Sierksma, Fokke (1917-1977)

 
English | Nederlands

SIERKSMA, Fokke (1917-1977)

Sierksma, Fokke (pseud. o.a. Frank Wilders), schrijver en godsdienstpsycholoog (Dantumawoude, gem. Dantumadeel 30-5-1917 - Leiden 22-8-1977). Zoon van Rijpke Sierksma, autodealer, en Janke Krol. Gehuwd op 28-1-1944 met Sjoukje Geertruida Tjepkema. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 1 dochter geboren. afbeelding van Sierksma, Fokke

Sierksma groeide op in een kerkelijk strijdbaar en orthodox gelovig milieu. Het geestelijk leven van dit gezin was georiënteerd op het evangeliesatiecentrum 'Rehoboth' te Aalsum en niet op de vrijzinnig gerichte Hervormde Gemeente van Dantumawoude. Geheel daarmee in overeenstemming genoot Fokke christelijk onderwijs: lagere school te Dokkum en 2 jaar mulo, vervolgens Gereformeerd Gymnasium te Leeuwarden. Hij was een scherpzinnige leerling, die toen reeds zijn twijfel aan de van zelfsprekendheid van het geloof zo scherp onder woorden kon brengen dat zijn leraar Nederlands over een opstel verontwaardigd van 'heidens' sprak. In 1936 ging Sierksma theologie in Groningen studeren. Later zou hij wel eens beweren door zijn ouders tot die studie te zijn gedreven, maar het moet in ieder geval worden betwijfeld of de studie echt met tegenzin werd beoefend. Nog tot zijn kandidaatsexamen, eind 1939, lijkt hij een loopbaan als hervormd predikant overwogen te hebben, terwijl hij nog op 2 april 1939 in de Herv. Gem. te Aalsum openbare belijdenis des geloofs aflegde. Van een echte geloofscrisis schijnt pas sprake te zijn geweest in de loop van de bezettingstijd.

De Duitse overval, kort na zijn kandidaatsexamen, betekende voor Sierksma een schok met ook voor hem diepgaande gevolgen. De studieplannen konden slechts in vertraagd tempo worden uitgevoerd en afgerond; het hoofdvaktentamen voor het doctoraal werd bij de door hem bewonderde hoogleraar G. van der Leeuw clandestien in het begin van 1944 behaald. Het examen werd pas eind 1945 afgelegd, maar toen was er reeds veel in zijn leven veranderd. Op 22 september 1941 ambtenaar aan de Buma-biliotheek te Leeuwarden geworden, kon hij in eigen onderhoud voorzien en dank zij de 'grüne Karte' van het werken in Duitsland vrijgesteld worden. Kort na zijn huwelijk werd Sierksma bovendien bij illegaal werk betrokken, aanvankelijk nog bij zg. duikwerk en het bezorgen van distributiekaarten en valse persoonsbewijzen. Maar nadat een van zijn vrienden, J.J. Erich, in het verzet neergeschoten was, nam Sierksma actief deel aan het gewapend verzet, waarbij de Buma-bibliotheek als bergplaats voor wapenen en ander verzetsmateriaal kon dienen. Sierksma ging behoren tot een zes personen tellende verzetsgroep (onder wie een vrouw) onder leiding van E. Koopmans ('Kopie'), die er o.a. in slaagde vanuit een nabij gelegen pakhuis gesprekken en verhoren van het hoofdkwartier van de SD in het Burmaniahuis af te luisteren. Bij de overval op de Leeuwarder strafgevangenis nam Sierksma vanuit een huis boven de garage Wijma de dekking van de toegang tot het gebouw voor zijn rekening.

Veel van Sierksma's emoties en spanningen in die bezettingstijd vonden een uitweg in literair scheppend werk, vooral essays en gedichten. Met H. Hijmans en P. Verhoef richtte hij in 1944 het illegale tijdschrift Podium op, teneinde uit de opbrengst een hulpfonds voor ondergedoken verzetsstrijders te vormen. Ook na de bevrijding bleef Sierksma in de redactie van het nu legale Podium. In december 1945 schreef hij het scenario voor een film waarin het thema van de bittere emoties en geweldige psychische spanningen die het afluisteren van de SD-folteringen op gevangengenomen verzetsstrijders bij hem hadden losgemaakt, centraal stond. Daar de film nooit is opgenomen, werd het script onder het pseudoniem Frank Wilders onder de titel Grensconflict (1948) gepubliceerd. Meer bekendheid verwierf Sierksma zich nu als waardig essayist. Het essay Poëzie en ernst werd door de stad Amsterdam bekroond met een literaire prijs (1947), en veel naam maakte Sierksma met zijn essay Tussen twee vuren (1952), waarin hij zich mengde in de discussie over Vestdijks De toekomst der religie (1947) en, behalve zijn leermeester Van der Leeuw, ook de bekende theologen H. de Vos en K.A.H. Miskotte op de korrel nam. Van belang ook waren zijn publikaties over Achterbergs dichtwerk, een studie over de dichter O. Postma en zijn bundel Schoonheid als eigenbelang (1948). Als medewerker van de Regionale Omroep Noord en Oost (RONO) verzorgde hij van 1950 tot 1955 een literaire rubriek, waarin hij enerzijds de Friese literatuur besprak en uit een provinciaal isolement trachtte te halen (o.a. door hekeling van de christelijke volksroman), anderzijds aandacht vestigde op de Nederlandse literatuur. Ondertussen zette hij zich, met instemmende waardering voor schrijvers als Ter Braak, Der Mouw, A. Roland Holst en Du Perron, af tegen een opkomend 'intellectualistisch, vermagerd en ontworteld' modernisme, waarbij een harmonisch evenwicht tussen cultuur en natuur in gevaar zou komen. Heel deze literair gerichte scheppingsdrift hield aan tot 1955. Zijn uit essayistisch werk blijkende afwijzing van het christelijk geloof en zijn verkeer in de kringen der kunstenaars had hem inmiddels in conflict met zijn vader gebracht.

