Roosjen, Anton Bernard (1894-1978)

 
English | Nederlands

ROOSJEN, Anton Bernard (1894-1978)

Roosjen, Anton Bernard, politicus en bestuurder van omroeporganisaties (Aalsmeer 13-9-1894 - Amsterdam 15-6-1978). Zoon van Folkert Roosjen, hoofdonderwijzer, en Trijntje van der Meulen. Gehuwd op 12-8-1920 met Trientje Geesje Everdiena Kruit. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren. afbeelding van Roosjen, Anton Bernard

Roosjen werd als zevende kind geboren in een protestants-christelijk onderwijzersgezin. Nadat hij in Aalsmeer de lagere school had doorlopen, studeerde hij aan de christelijke kweekschool 'De Klokkenberg' te Nijmegen, waar hij in 1913 slaagde voor de hoofdakte. In de daaropvolgende jaren behaalde hij de akten Frans LO, Engels LO, wiskunde LO en MO, staathuishoudkunde en statistiek MO. Hij begon zijn onderwijzersloopbaan aan een christelijke mulo te Stadskanaal. Nadat hij inmiddels in militaire dienst geweest was, werd Roosjen in november 1917 benoemd tot wiskundeleraar aan de Hervormde Kweekschool te Amsterdam. Op wat latere leeftijd studeerde hij in zijn vrije tijd rechten aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, waar hij op 5 februari 1938 de meestertitel verwierf. Op 8 juni 1937 deed hij zijn intrede in de politiek, toen hij gekozen werd tot lid van de Tweede Kamer voor de Anti-Revolutionaire Partij (ARP). Hierna werd hij bovendien gekozen tot lid van de Amsterdamse gemeenteraad (1939-1954) en van Provinciale Staten van Noord-Holland (1939-1940).

Onmiddellijk na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog liet Roosjen duidelijk blijken dat hij de wettige regering en het koningshuis een warm hart toedroeg. Op zijn initiatief werd het Amsterdamse AR-maandblad Nederland en Oranje omgevormd tot het weekblad Hou en Trou. Binnen korte tijd groeide de oplage van dit colportageblad tot een groot aantal exemplaren, die in heel Nederland verkocht werden. Aangezien de inhoud van het blad de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) en de bezetter niet welgevallig was, werd de uitgave van het blad spoedig verboden en behoorde Roosjen in oktober 1940 tot de prominente Nederlanders die in die vroege bezettingsperiode reeds door de Duitsers gegijzeld werden. Na een verblijf in verschillende gevangenissen werd hij overgebracht naar het concentratiekamp Buchenwald, waar hij de tijd doodde met het schrijven van gedichten. Vervolgens werd hij geïnterneerd in Haaren, St. Michielsgestel en Vught. Geheel onverwacht stelde men hem op 17 september 1944 op vrije voeten.

Na de bevrijding hervatte Roosjen zijn politieke loopbaan bij de ARP. Als lid van de Tweede Kamer ontpopte hij zich als deskundige op het gebied van onderwijszaken, omroepwezen en defensie. Met buitengewone belangstelling volgde hij het tot stand komen van o.a. de Wet tot regeling van het Voortgezet Onderwijs (1963) en de Omroepwet van 1967. Tegen eerstgenoemde wet, het geesteskind van minister J.M.L.Th. Cals, had Roosjen heel wat bedenkingen. Zo sprak hij tijdens de kamerdebatten eens gekscherend over de 'mammoetwet', een bijnaam die ogenblikkelijk insloeg. Door zijn openbaar optreden in deze en andere politieke kwesties werd hij een bekend parlementariër. Na een verkiezingsnederlaag en tevens wegens onderlinge verdeeldheid stelde de ARP in november 1952 een reorganisatiecommissie in. Om zijn samenbindende eigenschappen werd Roosjen tot voorzitter benoemd. In 1954 slaagde de commissie erin een gedegen rapport samen te stellen. De erin genoemde voorstellen tot reorganisatie van de ARP werden in juni 1955 in enigszins gewijzigde vorm door de Deputatenvergadering aanvaard. 'Meester Roosjen', zoals hij dikwijls - in de dubbele zin des woords - genoemd werd, behoorde in het politieke leven tot de revolutionaire 'tachtigers', de groep beginselvaste 'mannenbroeders' die tot in de jaren vijftig haar stempel drukte op de bewogen geschiedenis van de ARP. Roosjen stond algemeen bekend als een beminnelijk en geestig man, met een tolerante geest, die polarisatie zoveel mogelijk vermeed. Tijdens zijn loopbaan als parlementariër was hij geruime tijd vice-voorzitter van de AR-kamerfractie, tot hij medio 1963 het kamerlidmaatschap moest neerlegen, omdat hij wegens zijn leeftijd niet meer kandidaat gesteld werd. Daarnaast vervulde hij van 1950 tot april 1971 de functie van ondervoorzitter van de ARP, in welke hoedanigheid hij verscheidene malen als waarnemend voorzitter optrad. Op 19 juni 1971 werd hij als erelid van de ARP geïnstalleerd.

