistische kant toe kon hebben. Zijn ideaal van een vijfpartijenkabinet heeft Romme echter nooit weten te verwezenlijken, ook niet toen hij in 1951 en 1956 als (in)formateur optrad. Na de door hem niet begeerde breuk met de PVDA in 1958 is Romme blijven pogen de PVDA in de regering te laten terugkeren. Maar toen hij in 1963 - na de actieve politiek te hebben verlaten - als informateur optrad, bleek hij de greep op zijn eigen partij voorgoed kwijt te zijn; hij kon niet op tegen de stroming die geen aanleiding zag een andere richting in te slaan dan die welke ten tijde van het kabinet-De Quay (1959-1963) succesvol was gebleken, dus zonder de PVDA.

In de Indonesische kwestie is te zien hoe Romme enerzijds de KVP aan meer invloed hielp en anderzijds schipperde om de rechtervleugel in de partij te sussen en de coalitie met de PVDA in stand te houden, tegelijkertijd echter ook hoe een geringe neiging eenmaal ingenomen standpunten los te laten zijn politieke macht inperkte. De eerste maal liet Romme van zich horen ten tijde van de HogeVeluwe-conferentie in april 1946. In een artikel in de Volkskrant, 'De week der schande', stelde hij zich op een strikt legalistisch standpunt: geen onderhandelingen met de republikeinen en handhaving van de Rijkseenheid. Eenmaal fractievoorzitter moest hij vanuit een andere verantwoordelijkheid handelen. In de eerste plaats had hij ervoor te zorgen dat zijn fractie eensgezind bleef en de regering steunde. Tevens had hij ervoor te waken dat de regering een beleid uitstippelde dat hem het laveren tussen de tegenstellingen niet onmogelijk maakte; daartoe zou hij het beleid inzake Indië zoveel mogelijk in KVP-handen brengen. Het ontwerp-akkoord van Linggadjati, 15 november 1946, was voor hem persoonlijk nauwelijks aanvaardbaar, maar tegelijkertijd werkte hij mee aan de 'aankleding' van het akkoord met allerlei de regering bindende interpretaties, omdat hij inzag dat de regering anders niet aan een meerderheid in de Tweede Kamer kon komen. Als hartstochtelijk voorstander van de zg. zware Unie tussen Nederland en Indonesië, die aan Indonesië weinig ruimte voor zelfstandig optreden zou bieden, schuwde hij militair geweld niet om zulk een Unie aan de Indonesiërs op te leggen. Bij de kabinetsformatie van 1948 zorgde hij ervoor dat katholieken op de belangrijkste sleutelposities kwamen: E.M.J.A. Sassen op Overzeese Gebiedsdelen in Den Haag en L.J.M. Beel als Hoge Vertegenwoordiger van de Kroon in Batavia. In de loop van 1949 traden beiden af, toen de regering toegaf aan internationale druk om de Indonesiërs vergaand tegemoet te komen. Romme wenste zich hiertegen te verzetten en overwoog zelfs de val van het kabinet, maar zag zich door zijn fractie onvoldoende gesteund; een meerderheid was inmiddels bereid de realiteit onder ogen te zien. Aldus leed Romme in 1949 ernstige politieke nederlagen, die hem veel teleurstellingen bezorgden, maar hem toch niet deden besluiten de politiek te verlaten.

Ook in de kwestie-Nieuw-Guinea toonde Romme zich allesbehalve genegen zijn standpunt aan te passen aan zich wijzigende omstandigheden. Gaande het conflict, voelde hij niets voor overdracht aan Indonesië; van het door hem gekoesterde zelfbeschikkingsrecht zou dan niets terecht komen, zo luidde zijn belangrijkste motief. Romme wilde behoud van de Nederlandse soevereiniteit, en zolang de Nederlands-Indonesische Unie bestond, vond hij overdracht van de soevereiniteit aan deze Unie de verstgaande oplossing. Waar anderen in de loop der jaren hun standpunt versoepelden, bleef hij halstarrig het beleid van de door hem uitgezochte minister van Buitenlandse Zaken, J.M.A.M. Luns, steunen.

In beide kwesties kende Rommes handelen als achtergrond in eerste aanleg de politieke verhoudingen in Den Haag en op den duur ook en vooral de overtuiging dat zijn inzichten de enig juiste waren en het beleid daarnaar gemodelleerd diende te worden; de notie ontbrak dat in Indië en tussen Indonesië en Nederland een politieke structuur gerealiseerd moest worden die paste bij de daar levende verlangens en die in overeenstemming was met de in en na de oorlog verschoven machtsverhoudingen op het internationale toneel. Dat Romme daardoor voortdurend achter de feiten aan moest lopen, was niet bijzonder, want dat deden vrijwel alle Nederlandse politici. Maar dat hij ten slotte met een zekere weerzin moest slikken wat hem eigenlijk niet smaakte, had ook te maken met zijn eigen onvermogen zich te schikken naar het onvermijdelijke, hetgeen anderen, ook in zijn eigen partij, wel deden. Op andere beleidsterreinen gold Romme als de grote verzoener der tegenstellingen, hier liet hij zich nauwelijks overtuigen van de praktische onuitvoerbaarheid van eigen inzichten.

