Schouten, Johannes (1883-1963)

 
English | Nederlands

SCHOUTEN, Johannes (1883-1963)

Schouten, Johannes, politicus (Maassluis 12-8-1883 - Rotterdam 9-9-1963). Zoon van Dirk Schouten, schipper, en Johanna Schep. afbeelding van Schouten, Johannes

Schouten groeide op in een gezin met elf kinderen. Na de lagere school te hebben doorlopen werkte hij tot zijn militaire diensttijd in de bloemisterij van een oom. In zijn vrije tijd volgde hij cursussen boekhouden. De middelbare akte, behaald in 1908, was de kroon op deze studie. Van veel meer belang dan Schoutens carrière in het zakenleven, die uitmondde in het directeurschap van de NV Rotterdamsche Boaz-Bank, is zijn politieke loopbaan geweest.

Schouten maakte kennis met de politiek in de antirevolutionaire kiesvereniging te Maassluis, waar hij al op jeugdige leeftijd zijn gezicht liet zien. Ook in de jongelingsvereniging, bekende kweekplaats van aankomend gereformeerd politiek talent, was hij actief. Na te zijn verhuisd naar Rotterdam werd hij in 1916 voor de gemeenteraad van die stad gekandideerd en verkozen. Een jaar later kreeg hij tevens zitting in de Zuidhollandse Staten en in het daaropvolgende jaar werd hij lid van de Tweede Kamer. Met een zeer korte onderbreking is Schouten tot 1931 het raadswerk naast zijn kamerlidmaatschap blijven doen, van 1925 tot 1927 als wethouder van Financiën.

Binnen de Tweede-Kamerfractie steeg zijn ster zeer snel en daardoor kreeg hij ook in de partij meer aanzien. In 1933 werd hij - derde in de partijhiërarchie - fractievoorzitter en partijvoorzitter toen H. Colijn en J.A. de Wilde als minister toetraden tot het door Colijn geformeerde brede-basiskabinet. De officiële partij geschiedenis rept liever van een 'waarnemend' voorzitterschap van de Anti-Revolutionaire Partij (ARP), want voorzitter suo jure kon Schouten natuurlijk pas worden nadat Colijn van het toneel verdwenen was - deze stierf in 1944 -en De Wilde in hem zijn meerdere (gemeten naar politiek inzicht en naar populariteit) had moeten erkennen.

Veel meer dan zijn voorganger Colijn was Schouten een typische representant van het milieu waaraan hij politiek leiding gaf, een milieu dat Colijn in de loop van zijn carrière meer en meer ontsteeg. De christelijke coalitie, die de Nederlandse politiek tussen de wereldoorlogen beheerste en waarin de ARP de boventoon voerde, lag Schouten zeer na aan het hart. In 1937 ontstond er tussen hem en Colijn een verschil van mening over de signatuur van het na de verkiezingen te vormen kabinet. Colijn wilde liefst doorgaan met de brede basis van 1933 (ARP, Christelijk-Historische Unie (CHU), Rooms Katholieke Staatspartij (RKSP), Vrijzinnig Democratische Bond (VDB) en de Liberale Staatspartij De Vrijheidsbond), terwijl Schouten een terugkeer tot de christelijke grondslag bepleitte. Schouten zag scherper dan Colijn dat de RKSP, met haar brede arbeidersaanhang, in die tijd van sociale nood samenwerking met de liberalen steeds moeilijker tegenover haar achterban kon verantwoorden. De ARP moest dus een keuze maken tussen één van beide partijen; wat Schouten betrof moest die keus in het voordeel van de katholieken uitvallen. Colijn ontweek dit probleem. Het is de daardoor ten slotte onvermijdelijk geworden breuk tussen de ARP en de RKSP geweest die de antirevolutionairen in 1939 in de oppositie deed belanden.

De Tweede Wereldoorlog deed Schoutens uitzonderlijke leiderscapaciteiten én zijn principiële instelling pas goed uitkomen. Hij zorgde voor de opbouw van een schaduwpartij, die na de al vroeg voorziene golf van arrestaties ondergronds aan het werk kon gaan. Zijn onverzettelijkheid in de strijd tegen het Duitse schrikbewind stak scherp af tegen de houding van Colijn, die zichzelf na de publikatie van zijn brochure Op de grens van twee werelden (Amsterdam, 1940) weliswaar hervond, maar toch voor veel, vooral jongere, antirevolutionairen van zijn voetstuk was gevallen. Juist onder deze jongeren verwierf Schouten een immens prestige, ook vanwege zijn vroegere verzet tegen Colijns neiging de eenheid van de christelijke coalitie ondergeschikt te maken aan samenwerking met de liberalen, waarvan de betekenis tot velen pas laat doordrong. Zo werd hij degene die door zijn optreden een brug sloeg tussen twee generaties in de ARP: de oudere, waartoe hij zelf behoorde, en de jongere, die in de illegaliteit naar voren kwam. Niet alle grote verwachtingen heeft Schouten uiteindelijk waargemaakt. Hij hielp een aantal veelbelovende jongeren na de oorlog - tijdens welke hij zelf langdurig geïnterneerd was geweest, o.a. in het concentratiekamp Mauthausen - hun weg vinden naar de kaderfuncties in de partij. Van hun kant werd nooit kritiek gehoord, maar naast deze groep manifesteerde zich een beweging van jonge antirevolutionairen, eveneens met een fraaie staat van dienst uit de oorlog gekomen, die meenden dat de ARP zich in haar program en in haar beleid te weinig losmaakte van het tijdvak-Colijn. Schouten werd kwalijk genomen dat hij de partij liet vastlopen in steriele oppositie tegen daden van de regering in plaats van een alternatief te ontwikkelen, in de lijn van het Evangelie, dat ook de christelijke arbeiders zou kunnen aanspreken. Uit de nadruk op het eigen karakter van christelijke politiek blijkt dat Schouten en deze kritische jongeren ten aanzien van de zogenaamde 'doorbraak' niet met elkaar van mening verschilden. Slechts een te verwaarlozen aantal antirevolutionairen is na de oorlog overgegaan naar de Partij van de Arbeid (PVDA).

