Roolvink, Bauke (1912-1979)

 
English | Nederlands

ROOLVINK, Bauke (1912-1979)

Roolvink, Bauke, vakbondsbestuurder en politicus (Wijtgaard, gem. Leeuwarderadeel 31-1-1912 - Baarn 25-11-1979). Zoon van Dirk Roolvink, landarbeider, en Elske Hoekstra. Gehuwd op 16-1-1935 met Gijsberta Cornelia Schouten. Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 3 dochters geboren. afbeelding van Roolvink, Bauke

Roolvink, geboren in een landarbeidersgezin dat zich, om de in Friesland heersende werkloosheid te ontlopen, zelfs een tijdlang in Duitsland vestigde, bezocht de christelijke lagere school te Wirdum. Vervolgens ontving hij op de ambachtsschool in Leeuwarden een opleiding tot smid-bankwerker. In deze tijd ontstond, vooral door de rechteloosheid der arbeiders, waarmee ook zijn vader werd geconfronteerd, bij de zoon de belangstelling voor sociale en politieke vraagstukken. Vormend voor zijn latere loopbaan was ook zijn intensieve deelneming aan het gereformeerde verenigingsleven, waarmee hij zich een goede debat- en vergadertechniek eigen maakte. Op 16-jarige leeftijd ging Roolvink als klinknageljongen werken op een scheepswerf in Leeuwarden. Na nog een halfjaar op een constructiewerkplaats in de Friese hoofdstad te hebben gewerkt, vertrok hij in 1929 naar Hilversum om in dienst te treden bij de N.V. Koninklijke Haardenfabriek E.M. Jaarsma. Hij streefde een regelmatige verandering van werkkring na om daardoor een zo veelzijdig mogelijke vakkennis op te doen. Ooit hoopte hij zich (in navolging van zijn grootvader aan vaders zijde) als zelfstandige te kunnen vestigen. In 1930 werd hij lid van de Christelijke Metaal-bewerkersbond (CMB) en in 1935 van de Anti-Revolutionaire Partij (ARP).

In de oorlogsjaren was Roolvink woordvoerder van de illegale fabriekskern bij Jaarsma. In 1946 werd hij gesalarieerd bestuurder van de CMB, van welke organisatie hij reeds voorzitter van de afdeling Hilversum was. Deze overgang van fabrieksarbeider naar 'vrijgestelde' ondervond Roolvink als een van de belangrijkste veranderingen in zijn loopbaan. In 1949 werd hij lid van de Hilversumse gemeenteraad, hetgeen hij tien jaar is gebleven. Eind 1952 werd Roolvink, die inmiddels tweede voorzitter was van de CMB, benoemd tot secretaris van het Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV). In deze functie hield hij zich vooral bezig met de loon- en prijspolitiek en sociaal-pedagogisch werk. Als vakbondsman verzette hij zich tegen de idee van de klassenstrijd en trachtte hij zoveel mogelijk werkgevers en werknemers met elkaar te verzoenen.

