Staal, Gerard Johan (1870-1936)

 
English | Nederlands

STAAL, Gerard Johan (1870-1936)

Staal, Gerard Johan, gouverneur van Suriname ('s-Gravenhage 5-9-1870 - 's-Gravenhage 15-11-1936). Zoon van Martinus Gerardus Staal, ambtenaar, en Cornelia Engels. Gehuwd op 28-9-1892 met Johanna Maria Giese. Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren.

Na de middelbare school volgde Staal de opleiding aan de Indische Instelling te Delft, die met succes werd afgesloten. In deze tijd verkeerde hij in een kring van jonge kunstenaars en intellectuelen en ontmoette daar o.a. Jan Toorop en Paul Verlaine.

In 1892 vertrok hij met zijn echtgenote naar Ned.-Indië waar hij tewerk werd gesteld aan de Algemene Secretarie in Buitenzorg. Hier klom hij op tot referendaris, en daarna volgde in 1903 zijn terugkeer naar Nederland.

In 1906 werd hij benoemd tot secretaris van het gouvernement van Suriname, waar hij onder gouverneur A.W.F. Idenburg werkte. Met deze ontstond een uitstekende samenwerking. Staal prees zijn grote inzet, in het bijzonder voor de bestudering van de bacoventeelt. Met diens aftreden in 1908 nam Staal ontslag, waarna hij, na een korte werkperiode op het departement van Koloniën, in 1909 tot algemeen secretaris van het gouvernement van Nederlandsch-Indië werd benoemd. Deze functie, die opnieuw onder Idenburg werd vervuld, duurde tot 1912, waarop bij terugkeer naar Nederland zijn benoeming volgde tot secretaris-generaal van het departement van Koloniën.

In 1916 werd hij gouverneur van Suriname, welk ambt Staal, met een onderbreking van eind 1919 tot half 1920, tot eind 1920 vervulde. De kolonie verkeerde, mede ten gevolge van de Eerste Wereldoorlog, in vrij grote moeilijkheden, in het bijzonder als gevolg van voedselschaarste. Tevoren aangelegde voorraden uit Nederland en de Verenigde Staten boden aanvankelijk nog soelaas. Maar de situatie werd precair doordat door de onbeperkte duikboot-oorlog (vanaf 1 februari 1917) in- en uitvoer bijna stil kwamen te liggen. Toen ging de regering rijst importeren uit Demerara en Java, maïs uit Venezuela en meel uit Argentinië. De kleinlandbouwers werden aangespoord veel voedselgewassen te planten, waardoor de rijstproduktie in enkele jaren met ± 70% steeg, terwijl de uitvoer verboden werd. Staals activiteiten op dit gebied werden door de bevolking zeer gewaardeerd. Na de Eerste Wereldoorlog trad weer een normale toestand in.

Omdat hij ervan overtuigd was dat Suriname primair een landbouwland was, waaraan door veel uitgebreidere exploitatie nog heel wat gedaan kon worden, had Staal al vóór zijn vertrek uit Nederland de impuls gegeven tot de oprichting van het Suriname Studie-Syndicaat, onder meer gevormd door grote Oostindische cultuurmaatschappijen. De studiecommissie uit het Syndicaat kon als gevolg van de oorlogsomstandigheden het land pas in 1919 bezoeken. Haar aanbevelingen: bevordering van de immigratie, verbetering van het irrigatiesysteem, uitbreiding van het wegennet en oprichting van een cultuurbank, werden helaas niet opgevolgd. Wat Staal had gehoopt: dat Nederlandse ondernemers hun kapitaal en energie voor het land beschikbaar zouden stellen, waardoor de produktieve krachten ontwikkeld zouden worden - zoals in Oost-Indië - gebeurde niet.

Staal was een aanhanger van de ethische richting in de koloniale politiek en liberaal: 'De éénige wezenlijke oplossing [voor Suriname] is uiteraard de natuurlijke, de automatisch werkende; zij ligt besloten in eene krachtige economische opleving van Suriname.' Hij kwam met vele plannen naar Suriname, maar kon, extra geremd als gevolg van de Eerste Wereldoorlog, niet meer doen dan zijn voorgangers. De werkelijkheid was dat er tientallen jaren lang een subsidie uit Nederland naar Suriname moest worden gezonden om de zaak draaiende te houden.

