Ruijs van Beerenbroek, jhr. Gustave Lodewijk Marie Hubert (1842-1926)

 
English | Nederlands

RUIJS VAN BEERENBROEK, jhr. Gustave Lodewijk Marie Hubert (1842-1926)

Ruijs van Beerenbroek, jhr. Gustave Lodewijk Marie Hubert (verbetering van geslachtsnaam in geboorteakte bij vonnis Arr. Rb. te Roermond van 21-3-1895 in Ruijs de Beerenbrouck), minister van Justitie en commissaris des Konings (Roermond 26-9-1842 - kasteel Wolfrath, gem. Bom 6-2-1926). Zoon van jhr. Karel Edmond Marie Ruijs van Beerenbroek, grondbezitter en lid van Gedeputeerde Staten van Limburg, en jkvr. Carolina Maria Bernardina van Aefferden (postume verbetering van voornaam bij vonnis Arr. Rb. van 21-3-1895 in Charlotte Maria Bernardina). Gehuwd op 8-10-1872 met zijn Belgische nicht jkvr. Marie Isabelle Louise Ruys de Beerenbrouck. Uit dit huwelijk werden 1 zoon, de latere minister Charles Joseph Marie, en 1 dochter geboren. afbeelding van Ruijs van Beerenbroek, jhr. Gustave Lodewijk Marie Hubert

Ruijs studeerde, na zijn middelbare studie aan het atheneum te Maastricht voltooid te hebben, rechten te Leiden, waar hij in 1865 promoveerde op stellingen. Van 1865 tot 1867 was hij advocaat te Maastricht. Op 25-jarige leeftijd werd hij substituut-officier van justitie te Roermond en tien jaar later, in 1877, rechter in de arrondissementsrechtbank te Maastricht tot 1888, in welk jaar hij tevens korte tijd - tot aan zijn ministerschap - er vice-president van was. Van 1880 tot 1888 was hij lid van de Maastrichtse gemeenteraad. In december 1880 werd hij bovendien in het hoofdkiesdistrict Maastricht na het overlijden van de 84-jarige C.A. baron De Bieberstein Rogalla Zawadsky tot lid der Tweede Kamer gekozen, waarvan hij deel uitmaakte tot de ontbinding in maart 1888 in verband met het nieuwe kiesreglement.

Hij behoorde tot de generatie Limburgse kamerleden die - in tegenstelling tot hun voorgangers -geen sympathie meer hadden voor het liberalisme, en de liberalen verweten afkeer te hebben van het bijzonder onderwijs en waardering voor de Italiaanse aanvallen op 's pausen wereldlijke macht. Ruijs was een conservatief katholiek, die tegen persoonlijke dienstplicht en voor handhaving van het remplaçantenstelsel was. Hij toonde zich tevens tegenstander van een ruime uitbreiding van het kiesrecht. Hij kwam vooral op voor de belangen van het bijzonder onderwijs. Wegens zijn actief optreden en weldoordacht spreken werd hij vooral door zijn Limburgse, maar ook door andere katholieke collega's vaak als woordvoerder gebruikt, bepaaldelijk wanneer zij het niet eens waren met het optreden van de overheersende Herman Schaepman. Ruijs ijverde overigens - evenals Schaepman, en evenzo aanvankelijk zonder veel succes - voor meer eendracht onder de katholieke kamerleden. Zijn sociaal gevoelen kwam tot uiting in 1886 bij zijn medewerking aan het voorstel een enquête te houden naar de toestanden in fabrieken en werkplaatsen, in het bijzonder betreffende de vrouwenen kinderarbeid. De enquêtecommissie, waar hij deel van uitmaakte, bracht schokkende misstanden aan het licht. Het stembussucces van antirevolutionairen en katholieken in de verkiezingen van 1888 maakte het eerste 'christelijke' of coalitiekabinet mogelijk, en wel onder leiding van Æ . baron Mackay. In dit kabinet nam Ruijs op 21 april 1888 de portefeuille van Justitie op zich. Zijn belangrijkste prestatie werd de arbeidswet van 1889, de eerste grote sociale wet in Nederland en een direct gevolg van de enquête van 1886. De wet beperkte of verbood vrouwen- en kinderarbeid en legde bovendien de grondslag voor de arbeidsinspectie. Niet in behandeling kwam zijn ontwerp dat de arbeider de volle beschikking over diens loon wilde verzekeren. Na het overlijden van Willem III werd hij lid van de voogdijraad over Wilhelmina. In deze functie bouwde hij een langdurige vertrouwensrelatie op met vele leden van het Oranjehuis, in het bijzonder met koningin Wilhelmina. Na het aftreden van het kabinet in augustus 1891 werd hij in het district Roermond tot kamerlid gekozen en op 27 september 1892 tot voorzitter van de katholieke kamerfractie, 'De Vereeniging van Roomsch-Katholieke leden der Tweede Kamer der Staten-Generaal'.