Tijdens de eerste naoorlogse Deputatenvergadering (= congres) van de ARP werd Schoutens partijvoorzitterschap pas officieel een feit. De partij (tot 22 juni 1955) en de fractie (tot de verkiezingen van 1956) leidde hij met ijzeren hand. Zijn optreden in de periode van 'herstel en vernieuwing' - de eerste jaren na 5 mei 1945 - is in het bijzonder op twee punten gekritiseerd: zijn behandeling van het door het verzetsblad Trouw, waarvan hij medeoprichter en medewerker was, ontwikkelde ideaal van een fusie tussen ARP en CHU tot Christelijke Volkspartij en zijn houding in de Indonesische kwestie. Schouten is vaak voor de voeten geworpen dat hij, in 1945/1946, een fusie tussen de grote christelijke partijen had geblokkeerd of (in het gunstigste geval) te weinig had gedaan om de gevoerde onderhandelingen tot een succes te maken. Inderdaad meende Schouten dat het ogenblik voor een definitief samengaan van ARP en CHU nog niet was aangebroken, maar men deed hem later onrecht door hem persoonlijk in gebreke te stellen voor de mislukking van het overleg. De feiten rechtvaardigen geen andere conclusie dan dat het de CHU is geweest die, om eigen redenen, een fusie of federatie heeft tegengehouden.

Zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog bewezen onverzettelijkheid demonstreerde Schouten opnieuw in de Indonesische kwestie (1945-1949). Van het eerste tot het laatste ogenblik keerde de ARP zich onder zijn leiding met hart en ziel tegen de revolutie die zich in de kolonie voltrok. Voor het nationalisme werd geen begrip opgebracht, van het onafwendbare proces naar onafhankelijkheid konden Schouten en de zijnen, meer vertrouwd met juridische dogmatiek dan met de geest van een opstand tegen 'wettig' gezag, alleen de destructieve kant zien.

Zeker tot 1952 was Schoutens gezag in de ARP onaantastbaar. Vanaf dat jaar - waarin de anti's tegen zijn advies in weer gingen deelnemen aan de regering, voor het eerst sinds de val van het vijfde Kabinet-Colijn in 1939 - kostte het hem meer moeite de partij bijeen te houden. De beslissing van de Tweede-Kamerfractie om ministers te leveren aan een kabinet waarin ook de PVDA (sterk) was vertegenwoordigd ontmoette zeer zware kritiek bij de rechtervleugel van de ARP. Schouten kreeg van die kritiek zijn deel. Hem werd verweten dat hij eraan had meegewerkt, of althans niet had voorkomen, dat de partij 'haar herkomst te grabbel gooide' (de woorden zijn van J.P.A. Mekkes, een woordvoerder van de verontrusten). Deze verwikkelingen hebben Schoutens aftreden als partij- en fractievoorzitter ongetwijfeld vervroegd, al speelde ook zijn gezondheid in zijn beslissing dienaangaande een rol. Van november 1956 tot september 1958 was hij lid van de Raad van State. In 1950 verleende de Vrije Universiteit deze grote zoon van de 'kleine luyden' een eredoctoraat in de rechtswetenschappen, een onderscheiding die Schouten waarschijnlijk meer dan enige andere op prijs heeft gesteld.

Schouten was de laatste in de rij van grote leiders van de ARP volgens de door A. Kuyper en Colijn gevestigde traditie. Zijn bijdrage aan de theoretische vormgeving van antirevolutionaire politiek bleef minimaal, al was uit de door hem gevolgde praktijk nauwkeurig af te lezen door welke beginselen hij zich liet leiden. Aan het begin van alles stond zijn rotsvaste geloof in de noodzaak - niet slechts het bestaansrecht - van principieel-christelijke staatkunde. Ten overstaan van die opdracht voelde deze bescheiden man zich werkelijk nietig.

A: Collectie-Schouten in Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme van 1800 tot heden (Vrije Universiteit).

P: Deputatenredes van Jan Schouten in: Geen Vergeefs Woord. Verzamelde Deputaten-redevoeringen (Kampen, 1951).

L: K. Groen, 'Johannes Schouten 1883 - 12 augustus 1958', in Bene Meritus. Bundel opstellen uit dankbaarheid opgedragen aan Doctor Johannes Schouten, ere-voorzitter van de Anti-Revolutionaire Partij ter gelegenheid van zijn vijf en zeventigste verjaardag (Kampen, 1958); D.F.J. Bosscher, Om de erfenis van Colijn. De ARP op de grens van twee werelden, 1939-1952 (Alphen a/d Rijn, [1980]); ARP. Personen en momenten uit de geschiedenis van de Anti-Revolutionaire Partij. Onder red. van C. Bremmer (Franeker, [1980]).

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 1326.

D.F.J. Bosscher


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013