Scheffer, Frans Eppo Cornelis (1883-1954)

 
English | Nederlands

SCHEFFER, Frans Eppo Cornelis (1883-1954)

Scheffer, Frans Eppo Cornelis, scheikundige (Veendam 9-6-1883 - Voorburg 27-7-1954). Zoon van Johan Daniel Reinier Scheffer, schoolopziener, en Maria Martha Geertsema. Gehuwd op 21-12-1940 met Emilie Dunker. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Scheffer, Frans Eppo Cornelis

Scheffer doorliep de HBS in Breda, legde in 1900 het eindexamen af en behaalde het jaar daarop tevens het einddiploma gymnasium. Hierna ging hij scheikunde studeren aan de Universiteit van Amsterdam, waar het onderwijs in deze tak van wetenschap juist een bloeiperiode beleefde: H.W. Bakhuis Roozeboom verrichtte er baanbrekend werk op het gebied van de fasenleer en J.D. van der Waals sr. droeg onder meer belangrijk bij tot de toepassing van de thermodynamica op dit terrein. Beiden hadden op Scheffers wetenschappelijke vorming grote invloed. Van D.J. Korteweg, die bijdroeg tot de mathematische formulering van de fasenleer, ontving Scheffer zijn wiskundige scholing. In 1906 legde Scheffer cum laude het doctoraal examen af. Onder leiding van H. W. Bakhuis Roozeboom ving hij aan met zijn dissertatie, die onder diens opvolger A. Smits werd voltooid. Op 12 mei 1909 volgde de promotie cum laude op een proefschrift: Heterogene evenwichten bij dissocieerende verbindingen. Van 1907 tot 1916 was hij assistent en hoofdassistent op het laboratorium van Smits. In 1910 werd hij aan de Universiteit van Amsterdam toegelaten als privaatdocent in de reactiekinetica; zijn openbare les, gehouden op 14 oktober 1910, was getiteld Over snelheden en evenwichten en hun onderling verband. Na reeds vanaf 1910 tijdelijk leraar bij het middelbaar onderwijs geweest te zijn, werd hij in 1916 benoemd tot leraar aan de 2e HBS te Amsterdam. In 1917 volgde zijn benoeming tot hoogleraar aan de Technische Hogeschool te Delft in de anlytische scheikunde (naast H. ter Meulen). Op 16 november 1917 aanvaardde hij dit ambt met een oratie: De beteekenis van de physische chemie voor den analyticus. In 1920 werd zijn leeropdracht omgezet in anorganische chemie. Tevens doceerde hij naast W. Reinders ook de fysische chemie.

De titels van zijn dissertatie (1909) en openbare les in Amsterdam (1910) markeren de twee gebieden waarop Scheffers eigen onderzoek vooral betrekking had: reactiekinetiek en fasenleer. Op het eerste gebied, de snelheid van chemische reacties betreffende, werkte Scheffer eerst samen met Ph.A. Kohnstamm (ca. 1910); later onderzoek geschiedde in samenwerking met W.F. Brandsma (1926). Scheffers experimentele bepaling van en theoretische discussies over de invloed van energie en entropie op de snelheid van chemische reacties hebben veel bijgedragen tot een beter begrip van de invloed die de temperatuur op het verloop van eenvoudige en meer gecompliceerde reacties heeft. Scheffers resultaten op dit gebied zijn te beschouwen als voorlopers van H. Eyrings theorie der 'absolute reaction rates'. Het zwaartepunt van zijn onderzoek lag echter op het gebied van de fasenleer, waaraan hij vele zeer belangrijke bijdragen heeft geleverd. De laatste, na 1948 verricht met o.a. G.A.M. Diepen en C.A. van Gunst, hadden betrekking op de oplosbaarheid van vaste stoffen in superkritisch gas en hebben geleid tot een nieuwe, technisch belangrijke fysisch-chemische scheidingsmethode (scheiding van mengsel van vaste stoffen).

Scheffer had bijzondere doceergaven. Hij vormde een eigen school en onder zijn leiding werden 26 dissertaties voltooid. Zijn wetenschappelijk werk was geheel in de lijn van dat van zijn Amsterdamse leermeesters. Hij bouwde daarop voort met kritische geest, pijnlijke nauwgezetheid en grote werkkracht. Afwijzend stond hij echter tegenover de nieuwe ontwikkelingen in de fysische chemie en hij betreurde het dat de fasenleer op de achtergrond geraakte. Dank zij hem bleef in Delft de fasenleer voor de chemicus een van de hoofdvakken. Hij schreef er een tweetal leerboeken over: Toepassingen van de thermodynamica op chemische processen [1946] en Heterogene evenwichten in unaire en binaire stelsels [1953]. Zijn hoogleraarschap bracht hem vele malen in aanraking met industriële problemen.

Hij was o.a. adviseur van het Amsterdamse laboratorium van de Bataafsche Petroleum Maatschappij. Kenmerkend voor hem was dat hij dergelijke adviseurschappen geheel in dienst stelde van de Technische Hogeschool en zijn leerlingen.

Zijn wetenschappelijke verdiensten vonden erkenning in een doctoraat honoris causa aan de Universiteit van Gent (1936) en benoeming tot lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (1950). In 1953 volgde het emeritaat, waarvan hij slechts één jaar zou profiteren. Bij zijn afscheidscollege (26 juli 1953) werd de stichting van het Schefferfonds aangekondigd dat - dank zij de steun van een aantal industrieën - ten doel had bijna afgestudeerde of jonge ingenieurs in de gelegenheid te stellen onderwerpen uit de fasenleer te bewerken.

P: Chemisch Weekblad 50 (1954) 627-629.

L: H.J. Rijks, 'Afscheid van Prof. Dr. F. E. C. Scheffer', in Chemisch Weekblad 49 (1953) 505-506; G. Meyer, ibidem 50 (1954) 625-627; M.W. Woerdeman. Verslag van de gewone vergadering der afdeling natuurkunde van 26 juni 1954 der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 63 (1954)158-159.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 1296.

H.A.M. Snelders


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013