Ruijs, Jacob Adolf (1877-1971)

 
English | Nederlands

RUIJS, Jacob Adolf (1877-1971)

Ruijs, Jacob Adolf (bekend onder de naam Ruys), koopman (Hollandscheveld, gem. Hoogeveen 6-7-1877 - Wassenaar 23-2-1971). Zoon van Albertus Johannes Ruijs (bekend onder de naam Ruys), Ned. Herv. predikant, en Dorothea Voorhoeve.

Ruys was een verwijderd familielid van het bekende Rotterdamse scheepvaartgeslacht. Hij doorliep het stedelijk gymnasium te Leiden. Nadat door loting was uitgemaakt dat zijn broer kon gaan studeren, verliet Jacob Adolf in 1895 Oegstgeest - de laatste standplaats van zijn vader - en ging naar Rotterdam als handelsbediende, waar hij in huis kwam bij zijn oom J.A.C. Voorhoeve, in hetzelfde geestelijke klimaat. Met behulp van de Voorhoeves en andere relaties werd door hem in 1904 de naamloze vennootschap J.A. Ruys' Handelsvereeniging opgericht met een aanvankelijk geplaatst kapitaal van f 25.000,-, waarin hijzelf voor f 5000,-deelnam. Zij stelde zich in het bijzonder de handel in Hammondschrijfmachines ten doel. (Bijvoegsel nr. 36 van de Nederlandsche Staatscourant, 17-1-1905, nr. 14). Later knoopte hij nauwe banden aan met het Italiaanse concern Olivetti. Uit dit bescheiden begin zou een miljoenenzaak groeien.

Reeds vroeg werd Ruys als burger van de stad Rotterdam betrokken bij activiteiten die buiten zijn eigenlijk handelsbedrijf lagen, en daarbij bewees hij de stad een grote dienst. Hier vond tegen het einde van 1905 de oprichting plaats van een Vereeniging voor Voortgezet Handelsonderwijs, die in 1906 avondcursussen begon te organiseren. Voorzitter was een bekend graanhandelaar C.A.P. van Stolk, terwijl Ruys als secretaris optrad. Ongeveer in dezelfde tijd trachte W.C. Mees, later oprichter-directeur van een scheepshypotheekbank, een inrichting voor hoger handelsonderwijs te Rotterdam in het leven te roepen. Zowel burgemeester A.R. Zimmerman als de invloedrijke voorzitter van de Kamer van Koophandel & Fabrieken A. Plate stond echter afwijzend, en diens in 1908 opgetreden opvolger E.P. de Monchy evenals zijn ondervoorzitter Phs. van Ommeren jr. brachten het niet verder dan een tegenover de jeugd vergoelijkend scepticisme. Ook Van Stolk achtte het plan destijds niet voor verwezenlijking vatbaar. Toen hij daarover sprak met zijn secretaris Ruys, die omstreeks de jaarwisseling 1912/1913 teruggekeerd was van een zakenreis in het toenmalige Nederlands-Indië, waar de firma handelsrelaties onderhield en o.a. rubbercultures exploiteerde, wist deze vertegenwoordiger van de 'impetueuse jeugd' de bedachtzame oudere man tot optimistischer gedachten te brengen. Samen sloten zij zich met W.C. Mees aaneen tot een driemanschap, dat geleidelijk beweging in hun streven wist te verkrijgen. Op 29 april werd de 'Vereniging tot oprichting eener Nederlandsche Handels-Hoogeschool' gesticht. Mees en Ruys werden van het voorlopig bestuur de secretarissen. Op 2 augustus 1913 wees de juist opgetreden Raad van Beheer een dagelijks bestuur aan, waarvan Ruys het eerste voorzitterschap tot 1918 zou bekleden; daarna was hij tot 1940 lid van de Raad van Beheer. In het algemeen bestuur hield hij zitting tot 1948. Deze bescheiden en rustige man had, indachtig zijn adagium 'Eerlijkheid en arbeidzaamheid', een daad gesteld die in haar consequenties van onwaardeerbare betekenis voor Rotterdam zou blijken te zijn.

Ondertussen was het Haagse filiaal van zijn onderneming eind 1922 hoofdzetel geworden, o.a. omdat daar over betere huisvesting kon worden beschikt. Ruys is dan ook daarom in 1925 naar Den Haag verhuisd. Tot ongeveer 1948 bleef hij directeur van zijn onderneming, waarna door hem nog tot 1964 als commissaris medegewerkt werd.

L: J.H. Stuyvenberg, De Nederlandsche Economische Hoogeschool 1913-1963 (Rotterdam [enz.], 1963); W.C. Mees, 'Mijn herinnering aan de oprichting van de Nederlandsche Handelshoogeschool', in Rotterdams Jaarboekje 7e reeks 2 (1964)141-159.

W.F. Lichtenauer


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013