Sierksma bleef intussen als ambtenaar van de Universiteitsbibliotheek Groningen ook wetenschappelijk werkzaam. Hij werd op 1 november 1953 wetenschappelijk hoofdmedewerker in de faculteit der godgeleerdheid van de Rijksuniversiteit te Leiden voor de geschiedenis van de godsdiensten in het algemeen en de fenomenologie van de godsdienst. Zijn belangstelling gold toen vooral het beschrijven en verklaren van rituele gedragspatronen en godsdienstige voorstellingen (in de vorm van mythologeem en afbeelding). Al spoedig ging de 'religieuze projectie' een dominerende rol voor hem spelen, en met dit begrip nam hij afscheid van de Jungiaanse school om dichter bij de Freudiaanse te komen, daarbij steeds meer oog hebbend voor de overeenkomsten en verschillen tussen menselijk en dierlijk gedrag. Meer in Jungiaanse geest nog was zijn proefschrift Phaenomenologie der religie en complexe psychologie (handelseditie Freud, Jung en de religie), waarop hij op 12 december 1950 bij J. Lindeboom te Groningen cum laude promoveerde.

Het wetenschappelijk werk te Leiden ging overigens met vele moeilijkheden gepaard. Zijn originele wijze van benadering, naast de cultuurpsychologie van o.a. M. Mead, geïnspireerd door de wijsgerige antropologie van H. Plessner, de culturele antropologie van P. Prins en J.P.B. de Josselin de Jong sr. en de ethologie van N. Tinbergen, was binnen theologische kring ongewoon en uitdagend. De wijze waarop hij cultuur en godsdienst van Tibet psychoanalytisch benaderde, wekte weerstanden en zijn biologisch-experimenteel gericht onderzoek plaatste hem wel zeer apart. Conflicten met collega's en weigeringen van subsidie voor te publiceren werk werden bronnen van ergernis en leidden tot wijzigingen in leeropdracht en taken binnen de faculteit. Wellicht spoorde dit alles hem ertoe aan zich ook weer meer naar buiten toe, maatschappelijk, te richten. Tijdens een rustkuur hield hij een dagboek van tv-programma's bij, dat later tot een publikatie onder de titel Testbeeld (1963) omgewerkt werd. Dit werk verwierf in 1963 de Henriette Roland Holst-prijs. Hij werd tussen 1965 en 1967 ook medewerker van De Nieuwe Linie, waarvoor hij over allerlei actuele onderwerpen van controversiële aard schreef. Gesteund door de Leidse hoogleraren K.A.H. Hidding en B. Hartmann werd Sierksma in het cursusjaar 1966/1967 zeer nauw betrokken bij de begeleiding van het werkgezelschap voor de godsdienstgeschiedenis en godsdienstfenomenologie. Van die tijd af begon hij bij de studenten veel weerklank te vinden. Laat volgde de volledige erkenning: gewoon lector in 1972, gewoon hoogleraar in 1973. In de laatste jaren van zijn leven schonk Sierksma bijzondere aandacht aan de invloed die er van de islam op het christendom was uitgeoefend. Ook op het einde van zijn hoogleraarschap bleven conflicten niet achterwege, toen hij ging pleiten voor de wetenschappelijke beoefening van de theologie en de scheiding van Kerk en Staat ook daarin consequent wilde doorzetten.

Sierksma was een gecompliceerd mens: kunstenaar en wetenschapsbeoefenaar, moralist en vrijbuiter, zelfbewust (op het ijdele en irritante af) en wars van iedere vorm van uiterlijk vertoon. Verslaving aan alcohol had een verwoestende uitwerking op zijn gezondheid. Met talloze mensen in onmin levend, ging hij voor zijn idealen door het vuur. Hij bleef een romanticus die terug verlangde naar het verloren paradijs (het harmonische evenwicht tussen cultuur en natuur) en naar het vorstelijk stamland (het ongerepte Friese platteland), toch steeds pogend nuchter en redelijk te zijn. Het is boeiend te zien hoe deze mens, die met zoveel hartstocht progressief wilde zijn, op beslissende momenten het verleden niet kon loslaten, zó krampachtig volwassenheid nastreefde, maar nooit van zijn jeugd kon loskomen, geloofsvoorstellingen als intrapsychische werkelijkheid wenste te erkennen, maar niet durfde bekennen zelf gelovig te zijn geweest.

P: Bibliografie van in hieronder vermelde publikatie van H.L. Beek en K.D. Jenner.

L: J. Boomsma, in Peteareboek (Ljouwert, [1977]); K.D. Jenner, in Mare l (1977) 6 (22 september) 8-9; P.Sj. van Koningsveld, in De Nieuwe Linie 32 (1977) 51 (21 december) 8; Th.P. van Baaren, in Nederlands Theologisch Tijdschrift 32 (1978) 42-47; J.H. Brouwer, in It Beaken 40 (1978) 189-202; K.D. Jenner, 'Verantwoording', in Fokke Sierksma, Religie, sexualiteit en agressie (Groningen, 1979) 293-341 ; H.L. Beck en K.D. Jenner, Fokke Sierksma. A biographical sketch and bibliography (Leiden, 1982).

I: Joop Boomsma, Om fan dit lân te hâlden. Fokke Sierksma oer Fryslân yn brief en petear (Franeker 2006) 9.

K.D. Jenner


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013