Slot, Theodorus Egbert (1895-1949)

 
English | Nederlands

SLOT, Theodorus Egbert (1895-1949)

Slot, Theodorus Egbert, vliegtuigbouwer (Arnhem 26-1-1895 - Voorburg 5-10-1949). Zoon van Theodorus Egbert Slot, banketbakker, en Maria Pleijsier. Gehuwd op 7-5-1924 met Aaltje Schoeman. Uit dit huwelijk waren 3 zoons.

Slot kwam voor het eerst in 1911 met de luchtvaart in contact, toen hij op 16-jarige leeftijd lid werd van de Haagsche Proef-Vliegtuig-Club (HPVC). Secretaris van deze club was J.D. Carley, met wie Slot later zijn eerste echte vliegtuigen zou bouwen; de HPVC hield zich slechts bezig met het bouwen van modellen.

In 1914 trad Slot in dienst bij de NV Trompenburg in Amsterdam, waar de Spijker-automobielen en -vliegtuigen werden gebouwd. Tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog wilde hij naar Engeland, maar in plaats daarvan, werd hij opgeroepen voor dienst bij de Koninklijke Marine. Om met de luchtvaart verbonden te blijven weigerde hij officier te worden en bracht hij zijn diensttijd door als matroos-vliegtuigmaker op het Vliegkamp De Mok.

Reeds in 1917 had Carley met Slot een hoeveelheid vliegtuigonderdelen gekocht, waaronder resten van een toestel van Marinus van Meel. Op de vliegheide bij Ede werd de eerste eendekker van Carley gebouwd, maar het bedrijf ging al gauw failliet. Hierop werd in Den Haag 'Carley's Aeroplanes' opgericht, waarbij Slot als werktuigkundige werkzaam was. Ook dit bedrijf was geen lang leven beschoren en in 1924 zette Slot zijn werkzaamheden als werktuigkundige voort bij de Vliegtuig Industrie 'Holland' van H. van Koolbergen te Rijswijk (ZH). Hier werden de H-1 tweedekker en de H-2 lichte eendekker gebouwd, maar reeds in augustus 1924 werd de firma overgenomen door H. Pander, die enkele jaren tevoren afscheid had genomen als directeur van de gelijknamige meubelfabriek in Den Haag.

Bij de 'Nederlandsche Fabriek van Vliegtuigen H. Pander & Zonen', aan de Zuid Binnensingel in Den Haag, werd Slot constructeur, te zamen met H. van der Kwast, die reeds bij de Vliegtuig Industrie 'Holland' deze functie had bekleed; Van der Kwast verliet korte tijd later Pander. In de loop van de tijd werd Slot manager op het constructiebureau, terwijl nog diverse andere constructeurs, zoals H. Koekebakker, H. Führop en De Wilde, aangesteld werden.

Zo was Slot nauw betrokken bij het eerste ontwerp van de nieuwe fabriek: dit was de Pander D, een licht eenpersoons eendekker sportvliegtuig dat was ontwikkeld uit de H-2, en dat op 16 november 1924 zijn eerste vlucht maakte. Van dit type werden in totaal 11 exemplaren gebouwd, die behalve in Nederland ook vlogen in Nederlands-Indië, Frankrijk en Spanje. Op de Pander D volgde de Pander E in 1925, een tweepersoons tweedekker, die een van de bekendste vooroorlogse Nederlandse sportvliegtuigen werd. Hiervan werden 18 exemplaren gebouwd, die in Nederland en in Oost- en West-Indië vlogen. De bekendste werd wel de 'Adelaar' (PH-AFN), waarmee J.E. van Tijen in 1930 een vlucht van Nederland naar Nederlands-Indië maakte. Andere sportvliegtuigen van de firma Pander waren de 'Multipro', een fraaie hoogdekker met gesloten cabine, en de P-1 t/m P-3.

