Spit, Henricus Johannes (1886-1967)

 
English | Nederlands

SPIT, Henricus Johannes (1886-1967)

Spit, Henricus Johannes, vice-president van de Raad van Ned.-Indië ('s-Gravenhage 23-9-1886 -'s-Gravenhage 5-7-1967). Zoon van Petrus Johannes Spit, hoedenwinkelier, en Anna Sara Bijdendijk. Gehuwd op 9-11-1911 met Petronella Louise Helène Marie Spée. Uit dit huwelijk werd, behalve 1 zoon die jong overleed, 1 zoon geboren. Na haar overlijden (18-11-1944) gehuwd op 8-1-1946 met Johanna Cohen. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren.

Spit deed na de bijzondere lagere school van S. Osinga in 1903 eindexamen aan de 1e openbare HBS en in 1905 (staatsexamen) gymnasium-A te 's-Gravenhage. Daarna ging hij in hetzelfde jaar in Leiden rechten studeren. Het doctoraal examen rechtswetenschap deed hij in 1909. Op 26 september 1911 volgde met goed gevolg zijn examen 'voor den Indischen rechterlijken dienst'. Ondertussen was hij op 7 juli 1911 gepromoveerd bij C. van Vollenhoven tot doctor in de rechtwetenschap op een proefschrift over De Indische zelfbestwende landschappen ('s-Gravenhage, 1911). Hierin stelde hij vast dat de door Nederland met de Indische vorsten en volkeren gesloten contracten in formele zin weliswaar als overeenkomsten konden worden aangemerkt, doch dat van wilsovereenstemming tussen de zo ongelijke contracterende partijen in de regel geen sprake was. Niettemin achtte Spit deze toestand gerechtvaardigd, omdat het Indische gouvernement een hogere rechtsorde representeerde. Om deze zelfde reden kon dit gouvernement zich ook ingrepen in de huishouding van deze staten veroorloven, waartoe het volgens de letter van het contract niet gerechtigd was. Hoewel Spit zich keerde tegen de opvatting dat een dergelijke vrijheid van handelen voortvloeide uit een abstract 'recht op opperheerschappij', liet zijn adagium de koloniale heerser niettemin voldoende armslag.

In Indië aangekomen, in 1912, werd hij aanvankelijk geplaatst bij de griffie van het Hooggerechtshof. Na enkele jaren te zijn opgetreden als voorzitter van de landraden van Magelang en Temang-goeng, keerde hij in 1917 naar Batavia terug. Daar was hij tot 1933 in diverse functies werkzaam op het departement van Justitie. In 1924 werd hij benoemd tot secretaris van dit departement, terwijl hij in 1928/1929 het directeurschap hiervan een jaar lang waarnam. Na afloop van zijn tweede Europees verlof werd hij in 1931 als hoofdambtenaar voor de wetgeving belast met het voorzitterschap van vier commissies. Hiervan verwierf de commissie grondbezit voor Indo-Europeanen, in de wandeling aangeduid als de commissie-Spit, een zekere vermaardheid. De instelling van deze commissie was een tegenmoetkoming aan het Indo Europeesch Verbond (lEV), dat voor 'de kleine Indo' de mogelijkheid wilde scheppen zich een bestaan op te bouwen in de landbouw. Dit werd door de agrarische wetgeving van 1870 (verbod van grondeigendom voor Europeanen) bemoeilijkt. Tegen tegemoetkoming aan de wensen van het IEV verzetten zich zowel de belangen van de Indonesiërs als, meer in het algemeen, overwegingen van voorzichtig koloniaal beheer. Na vijf jaar studie produceerde de commissie-Spit in 1936 haar eindverslag. Dit deed zij echter niet vergezeld gaan van een ontwerp van wet, doch van een aantal conclusies, waarvan de aanvaarding van de bestaande situatie (die op zekere voorwaarden verstrekking van woeste grond in erfpacht mogelijk maakte) de essentie vormde. Tot wetsvoorstellen kwam ook de regering niet, hoewel zij herhaalde malen toezeggingen daartoe deed. Het nuttig effect van de commissie-Spit was, zo moet men vaststellen, dat het bestaan ervan de regering een argument in handen gaf om een beslissing, die zij niet wenste te nemen, voor zich uit te schuiven.