Eind 1960 raakte Romme overwerkt en in februari 1961 verliet hij de Tweede Kamer. Voor politiek Nederland kwam dit onverwacht. De oorzaak van het terugtrekken moest gezocht worden in het toenemend gebrek aan instemming met zijn leiderschap. Zijn dominerende positie en zijn 'aristocratische approach' van het leiderschap remden de ontplooiing van anderen. Romme blijkt te hebben ingezien dat zijn leiderschap paste bij de tijd waarin de katholieken behoefte hadden aan een gids, die hen tot politieke volwassenheid kon brengen. Die rol heeft hij vervuld op een wijze die hem buiten de katholieke zuil vanaf het begin omstreden maakte; daar verdacht men hem ervan de politiek uitsluitend te gebruiken ten dienste van de katholieke zaak. Toen hij zag aankomen ook binnen de eigen zuil omstreden te raken, trok hij zich terug. Maar zijn vertrek opende wel de deur voor allerlei onderdrukte ambities, waardoor, mede door de ontwikkelingen binnen de r.k. kerk, de fractie spoedig stuurloos en de partij op drift zou raken. Zo bezien, is Romme te laat vertrokken; hij was er de persoon niet naar om tijdig zijn greep op fractie en partij te versoepelen en hen aldus voor te bereiden op de tijd zonder hem. Het is ook anders, vriendelijker te formuleren: dank zij Romme voltooiden de katholieken hun politieke emancipatie en zij leverden daarvan het bewijs door zich na zijn vertrek onafhankelijker van de KVP te gedragen zonder opnieuw last te krijgen van een minderwaardigheidscomplex.

In 1962 werd Romme benoemd tot lid van de Raad van State en toen hij daar afscheid nam, eind 1971, viel hem het ministerschap van Staat ten deel.

A: Archief-Romme in Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage. KVP-archief in Katholiek Documentatie Centrum in Nijmegen.

P: Behalve de in de tekst genoemde publikaties en zijn artikelen in de Volkskrant en Katholiek Staatkundig Maandschrift: Bedrijfsorganisatie en de verkiezingen van 1925 (Amsterdam, 1925); Verbreiding van privaateigendom. Deelneming in de winst, kapitaaldeelname en vermogensvorming door werknemers (Amsterdam, 1955) samen met J.R.M. van den Brink; De onderneming als gemeenschap in het recht (Amsterdam, 1946); Vrije vakorganisatie en publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie ([S.L], 1946); Staatspensioenering, ouderdomsverzekering (Den Haag, 1950); Katholieke politiek (Utrecht [etc.], 1953); 'Derden-binding en tuchtrecht in de PBO', in Opstellen aangeboden aan prof.mr.dr. G. van den Bergh (Alphen aan den Rijn, 1960) 211-223.

L: Hans Hermans, Parlementaire geschiedenis van jaar tot jaar 1938-1939 (Hilversum, 1939); E.B.F.F. Wittert van Hoogland, De parlementaire geschiedenis der sociale verzekering 1890-1940 (Haarlem, 1940) II, 386-658; A. N. Molenaar, Arbeidsrecht (Zwolle, 1958) II, 1787-1913; interview met Bibeb in Vrij Nederland, 24-1-1959; C. Smit, De liquidatie van een imperium. Nederlanden Indonesië 1945-1962 (Amsterdam, 1962); F.J.F.M. Duynstee. De kabinetsformaties 1946-1965 (Deventer, 1966); P.J. Oud, Het jongste verleden. Parlementaire geschiedenis van Nederland (Assen, 1968) VI; Nieuw-Guinea en de Volkskrant. Samengest. door C.V. Lafeber (Assen, 1968); A.A. de Jonge, Crisis en critiek der democratie (Assen, [1968]); Robbert Ammerlaan, Het verschijnsel Schmelzer. Uit het dagboek van een politieke teckel (Leiden, [1973]); H. [J.A.] Bornewasser, Katholieke Hogeschool Tilburg. Deel I. 1927-1954. Economie-Ethiek-Maatschappij (Baarn, [1978]); P. de Rooy, Werklozenzorg en werkloosheidsbestrijding 1917-1940. Landelijk en Amsterdams beleid (Amsterdam, 1978); J.C.H. Blom, A. 't Hart en I. Schöffer, De affaire-Menten 1945-1976 ('s-Gravenhage, 1979. 2 dl.) 276-283; Jan Rogier, Een zondagskind in de politiek en de andere christenen (Nijmegen, 1980); Melchior Bogaarts, 'Het einde van de KVP 1945-1980', in weekblad De Tijd, 3-10-1980; Jan Joost Lindner, in de Volkskrant, 18-10-1980; Henry C. Faas, in De Tijd, 24-10-1980 en Jan Rogier, in Vrij Nederland, 25-10-1980; Henri Lenferink, 'De terugkeer van een katholieke eenheidspartij na de Tweede Wereldoorlog', in Jaarboek Katholiek Documentatiecentrum 1980, 80-117; Joan Hemels, De emancipatie van een dagblad. Geschiedenis van de Volkskrant (Baarn, 1981); P.J. Oud, Honderdjaren. Een eeuw van staatkundige vormgeving in Nederland 1840-1940. Bewerkt en voor de periode na 1940 aangevuld door J. Bosmans 8e dr. (Assen, 1982); P.F. Maas, Kabinetsformaties 1959-1973 ('s-Gravenhage, 1982); J. Bosmans, 'De RKSP en de val van Colijn in 1939', in Nederlandse Historische Bronnen III (Amsterdam, 1983) 231-306; Jan Bank, Katholieken en de Indonesische Revolutie (Baarn, 1983).

I: Vrij Nederland 1 maart 1980, 14 [Foto: Anefo].

J. Bosmans


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013