Op 1 november 1893 legde Ruijs zijn politieke functies neer wegens zijn benoeming tot commissaris der Koningin in Limburg, daar gouverneur genoemd. Onder zijn bewind ontwikkelde vooral Zuid-Limburg zich van landbouw- tot industriegebied, ofschoon de gouverneur meer belangstelling had voor de agrarische ontwikkelingen. Hem werd dan ook verweten te voorzichtig en te conservatief te zijn op het punt van de mijnpolitiek. Ter bevordering van de landbouw was hij zeer actief in de Nederlandsche Heidemaatschappij, waarvan hij van 1907 tot 1923 voorzitter en van 1900 tot zijn dood toe commissaris bleef. In 1899 bracht hij bovendien de fusie tot stand tussen de Christelijke Limburgsche Boerenbonden de Limburgsche Maatschappij van Landbouw tot de Limburgsche Landbouwbond. Ook was hij van 1908 tot 1918 voorzitter van de Koninklijke Landbouwvereeniging.

Als gouverneur was hij, ondanks zijn sociaal medegevoel, niet zeer populair; daarvoor was hij te veel de regent en in zijn contact met de 'gewone man' te stroef en steil. Afgemeten, bijna bijtend sprak hij de mensen toe. Diepe vroomheid en grote Oranjeliefde kenmerkten zijn doen en laten. Hij werd gekarakteriseerd als 'een kleine koning, die als ware hij een Middeleeuwsch souverein binnen zijn heerscherskring de banden tussen het geestelijk en burgerlijk gezag zoo nauw mogelijk heeft aangehaald' (Geurts, V, 263). Zijn invloed op het benoemingsbeleid, bijv. van burgemeesters, was zeer groot. Alleen goed-katholieke functionarissen wilde hij benoemd zien. Ook op openbare scholen probeerde hij, binnen het wettelijk mogelijke, een katholiek karakter aan het onderwijs te geven. Van de andere kant echter bracht hij in 1914, o.a. met zijn zoon, een protestactie binnen de kerk op gang tegen de ketterjacht van de zg. integraal-katholieken op allen die verdacht werden van een open en conciliant katholicisme. Naast zijn gouverneurschap was hij vanaf de oprichting in 1899 lid van het Permanent Internationaal Hof van Arbitrage in Den Haag. Ook de landelijke politiek bleef zijn belangstelling houden. In 1901 was Abraham Kuyper van plan hem als minister op te nemen in zijn kabinet. Schaepman hield dit tegen, omdat Ruijs de Kamer niet meer kende en niet overweg zou kunnen met de socialisten. Bij de kabinetsformatie van 1905 vroeg de Koningin Ruijs advies.

In mei 1918 legde hij zijn functie als gouverneur neer. In hetzelfde jaar aanvaardde Ruijs de post van curator van de Landbouwhogeschool in Wageningen. Zijn laatste levensjaren bracht hij door op het kasteel Wolfrath te Holtum, gemeente Born.

A: Een persoonlijk archief van Gustave Ruijs is niet bewaard gebleven. Brieven van hem aan A. Schimmelpennick en aan zijn zoon Charles (familiearchief-Ruijs de Beerenbrouck) bevinden zich in het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage.

L: Behalve herdenkingsartikelen in De Tijd, 8-2-1926 t/m 13-2-1926 en in De Maasbode, 7-2-1926:P. Geurts, Gestalten en gedachten (Amsterdam, 1924-1926) I, 232-236; V, 260-263; F.B.L. [ = Löhnis], in Tijdschrift der Nederlandsche Heidemaatschappij 38 (1926) 65-67; J.H.J.M. Witlox, Schaepman als staatsman (Amsterdam, 1960. 3 dl.); L. G. Karper, Foto 's met korte levensschetsen van de 21 ministers van justitie... 2e dr. (Den Haag, [1983]) 28.

I: L.G. Karper, De 21 Ministers van Justitie naar wie de vergaderzalen zijn vernoemd (Den Haag 1983) 28.

G.A.M. Beekelaar


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013