Spit was een bekwaam en, vooral, een loyaal ambtenaar, wiens eerste stelregel was dat de rechtspositie van de verschillende groepen uit de Indische maatschappij moest worden aangepast aan hun afzonderlijke behoeften. Hij was een behoudend man, niet geneigd in termen van evolutie te denken, wars van grote schema's en gericht op perfectionering van de Indische staatsmachine. Het waren deze eigenschappen die gouverneur-generaal B.C. de Jonge in hem aantrokken. Hoewel hij Spits geringe aanraking met de inheemse samenleving als een bezwaar voelde, bewerkstelligde hij niettemin zijn benoeming tot voorzitter van de Volksraad (in 1933) en vervolgens tot lid van de Raad van Indië (in 1935). De omstandigheid dat Spit geen oud-Stuwman was, zoals sommige andere kandidaten voor deze betrekkingen, zal De Jonge in zijn keuze hebben gesterkt. Het werk in de Raad van Indië was meer in overeenstemming met Spits begeren en temperament dan dat in de Volksraad. In 1938 volgde zijn benoeming tot vice-president van de Raad van Indië, de hoogste post die een Indisch ambtenaar bereiken kon. De activiteiten van de raad werden in deze jaren gekenmerkt door een voorzichtig afremmen en bijsturen van de voorstellen van ambitieuze departementshoofden als H.J. van Mook en P.J.A. Idenburg. Naast het vice-presidentschap van de Raad van Indië vervulde Spit tal van functies, waaronder het voorzitterschap van het dagelijks bestuur van de afdeling Ned.-Indië van het Nederlandsche Roode Kruis, van de hogeschoolraad van de Rechtshoogeschool te Batavia en van het zg. Spitfire-fonds. Dit fonds was opgericht dadelijk na de Duitse inval in Nederland en was bestemd voor de aanschaf van vliegtuigen ten behoeve van de Britse oorlogsinspanning. Na enkele maanden kwam aan dit voorzitterschap een einde omdat Spit, tot verontwaardiging van de Indische gemeenschap, een bredere bestemming aan dit fonds wilde geven ('Fire Spit').

Na de Japanse inval werd Spit vrijwel dadelijk geïnterneerd. Gedurende de kampjaren verwierf hij het respect van zijn kampgenoten. Als hoogste in Indië aanwezige Nederlandse ambtenaar achtte hij het zijn taak, in het geheim voorbereidingen te treffen voor de hervatting van het Nederlandse bestuur na de capitulatie van Japan. De omstandigheden zoals die zich na 15 augustus 1945 ontwikkelden, verhinderden echter de verwezenlijking daarvan. Spit nam ontslag uit de Indische dienst en keerde, dat zelfde jaar nog, naar zijn geboortestad terug. Van 1948 tot 1952 trad hij nog op als persoonlijk adviseur van de keizer van Ethiopië, waartoe hij enige tijd in dat land verblijf hield. Zijn taak bestond uit het ontwerpen van een grondwet en het verstrekken van adviezen op bestuurlijk en economisch terrein.

A: Archief-ministerie van Koloniën (Verbaal 2 mei 1933 Lt. V 9; Vb. 19 feb. 1935 Lt. F 3; Vb. 19 okt. 1938 Lt. E 34; Vb. 5 dec. 1945 Lt. P 13 en passim) in Algemeen Rijksarchief te "s-Gravenhage.

L: Officiële bescheiden betreffende de Nederlands-Indonesische betrekkingen 1945-1950. Uitg. door S.L. van der Wal ('s-Gravenhage, 1971) I, passim (RGP kleine serie: 36); D. van Velden, De Japanse interneringskampen voor burgers gedurende de Tweede Wereldoorlog 2e uitgebr. dr. (Franeker, 1977) 184 nt. l, 465-467; W.F. Wertheim, Indonesië: van vorstenrijk tot neo-kolonie (Amsterdam, [1978]) 118-120; 124-126.

P.J. Drooglever


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013