Aan de mijnbouw, en in het bijzonder aan de winning van bauxiet, de grondstof voor aluminium, besteedde Staal veel aandacht. Als dochteronderneming van de Aluminium Company of America (Alcoa) werd eind 1916 de Surinaamsche Bauxite Maatschappij opgericht. Staal, overtuigd van het belang van deze activiteit, verbood, omdat er nog geen bauxietwetgeving bestond, voorlopig de export van het materiaal. De minister van Koloniën kon zich met de eerste Surinaamse bauxietverordening niet verenigen, omdat hij de daarin voorgestelde rechten te laag achtte. Pas in 1919 kwam er een verordening tot stand die voor beide partijen aanvaardbaar was. De eerste verscheping van bauxiet naar de Verenigde Staten vond, door de naoorlogse recessie en enkele nieuwe wijzigingen in de verordening van 1919, pas plaats in 1922. Van landswege was er een onderzoek naar bauxiet ingesteld op de voormalige plantage Rorac. Dit ertsrijke terrein werd op aantrekkelijke voorwaarden aan een Nederlands-Noors syndicaat in exploitatie gegeven, wat Staal veel onaangenaamheden bezorgde. In deze tijd werd overigens ook ijzererts ontdekt in het Nassaugebergte.

Staal streefde ernaar de bosnegers meer bij de Surinaamse samenleving te betrekken, van groot belang in verband met de behoefte aan arbeidskrachten. Hiervoor werd in 1919 W.F. van Lier aangesteld als 'posthouder' bij de Djuka's. Het kostte wel enige moeite het grootopperhoofd Amakti van Otterloo van het nut van Van Liers aanwezigheid te overtuigen. Met de overige bevolking onderhield Staal een goed contact, maar geleidelijk aan kwam er in de pers en in de Koloniale Staten kritiek op zijn beleid, in het bijzonder ten aanzien van zijn politiek op het gebied van de houten bauxietexploitatie. Ten slotte vlotte de samenwerking met de Koloniale Staten niet meer, mede omdat bleek dat Staal tijdens zijn verblijf in het voorjaar van 1920 in Nederland, waarheen hij wegens gezondheidsredenen was gegaan, tevens over Surinaamse zaken (o.a. zijn ontslag als gouverneur) had gesproken, waarover de leden van de Koloniale Staten hem wantrouwend tegemoet traden. Tegen het einde van 1920 legde hij het bestuur over Suriname neer. Na terugkeer in Nederland werd op Staal herhaaldelijk een beroep gedaan om te adviseren over zaken van Oost- en West-Indië.

In 1922 werd hij benoemd tot voorzitter van de Commissie van advies omtrent de herziening van de Westindische Regeeringsreglementen, die in 1923 waardevolle aanbevelingen uitbracht. Pas in 1936 kregen de voorgestelde wijzigingen kracht van wet. Verder was Staal lid van de raad van beheer van het Steunfonds van studeerenden uit West-Indië en voorzitter van de Commissie voor het aannemen van aspirant-ambtenaren. Voor het werk van de zending, in het bijzonder dat van de Evangelische Broedergemeente, had hij grote belangstelling.

Staal was een uitstekend stilist en een begaafd redenaar, die van beeldspraak hield, en hij wist door zijn grote warmte de mensen te boeien.

A: Ambtelijke correspondentie in Archief-ministerie van Koloniën. Tweede afdeling. Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage.

P: Behalve een aantal artikelen in de West-Indische Gids, een monografie over Suriname: Nederlandsch Guyana. Een kort begrip van Suriname (Amsterdam, [1928]); samen met H.G. Steinberg Ons Suriname. De Zending der Evangelische Broedergemeenten in Nederlandsch Guyana ('s-Gravenhage, [1933]).

L: Necrologie G.J. Staal, in Het Vaderland, 16-11-1936; C. Lamur, The American take-over, ...Alcoa's expansion... Suriname 1914-1921 (The Hague, 1983) passim.

E. van Laar


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013