Sanders, Theodorus (1847-1927)

 
English | Nederlands

SANDERS, Theodorus (1847-1927)

Sanders, Theodorus, civiel en bouwkundig ingenieur (Amsterdam 27-11-1847 - Lyme Grove, Knowsley, Lancashire (Engeland) 23-6-1927). Zoon van Theodorus Sanders, makelaar, en Adriana Cornelia Holster. Gehuwd op 1-9-1887 met Catharina Huidekoper. Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren. afbeelding van Sanders, Theodorus

Sanders behaalde in 1873 aan de toenmalige Polytechnische School te Delft de diploma's van civiel en bouwkundig ingenieur, waarna hij nog een jaar architectuur studeerde in Wenen. In 1875 vestigde hij zich vervolgens als architect in zijn geboortestad. Daar en elders ontwierp en bouwde hij verscheidene gebouwen. Ook stedebouwkundige projecten, zoals dat voor de aanleg van de Raadhuisstraat in Amsterdam, werden door hem opgemaakt, al is het hier genoemde plan eerst veel later door de gemeente uitgevoerd. Als compagnon nam Sanders in 1885 de jonge H.P. Berlage in zijn bureau op, aan wie hij steeds meer het architectonische gedeelte van zijn bouwwerken overliet omdat zijn eigen belangstelling meer uitging naar het maken van plannen voor en het aanleggen van (stoom)tram- en spoorlijnen. Reeds in 1880 had hij een groots plan opgesteld voor de aanleg van een net van stoomtramwegen in en rond de hoofdstad, met een lijn naar Zandvoort, maar voor plannen van een dergelijke omvang bleek de tijd nog niet rijp. Alleen de lijn Amsterdam-Sloterdijk en een paardetramlijn in Zandvoort werden werkelijk aangelegd. Zijn volgende plan was bescheidener van opzet en had meer succes: hij vroeg concessie voor de aanleg van een stoomtramlijn Amsterdam-N. naar Edam, die hem in 1883 werd verleend en door hem werd ondergebracht in de Noord-Hollandsche Tramweg Mij. (NHTM). In 1888 werd de lijn geopend. De resultaten vielen echter zodanig tegen, dat Sanders, aanvankelijk gedelegeerd commissaris, in 1892 zelfde directie op zich nam om de zaak weer in het juiste spoor te brengen. Dit lukte hem in vrij korte tijd door zuinig beheer, verbetering van het dienstbetoon en door de aanleg van een zijlijn naar Purmerend en Alkmaar, die in 1895 gereed kwam.

Voordat hij als directeur van de NHTM ging optreden had Sanders al de nodige ervaring opgedaan met het aanleggen van spoorlijnen. In 1883 was in Italië een maatschappij opgericht om een smal-spoorlijn aan te leggen rond de vulkaan de Etna op Sicilië, de Gircum Etnea. Door allerlei moeilijkheden stagneerde de aanleg van de lijn, en de voornamelijk Nederlandse geldschieters, bezorgd voor hun investering, vroegen Sanders de aanleg over te nemen. Hij accepteerde en vertrok in 1890 naar Catania om van daaruit de bouw van de spoorlijn te leiden. Door zijn grote vakkenis en werkkracht was het werk in twee jaar gereed en kon de lijn in 1892 worden geopend.

In zijn Waterlandse tijd was Sanders ook nog als adviseur en waarnemend directeur betrokken bij de oprichting en aanleg van de Tramweg Mij. 'De Mijerij', Veghel-Eindhoven-Reusel (Belgische grens) in de jaren van 1894 tot 1897. Ook andere trambedrijven vroegen hem vaak om advies, omdat hij bekend stond als een groot kenner van tramwegen en alles wat daarmee samenhing. Zijn bijnaam 'Tram-Sanders' sprak voor zich. Zo gaven B en W van Amsterdam hem in 1896 de opdracht een elektrisch stadstramnet te ontwerpen, wat hem ruim een jaar gekost heeft, maar waarvan de gemeente tot zijn teleurstelling niet het gebruik maakte dat hij verwacht had.

