Spitzen, Dirk Gerard Willem (1896-1957)

 
English | Nederlands

SPITZEN, Dirk Gerard Willem (1896-1957)

Spitzen, Dirk Gerard Willem, secretaris-generaal en minister van Verkeer en Waterstaat (Wageningen 18-3-1896 - Wassenaar 26-1-1957). Zoon van Gerhardus Wilhelmus Spitzen, leraar HBS, Gronings dialectschrijver onder pseud. Geert Teis Pzn., en Jantina Elsina Brouwer. Gehuwd op 22-6-1920 met Geertruida Cornelia Antonia Helderman. Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren. Na echtscheiding (7-11-1941) gehuwd op 25-6-1942 met Henriette Sophie Elisabeth Auguste Schill. Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren. afbeelding van Spitzen, Dirk Gerard Willem

Spitzen liet zich, na te 's-Gravenhage het gymnasium doorlopen te hebben, op 22 september 1915 als student inschrijven aan de faculteit der rechtsgeleerdheid van de Rijksuniversiteit te Leiden. Hij was een briljant student, die kans zag tijdens zijn studie als repetitor de fondsen te verwerven waaruit hij zijn pianostudie, onder meer bij Marinus Flipse, kon financieren. Na beëindiging van zijn studie op 17 januari 1919 werd Spitzen in 1920 als adjunct-commies bij het toenmalige departement van Binnenlandsche Zaken en Landbouw aangesteld. Hij doorliep daar alle rangen tot hij op 1 januari 1932 werd benoemd tot administrateur, chef van de afdeling Binnenlandsch Bestuur van het departement van Binnenlandsche Zaken. In deze jaren werd de grondslag gelegd voor het werk dat zijn levenstaak zou worden.

Op 1 januari 1939 aanvaardde Spitzen het ambt van secretaris-generaal van, toen nog, het departement van Waterstaat. Hij zou in deze functie achttien jaren werkzaam zijn met slechts twee, voor hem uiteraard ingrijpende, onderbrekingen: een tijdelijk ontslag gedurende bezettingstijd en een ministerschap van 1-11-1948 tot 15-3-1951 in het kabinet Drees-Van Schaik. Het was juist in het ambtelijk leiding geven aan zijn departement dat Spitzen het meest uitblonk. Hij wist ongemerkt binnen het departement met toewijding en ernst de touwtjes stevig in handen te houden, al was hij altijd vriendelijk in de omgang, en in organisatorisch opzicht kon zijn departement op voortreffelijke wijze functioneren.

Minder gelukkig voelde Spitzen zich wanneer hij in de openbaarheid moest treden, al waren daar tijdens de bezettingstijd ook wel andere, zeer begrijpelijke, redenen voor. Zelf typeerde hij later zijn werkzaamheid als secretaris-generaal, nadat in mei 1940 het kabinet naar Londen was vertrokken, als volgt: 'Het beeld, dat mij direct voor ogen stond en dat mij nog altijd voor ogen staat, was dat van een huis, waarvan de gevel is weggevallen en waarin men in zijn werkkamer of zijn zitkamer ineens aan de openbaarheid wordt prijsgegeven. Zo kwamen de secretarissen-generaal, die van oudsher huismussen, binnenwerkers waren, ineens buiten te zitten (Parlementaire Enquêtecommissie 7 e , 541). De directe confrontatie van het college van secretarissen-generaal met de bezetter zal voor de 44-jarige Spitzen - nog zo korte tijd in functie - niet aangenaam zijn geweest. Wellicht heeft hij zich aanvankelijk in het gezelschap van de oudere en meer ervaren s.g.'s als K.J. Frederiks en jhr. O.E.W. Snouck Hur-gronje wat op de achtergrond gehouden, zodat sommigen de indruk hebben gekregen dat hij zich hun mindere voelde (De Jong, IV, 152), maar op beslissende momenten toonde hij zich een man van karakter. Zo kwam hij openlijk binnen het college van de secretarissen-generaal met een concept-protest tegen sterilisatie der gemengd gehuwde joden -een voorstel dat getorpedeerd werd. Metterdaad heeft hij joden voor deportatie weten te behoeden en gevangen ambtenaren uit Duitse handen kunnen verlossen. Herhaaldelijk lag hij met Duitse en NSB-instanties overhoop: zijn departement telde vrijwel geen NSB'ers. Spitzens inzet heeft ten slotte op 15 augustus 1943 'wegens zijn onbereikbaarheid bij de staking van ambtenaren en het niet nemen van maatregelen tegen de stakers' (nl. april-mei-stakingen) tot zijn ontslag door de Duitse bezetter geleid. Na zijn vertrek werd W.L.Z. van der Vegte - die directeur-generaal van de ptt was en bleef - zijn opvolger. Diens politieke kleur lag meer in de lijn van de bezetter. Spitzen, die zich in het Oosten van het land had gevestigd, hield ondertussen met zijn vertrouwde ambtenaren contact. In de hongerwinter heeft hij vandaar geprobeerd datgene wat van zijn departement nog restte - Van der Vegte was na 'Dolle Dinsdag' (5 september 1944) onbereikbaar -toe te spelen aan het departement van Economische Zaken om op deze wijze het voedselvervoer onder de leiding van H.M. Hirschfeld en S.L. Louwes naar West-Nederland in stand te houden.