Toch was vooral de vakbeweging onaangenaam verrast toen Roolvink vrijwel zonder enig vooroverleg op aandrang van o.a. J. Zijlstra en J.W. de Pous in 1959 als staatssectretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid zitting nam in het eerste naoorlogse kabinet zonder socialisten, dat onder leiding stond van J.E. de Quay. Hiermee werd de basis gelegd voor de slechte verhouding tussen Roolvink en de niet-confessionele vakbeweging. Ondanks Roolvinks gebrek aan parlementaire ervaring verdedigde hij met succes in felle debatten met de oppositie de door hem voorgestane 'gedifferentieerde loonpolitiek' (d.w.z. een arbeidersvoorwaardenbeleid per bedrijfstak). De ruimte die Roolvink van zijn minister, Ch.J.M.A. van Rooy, gekregen had, - deze sprak nogal eens 'door de mond van zijn staatssecretaris' - werd drastisch ingeperkt toen G.M.J. Veldkamp in juni 1961 de afgetreden Van Rooy opvolgde. Na afloop van zijn ambtstermijn nam Roolvink als lid van de ARP-fractie zitting in de Tweede Kamer. Samen met B.W. Biesheuvel en J. Smallenbroek voerde hij in 1963 de antirevolutionaire lijst bij de Tweede Kamerverkiezingen aan. Toen Smallenbroek in 1965 minister van Binnenlandse Zaken in het kabinet-Cals werd, volgde Roolvink hem na langdurig intern beraad binnen de ARP-fractie als fractieleider op. Van socialistische zijde werd de vrees geuit dat hiermee een bom was gelegd onder het kabinet-Cals, waarin ook bewindslieden uit de Partij van de Arbeid zitting hadden. Roolvink was woordvoerder in belangrijke kamerdebatten over o.a. het huwelijk van prinses Beatrix met de Duitser Claus von Amsberg in 1966 en de hiermee in verband staande ongeregeldheden in Amsterdam. Toen in de nacht van 13 op 14 oktober 1966 de door Katholieke Volkspartij-leider W.K.N. Schmelzer ingediende motie, waarop het 'onaanvaardbaar' van de regering rustte, aan de orde kwam, stemde de ARP-fractie, uiteraard onder leiding van Roolvink, tegen deze motie, die toch door een meerderheid van de Kamer werd aangenomen. Vervolgens brandde binnen de ARP een strijd los over de vraag wie lijstaanvoerder bij de in 1967 te houden kamerverkiezingen zou moeten worden. Kandidaten hiervoor waren Biesheuvel en Roolvink, van wie de eerste, gesteund door het partijbestuur, net iets meer stemmen behaalde dan de tweede. Toen Roolvink door de KVP'er P.S.J. de Jong werd aangezocht zitting te nemen in het door De Jong te formeren kabinet, stemde Roolvink hiermee in; op 5 april 1967 werd hij beëdigd als minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. Doel van het kabinet-De Jong was inflatie en werkloosheid zoveel mogelijk terug te dringen. Roolvink zou dit door zijn beleid trachten te verwezenlijken. Hoewel pas in januari 1968 een begin was gemaakt met de vrije loonvorming, wilde de regering al een half jaar later in de loonontwikkeling ingrijpen en een loonpauze afkondigen. Door de grote tegenstand in het parlement werd deze loonnota echter teruggenomen. Wel verklaarde Roolvink in 1968 een aantal bepalingen uit de Bouw-CAO onverbindend, waarop tienduizenden bouwvakkers naar Den Haag trokken om tegen het beleid van de minister te ageren. Het grootste conflict tussen Roolvink enerzijds en de vakbeweging en een groot deel van de Tweede Kamer anderzijds brak uit toen in 1969 het wetsontwerp op de loonvorming werd ingediend. Artikel 8 hiervan bepaalde dat de minister gemachtigd was bepalingen van een CAO onverbindend te verklaren na de Loonpolitieke Adviescommissie gehoord te hebben wanneer het algemeen sociaal-economische beleid dat vereiste. Ten aanzien van dit artikel echter namen het Nederlands Katholiek Vakverbond (NKV) en het CNV een genuanceerder standpunt in dan het Ned. Verbond van Vakverenigingen (NVV). Overigens werd er massaal tegen dit wetsontwerp, dat als 'knevelwet' gekarakteriseerd was, gedemonstreerd en kreeg vooral Roolvink van NVV-zijde het zwaar te verduren. Bij aanvankelijk gebrek aan steun in de Tweede Kamer voor dit wetsontwerp - de kritiek richtte zich, ook bij een aantal KVP-kamerleden, in het bijzonder op die mogelijkheid tot onverbindend-verklaring van de CAO - werd het in de nacht van 25 op 26 september 1969 pas aangenomen nadat De Jong met aftreden van het gehele kabinet had gedreigd. Andere belangrijke wetten die onder verantwoordelijkheid van Roolvink tot stand kwamen, zijn de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, de Wet op de Sociale Werkvoorziening, de Wet op de Ondernemingsraden en de Wet op het Minimumloon en Minimum Vakantietoeslag. Wijzigingen werden aangebracht in de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen- en Wezenwet.

In 1971 kwam, met het kabinet-De Jong, een eind aan Roolvinks ministerschap en keerde hij als gewoon kamerlid in het parlement terug waar hij 'sociale aangelegenheden' behartigde. Daarnaast bekleedde hij vele betaalde en onbetaalde nevenfuncties, waaronder een tiental commissariaten. Toen in 1976 bekend werd dat hij een geheim en betaald adviseurschap had ten behoeve van het Amerikaanse olieconcern GulfOil ontbrandde in pers en parlement een discussie over de verenigbaarheid van een dergelijk adviseurschap met het kamerlidmaatschap. Tijdens de laatste vergadering van de zelfstandige ARP-fractie vóór haar opgaan in CDA-ver-band in 1977, nam Roolvink afscheid van het politieke bedrijf.

Ondanks zijn eenvoudige afkomst en beperkte schoolopleiding wist Roolvink het van 'fabrieksarbeider tot minister' te brengen dank zij een groot bestuurderstalent en een sterk doorzettingsvermogen. Hoewel hij de door Zijlstra geïntroduceerde 'lood-om-oud-ijzer'-theorie inzake de veronderstelde afwezigheid bij christenen van een principiële voorkeur voor samenwerking met socialisten dan wel liberalen onderschreef, had hij bijzonder weinig affiniteit met de socialistische levensbeschouwing. Door de wijze waarop hij trachtte kapitaal en arbeid tot elkaar te brengen heeft hij een groot deel van de vakbeweging waaruit hij voortkwam, van zich vervreemd. Maar juist het behoudende deel van de antirevolutionaire achterban erkende hem als de robuuste vertolker van zijn gevoelens.

A: Inventaris van het persoonlijk archief van Bauke Roolvink (1912-1979) over de jaren 1930, 1944-1947. Samengest. door Jan H. Kompagnie ('s-Gravenhage: ara, 2e afd., 1982).

P: H. J. Vermeulen en B. Roolvink, De toepassing van de wet op de ondernemingsraden (Utrecht, 1953). Voorts vele bijdragen in politieke, kerkelijke en vakbewegingstijdschriften.

L: Behalve artikelen in periodieken, zoals Trouw, 3-5-1963; Bibeb, in Vrij Nederland, 24-12-1966; Keesings historisch archief 1969, 645; De Tijd, 31-12-1970; Elseviers Weekblad, 21-8-1971; NRC Handelsblad, 26-11-1979 en J.J. Lindner, in de Volkskrant, 26-11-1979: R. Ammerlaan, Het verschijnsel Schmelzer (Leiden, 1973); D. Schaafsma, Bauke Roolvink, zijn levensverhaal en politieke terugblik (Hilversum, 1978). Bespr. hiervan door G. Puchinger, in Anti-revolutionaire Staatkunde 48 (1978) 357-360.

I: ANP Historisch Fotoarchief, beeldnummer 25432 [Roolvink in april 1968].

Jan H. Kompagnie


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013