De grootste teleurstelling van zijn leven zou echter de affaire van de Hollandsche Electrische Spoorweg Mij. (HESM) worden. De plannnen voor spoor-en tramverbindingen van de hoofdstad met het omringende platteland hadden Sanders niet losgelaten, en in 1893 kwam hij met een project voor een net van lijnen in de Haarlemmermeer met als hoofdlijn een elektrische lokaalspoorweg Amsterdam-Haarlem. Sanders wilde wel samenwerken met de Hollandsche Spoorweg (HSM), maar deze maatschappij, beducht voor concurrentie op haar stamlijn, stelde allerlei lastige eisen, waardoor Sanders ten slotte gedwongen werd zonder de HSM door te gaan en elders steun te zoeken, vooral bij de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen (SS), die maar al te graag bereid waren hun grootste concurrent een hak te zetten. De concessie voor de lijn Amsterdam-Haarlem, met een paar zijlijnen in de Haarlemmermeer, werd Sanders in 1897 verleend en vervolgens ingebracht in de in 1898 opgerichte HESM. Leden van de Raad van Beheer van de nieuwe maatschappij werden Sanders, R. Kolle van de Allgemeine Elektrizitäts Gesellschaft te Berlijn, en W. Verwey Azn., hoofdingenieur van de SS. Vooral de aanwezigheid van de laatste moest de HSM wel achterdochtig maken, en toen uit de nadere plannen van de HESM voor een aansluiting aan de SS bij Duivendrecht bleek dat men zo de SS in Haarlem zou binnenlaten, besloot de HSM in te grijpen. De grote man van de HSM, A.K.P.F.R. van Hasselt, gedelegeerd lid van de Raad van Administratie, en zeer goed thuis in Amsterdamse beurskringen, wist in 1901 alle nog niet geplaatste aandelen van de HESM van het bankiershuis Labouchere Oijens & Co. ondershands op te kopen. Verwey en Sanders namen verontwaardigd ontslag en werden vervangen door HSM-mensen, hoewel men Sanders wel verzocht aan te blijven. Hij was echter woedend over de gang van zaken en luchtte zijn hart in brochures en artikelen en spande zelfs een geding aan tegen Labouchere Oijens om de verkoop van de spoorweg ongedaan te maken. De Amsterdamse rechtbank verklaarde echter zijn eis in 1902 niet ontvankelijk, en ook in hoger beroep verloor hij zijn zaak in het volgende jaar. Deze teleurstelling heeft Sanders moeilijk kunnen verwerken. Hij trok zich terug uit al zijn functies, ook uit Provinciale Staten van Noord-Holland, waarvan hij sinds 1898 deel uitmaakte, en verhuisde naar Amersfoort. Daar was hij nog een korte tijd raadslid en wethouder van openbare werken (1909/1910), maar ook dat schonk hem geen bevrediging. Hij verhuisde opnieuw, aanvankelijk naar Oegstgeest, en later, toen hij oud en ziek was, met zijn zoon naar Engeland, waar hij ten slotte overleed.

Sanders was misschien te veel idealist en te weinig zakenman, zodat hij tussen de botsende belangen van de beide grote spoorwegmaatschappijen bekneld is geraakt. Ook de SS, die grote verontwaardiging veinsde over de handelwijze van Van Hasselt, had Sanders alleen maar gebruikt als een pion in de strijd tegen de HSM. Sanders heeft dit zelf te weinig ingezien. Zijn idealisme en sociaal gevoel bleken ook op geheel ander terrein, bij voorbeeld uit zijn steun aan het neomalthusianisme en aan allerlei organisaties voor zedelijke opvoeding en verbetering van het onderwijs.

P: Naast een selectieve bibliografie in onder L. genoemd artikel kunnen genoemd worden: 'Onze bouwkunst en de opleiding onzer architecten', in Vragen des Tijds 1878, II, 27-42; Stoomtrams. Beschouwingen over spoorwegen en trams, hunne verbindingen en aansluitingen, in verband met het ontworpen net van stoomtrams voor Amsterdam (Amsterdam, 1881); Een nieuw tramwegnet voor Amsterdam en omstreken (Amsterdam, 1885); 'Wetgeving op tramwegen', in Vragen des Tijds 1888, II, 169-202; De toekomst der spoorwegen in Nederland (Amsterdam, 1892); 'De ontwikkeling der tramwegen in Nederland', in Gedenkboek. Uitgegeven ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs, 1847-1897 ['s-Gravenhage, 1897] 72-76; Het spoorwegverkeer Amsterdam-Rotterdam en de verkoop der beide electrische spoorwegen (Amsterdam, 1901); 'Misstappen op spoorweggebied', in Vragen des Tijds 1902, II, 334-369.

L: R.A. van Sandick, in De Ingenieur 42 (1927) 1114-1118.

I: De Ingenieur 42 (1927) 1114.

A.J. Veenendaal jr.


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013