De grootste - internationale - bekendheid kregen de firma Pander en Slot met de driemotorige 'Post-jager', het enige meermotorige ontwerp van Slot dat ook gebouwd werd. Het denkbeeld een snel post-vliegtuig te bouwen voor de verbinding Nederland-Indië was afkomstig van It.-vlieger D.L. Asjes; ook Slot had al een tijd met dergelijke gedachten rondgelopen. De KLM vervoerde in die tijd op de Indiëlijn zowel post als passagiers; speciale postvliegtuigen zouden in de gedachten van Slot en Asjes kleiner, goedkoper en sneller kunnen zijn. Maar hoewel het aantal passagiers in die jaren nog gering was, meende de KLM toch te moeten doorgaan met vliegtuigen voor gemengd vervoer. Met steun van enkele scheepvaartmaatschappijen en de Bataaf-sche Petroleum Maatschappij (BPM) werd in 1933 het Studie-Comité Snelpost Nederland-Indië opgericht. Het plan was dat de 'Postjager', waarvan de bouw bij Pander in januari 1933 was begonnen, eind van dat jaar een snelle postvlucht zou maken van Amsterdam naar Batavia. Op 9 december 1933 vertrokken de KLM-vlieger G.J. Geyssendorffer, Asjes en marconist S. van Straaten van Schiphol, doch reeds dezelfde dag moest de vlucht te Grottaglie (Italië) worden onderbroken wegens motordefect. De post belandde toch nog bijtijds in Indië, omdat ze uiteindelijk werd meegenomen door de KLM-Pokker 'Pelikaan', die in dezelfde maand de beroemd geworden kerstvlucht naar Indië maakte. Dat de 'Postjager' wel een goed ontwerp was, bleek toen de vlucht werd voortgezet en het toestel de afstand Athene-Batavia wist af te leggen in 72 uur 20 minuten. Toch was het Studie-Comité niet tevreden en de machine, in februari 1934 bij Pander teruggebracht, bleef een tijd lang nutteloos staan, tot hij, 'Panderjager' gedoopt, werd ingeschreven voor de luchtrace van Engeland naar Australië, de zg. Melbourne-race die in oktober 1934 zou plaatsvinden. Tijdens deze race verongelukte de machine op 26 oktober te Allahabad, overigens zonder ernstig persoonlijk letsel. Bij al deze tegenslag - de 'Panderjager' kreeg de bijnaam 'Pechjager' - werd toch erkend dat het ontwerp van Slot op zich zelf goed was, al hielp dat niet om het toestel in algemener gebruik te brengen.

De vliegtuigafdeling van Pander werd op 1 december 1934 gesloten, waarop de directie van de Kon. Mij. 'De Schelde' constructeur Slot en zijn staf aanbood in Vlissingen een afdeling vliegtuigbouw te stichten. Het voornaamste ontwerp dat Slot voor 'De Schelde' bouwde was een eenpersoons sporttweedekkertje, de 'Scheldemusch' - het eerste Nederlandse vliegtuig met neuswiel -, met nog een versie als vliegboot, de 'Scheldemeeuw'. Het was op een 'Scheldemusch' dat Slot, op 20 mei 1936, te Vlissingen zijn vliegbrevet haalde. Ondanks belangstelling uit binnen- en buitenland werd dit type geen commercieel succes. Behalve deze lichte vliegtuigen bouwde Slot bij 'De Schelde' nog een vierpersoons reisvliegtuig (de S. 12), een dub-belstaart lesvliegtuig met duwschroef (de S. 20) terwijl een zeer onorthodox dubbelstaart jachtvliegtuig, de S. 21, bij het uitbreken van de oorlog in aanbouw was. De bezetting maakte aan verdere activiteiten een einde. Tot 31 augustus 1940 bleef Slot in dienst bij 'De Schelde', tot een conflict de oorzaak was dat hij 'met vervroegd pensioen' ging.

In 1948 trad Slot als technisch adviseur in dienst bij NV Frits Diepen Vliegtuigen op Ypenburg. Herstellende van een auto-ongeval in Engeland overleed hij plotseling te Voorburg op 5 oktober 1949.

Slot heeft nooit de bekendheid gekregen van zijn tijdgenoten Fokker en Koolhoven, omdat hij nimmer onder eigen naam vliegtuigen bouwde en zijn ontwerpen door pech nooit in grote hoeveelheden geproduceerd werden. Toch deden zijn ontwerpen in kwaliteit niet onder voor vergelijkbare binnen-en buitenlandse produkten. Met de twee anderen behoort Slot dan ook tot de belangrijkste vliegtuig-ontwerpers in Nederland in de periode tussen beide wereldoorlogen.

P: 'Constructieve bijzonderheden van den Pander-Postjager PH-Ost', in De Ingenieur 48 (1933) W.223-W.231.

L: H. Hooftman, Pander S.4 "Postjager" (Bennekom, 1977) [Nederlandse vliegtuig encyclopedie: nr. 4]; idem, Scheldemusch en Scheldemeeuw (Bennekom, 1978). [Nederlandse vliegtuig encyclopedie: nr. 7]; H. van der Meer, Pander Type D (Schiphol: Aviodome, 1979).

H.J. Hazewinkel


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013