In de naoorlogse jaren speelde Roosjen een belangrijke rol in het vaderlandse omroepwezen. Op 15 juli 1948 werd hij, als opvolger van A. van der Deure, benoemd tot voorzitter van de Nederlandse Christelijke Radio Vereniging (NCRV), een omroepvereniging die vanzelfsprekend altijd al zijn sympathie had gehad. In oktober 1951 nam hij plaats in het bestuur van de eerder in dat jaar opgerichte Nederlandse Televisie Stichting (NTS), waarvan hij na enige jaren vice-voorzitter werd. Bovendien was hij vanaf 1948 bestuurslid en met ingang van 1959 voorzitter van de Nederlandse Radio Unie (RNU), waarin hij, evenals in de NTS, de NCRV vertegenwoordigde. In de jaren zestig vond een herstructurering van het omroepbestel plaats. Onder andere werden de taken van de NRU verruimd. Op aandrang van M. Vrolijk, minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, werd Roosjen per 1 januari 1966 door de Kroon benoemd tot voorzitter van de NRU 'nieuwe stijl', nadat hij eind 1965 zijn bestuursfuncties bij de NCRV en de NTS had neergelegd. Het bestaan van de NRU 'nieuwe stijl' zou slechts van tijdelijke aard zijn. Op 29 mei 1969 ging deze organisatie te zamen met de NTS op in de nieuw opgerichte Nederlandse Omroep Stichting (NOS). Voor Roosjen was dit het ogenblik om zich uit de omroepwereld terug te trekken.

Ondanks de genoemde werkzaamheden vond Roosjen nog de tijd zich als bestuurslid in te zetten voor verscheidene verenigingen en organisaties op velerlei terrein, terwijl hij voorts een actief aandeel had in het kerkelijk leven. Alhoewel hij Aalsmeer reeds op jeugdige leeftijd had verlaten, heeft hij de banden met zijn geboorteplaats nooit verbroken.

Een groot deel van zijn leven was hij journalistiek medewerker en vanaf 1954 tevens president-commissaris van de aldaar gevestigde drukkerij-uitgeverij 'De Nieuwe Meerbode', die een gelijknamig protestants-christelijk streekorgaan uitgeeft, waarvan Roosjens vader medeoprichter was. Zowel in zijn redactionele commentaren in De Nieuwe Meerbode - ondertekend met A.B.R. -, als in andere artikelen van zijn hand, trok Roosjens schrijfstijl steeds de aandacht door het veelvuldig gebruik van citaten, bijbelspreuken en gedichtjes. Toen in 1959 het oud-kamerlid Chr. van den Heuvel overleed nam Roosjen ook diens functie van hoofdredacteur over. Deze functie bleef hij tot zijn overlijden in 1978 vervullen.

A: Collectie-A. B. Roosjen onder berusting van ds. T.H. Attema-Roosjen te Leiderdorp.

P: Reorganisatierapport en ontwerpstatuten [der] Antirevolutionaire partijstichting ('s-Gravenhage, [1954]); Strijdvaardig. Redevoeringen door W.P. Berghuis en A.B. Roosjen gehouden op de Deputatenvergadering van 23 maart 1963 ('s-Gravenhage, [1963]); Geen gezapige rust. Openingsrede Partij Convent van 17 juni 1967 te Utrecht ('s-Gravenhage, [1967]).

L: Bibeb, 'Mr. A.B. Roosjen', in Vrij Nederland, 4-10-1969; Ton van der Hammen, 'Meester Roosjen' is met zijn afscheid bijna rond', in Trouw, 9-3-1971; W.M. [= W. Muijs], 'Mr. A.B. Roosjen 13 september 80 jaar'en B.W. Biesheuvel,'Roosjen en de politiek', in De Nieuwe Meerbode, 13-9-1974; A. Veerman, 'Mr. A.B. Roosjen één van ons' en W. Aantjes, 'Herinneringen aan Roosjen', in Nederlandse Gedachten, 24-6-1978; Doeko Bosscher, Om de erfenis van Colijn (Alphen a.d. Rijn,[1980]).

I: Beeldbank van het Nationaal Archief in Den Haag [Foto: Harry Pot; Collectie ANEFO; Roosjen in maart 1962].

A.W.J. de Jonge


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013