Ook na de oorlog bleek dat Spitzen zijn ambtelijke functie aangenamer vond dan het (tijdelijke) ministeriële beleidswerk. Hij bleef liever de apolitieke 'huismus', die bij geen enkele politieke partij aangesloten was, en hij moest als typische vakminister nog veel innerlijke weerstand overwinnen om in het openbaar primaire en politieke verantwoordelijkheid te dragen. Dat wil niet zeggen dat hij niet als minister van Waterstaat tussen 1948 en 1951 belangrijke zaken tot stand heeft gebracht. Behalve de begrotingsdebatten gedurende bijna drie jaren, die hij met glans doorstond, heeft hij het genoegen mogen smaken onder andere de Wet autovervoer personen, de Wet tegemoetkoming aan de KLM voor geleden verliezen, de Wet nadere regeling van de verhouding tussen het Rijk en de KLM en de Wet tot instelling van de Raad van de Waterstaat in het Staatsblad te zien opgenomen. Maar als departementaal hoofd voelde Spitzen zich toch beter op zijn plaats. Ook trouwens in sociaal opzicht binnen zijn eigen departement. Met hart en ziel stelde hij zich bijv. ter beschikking van de personeelsvereniging van zijn departement. Sterke banden hebben hem daaraan gebonden, en zijn beschermheerschap was er een in de letterlijke betekenis van het woord. Ook zijn artistieke aanleg en belangstelling stelde hij daarbij ten dienste. Veel tijd en energie had hij bovendien over voor interdepartementale verbanden en verenigingen buiten ambtelijk verband. Een hoogtepunt in zijn kunstenaarsbestaan was ongetwijfeld zijn gastrol bij het concert van het Rotterdams Philharmonisch orkest in de Rivièrahal te Rotterdam in september 1956. Ook bestuurlijk was hij nauw bij de uitoefening van kunst betrokken. Tot aan zijn ministerschap bekleedde hij de functie van voorzitter van de Haagse Kunstkring, van de Vereniging van vrienden van het Residentie-Orkest en van de Werkgroep Haags Cultureel Centrum. Duidelijker met zijn ambt verbonden waren andere taken, zoals die van commissaris van de Nederlandse Spoorwegen (tot 1948) en die van lid van de Raad van commissarissen van de KLM (vanaf 1956).

Spitzen was een voortreffelijk en kundig ambtenaar, een begaafd musicus en een beminnelijk mens.

L: Verslag enquêtecommissie regeringsbeleid 1940-1945 ('s-Gravenhage, 1955) 7 e , 541-552 en 809-811; H.M. Hirschfeld, Herinneringen uit de bezettingstijd (Amsterdam, 1960); L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog ('s-Gravenhage, 1969 - dl.) IV, passim; VII, passim.

I: Beeldbank van het Nationaal Archief in Den Haag [Collectie ANEFO; Spitzen in oktober 1948].

J. Vos Dzn.


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013