Rooijackers, Lambertus Antonius Thomas (1905-1980)

 
English | Nederlands

ROOIJACKERS, Lambertus Antonius Thomas (1905-1980)

Rooijackers, Lambertus Antonius Thomas (bekend onder de naam Rooyackers), vicaris-generaal van de bisschop van 's-Hertogenbosch (Veghel 14-4-1905 - 's-Hertogenbosch 14-2-1980). Zoon van Chistiaan Michael Rooijackers, hoofdonderwijzer, en Johanna Elisabeth Fleskens. afbeelding van Rooijackers, Lambertus Antonius Thomas

Lambert Rooyackers studeerde aan het klein-seminarie 'Beekvliet' te St. Michielsgestel, behaalde het staatsexamen gymnasium-A en volgde de priesteropleiding in filosofie en theologie aan het groot-seminarie te Haaren (Nb). Zijn priesterwijding geschiedde op 14 juni 1930 door de bisschop van 's-Hertogenbosch, mgr. A.F. Diepen, en zijn benoeming tot kapelaan te St. Oedenrode op 13 augustus van dat jaar. Na vervolgens kapelaan te Helmond (vanaf 18-8-1933) te zijn geweest werd hij aangesteld tot rector aan de RK Landbouwschool te Boxtel (10-8-1934) en daarna tot rector aan de RK Kweekschool Concordia te 's-Hertogenbosch (29-1-1937). Behalve zijn didactische gaven in de catechese ontwikkelde hij hier zijn journalistieke aanleg, daar hij tevens benoemd werd tot hoofdredacteur van het officiële orgaan van het bisdom 's-Hertogenbosch, de Sint Jansklokken. Uit deze Bossche periode stamt zijn vriendschap met de latere bisschop W.M. Bekkers, die voor zijn levensloop beslissend zou worden. Als hoofdredacteur gaf hij blijk van een uitgesproken antinationaal-socialistische gezindheid, door o.a. in zijn blad regelmatig bijdragen op te nemen van de Oostenrijkse pater F.J. Muckermann. Deze jezuïet was een strijdvaardig tegenstander van het Hitlerregime, die in woord en geschrift vanuit het klooster van zijn orde in Munster actie voerde.

Reeds kort na de Duitse bezetting van 's-Hertogenbosch werd hij op 28-6-1940 door de Gestapo gearresteerd en, na een korte tijd in de gevangenis van Vught en Arnhem gezeten te hebben, overgebracht naar de gevangenis van de Alexanderplatz in Berlijn. Vlak vóór Kerstmis 1940 volgde transport naar het concentratiekamp Sachsenhausen (16-12-1940 - 8-8-1942), spoedig daarna Dachau. Tijdens dit gedwongen verblijf kwam hij in aanraking met priesters van allerlei nationaliteit, die, verdacht of beschuldigd van oppositie tegen het heersende regime, gevangen werden gehouden. Zijn grote geestkracht, diep geloof en aangeboren optimisme deden hem de beproevingen overleven.

Op 29 april 1945 werd hij door de Amerikanen uit Dachau bevrijd. Enkele jaren waren nodig voor herstel van de gevolgen van zijn internering. Zodra zijn gezondheid het toeliet, werd hij benoemd tot rector van het Liefdesgesticht in Hintham (20-2-1948) om op 12-5-1950 pastoor-deken in Drunen te worden, voorlopig de redactie van de Sint Jansklokken, het latere Bisdomblad, voortzettend. Zijn organisatorische talenten kon hij daar uitleven als bouwpastoor van de in 1954 gerealiseerde St. Lambertuskerk. Inmiddels was bij hem, voorstander van een open katholicisme, grote oecumenische belangstelling gegroeid: de Apologetische Vereeniging Petrus Canisius, voortgezet in de St. Willibrord Vereniging, het katholiek orgaan bij uitstek voor oecumene in Nederland, vond in hem een toegewijd lid - jarenlang penningmeester - van het hoofdbestuur, evenals de Katholieke Bijbelstichting, die hij van haar ontstaan af tot aan zijn dood als vice-voorzitter diende. Zijn vriend de befaamde bisschop mgr. Bekkers benoemde hem op 1-3-1961 tot vicaris-generaal; na diens dood stelde zijn opvolger, mgr. J.W.M. Bluyssen, hem aan tot bisschoppelijk vicaris (22-11-1966) met als aandachtsvelden vooral missie en oecumene. Uit deze functie zou hij wegens gevorderde leeftijd op eigen verzoek op 1 -3-1973 eervol ontslagen worden. Op deze hoge posten gaf hij vorm en inhoud aan belangrijke taken die zijn bijzondere belangstelling hadden. De nieuwe ontwikkelingen in zijn kerk, zoals die gestalte kregen in het Tweede Vaticaanse Concilie, boeiden hem in hoge mate, zowel intern als extern. Hoewel zelf een typisch Brabants priester in zijn waardering voor het 'rijke roomse leven', was hij diep overtuigd van de waarde van de 'dialoog' binnen eigen kerk. In het voetspoor van bisschop Bekkers organiseerde hij vanaf 1963 een reeks van pastorale gesprekken, waarin op grote schaal bisschop, priesters en leken elkaar openhartig ontmoetten en zich duidelijk bewust werden van ieders eigen verantwoordelijkheid. Gezag kan volgens Rooyackers alleen functioneren als het niet van bovenaf wordt opgelegd, maar van die kant verantwoord en door de basis innerlijk aanvaard. In dezelfde lijn lag het dat het Nederlands episcopaat hem een belangrijke rol toedeelde in de voorbereiding van het Pastoraal Concilie der Nederlandse Kerkprovincie, dat van 1968 tot 1970 in een zestal zittingen te Noordwijkerhout bijeenkwam. Als vice-voorzitter van de voorbereidingscommissie was hij, in nauwe samenwerking met Walter Goddijn, bij voorbereiding en uitwerking nauw betrokken. Het doel van het Pastoraal Concilie was de doorwerking en de toepassing van de initiatieven en documenten van Vaticanum II in de concrete situatie van de katholieke kerk in Nederland. Maar ook naar buiten toe had hij aandacht voor de positie van zijn kerk. De pastorale praktijk, vooral in Drunen, had zijn ogen geopend voor de ingrijpende sociologische en demografische veranderingen die zich in het zich industrialiserende Brabant van na de Tweede Wereldoorlog voltrokken. Rooyackers zag scherp in dat het isolement en de overheersende positie van zijn kerk in dit gewest ten einde liepen. Geschraagd door zijn reeds gereleveerde aandacht voor de Heilige Schrift als verbindend element tussen de kerken, ontwikkelde hij zich tot stimulator en inspirator van de oecumenische gedachte. Hoewel zijn belangstelling primair praktisch pastoraal gericht was op een zo nauw mogelijke samenwerking tussen de kerken, bevorderde hij tegelijk de theologische doordenking van principiële vraagstukken die zich in de verdeeldheid der kerken voordoen. Samen met de ds. N.K.. van den Akker, Ned. Herv. predikant te 's-Hertogenbosch, richtte hij reeds in 1951 de Bossche Gesprekskring van priesters en predikanten op; ook nog na zijn dood bestaat deze kring, waaraan in telkens wisselende samenstelling een twintigtal ambtsdragers deelneemt, voort. Zijn reeds vermelde rol in het hoofdbestuur van de St. Willibrord Vereniging stond in dit zelfde teken. Zijn oecumenisch streven kenmerkte zich door een mengeling van bedachtzaamheid - hij schuwde wilde experimenten en respecteerde kerkelijke regels - en innerlijke vrijheid, die hem telkens tot nieuwe creatieve initiatieven bracht. Krachtens zijn aard bleef Rooyackers steeds de man op de achtergrond, wiens invloed op de katholieke kerk van Nederland onmiskenbaar diep en in ruime kring bekend is geweest, versterkt door zijn beminnelijke omgang, hartelijke vriendschap en Bourgondische levenswijze.

P: L. Rooyackers, 'De bisschop van de dialoog', in Bisschop Bekkers. Negen jaar met Gods volk onderweg (Utrecht, [1966]) 47-53.

L: J. Spitz, Waren wij maar aan de basis ('s-Hertogenbosch: St. Willibrord Vereniging, 1973); H. Beex en J.G. Dukker, 'Gesprek met mgr. L. Rooyackers', in Bisdomblad 51 (1973) 15-16 (13 april) 11-16; L.H.A. Groothuis, De Brabantse bisschoppen Bekkers en De Vet. Wegbereiders van een vernieuwingsbeweging (Tilburg, 1973) 44-46; 186-189. Bijdragen tot de geschiedenis van het zuiden van Nederland: 28.

I: Katholiek Documentatie Centrum te Nijmegen, Collectie Onderwerpen: afb. 1A94.

N.K. van den Akker


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013