Staring, Adolph (1890-1980)

 
English | Nederlands

STARING, Adolph (1890-1980)

Staring, Adolph, kunsthistoricus (Dordrecht 2-10-1890 - Deventer 6-1-1980). Zoon van Maurits Lodewijk Christiaan Staring, majoor der artillerie en directeur van de Dordrechtsche Drukkerij en Uitgeversmaatschappij, en Johanna Houkjen Blussé. Gehuwd op 10-9-1928 met Jacoba Henriette Magdalena de Mol van Otterloo. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Staring, Adolph

Adolph Staring bracht zijn jeugdjaren door in zijn geboortestad Dordrecht. In 1909 werd hij ingeschreven als student in de rechten aan de Leidse Universiteit, waar hij een actief aandeel had in het studentenleven en in het jaar 1913/1914 praeses van het Leidsch Studenten Corps was. In 1917 promoveerde hij tot doctor in de rechten op stellingen en trad hij in diplomatieke dienst. Zijn werk bij de legatie in Rome bevredigde hem echter niet. Steeds sterker werd de roep van de kunstgeschiedenis, die hem al in zijn studiejaren boeide; toen al had hij tal van aantekeningen verzameld over de 18e- en 19e-eeuwse Nederlandse kunst, waarbij vooral de in 1910 in Rotterdam gehouden tentoonstelling van portretminiaturen zijn belangstelling gaande had gemaakt. Staring verliet vrij spoedig de diplomatieke dienst en wijdde zich, daartoe financieel in staat gesteld, geheel aan het kunsthistorische werk, vooral aan de nog vrijwel onontgonnen gebieden van de Nederlandse 18e en 19e eeuw. Van 1920 tot 1922 was hij tijdelijk verbonden aan het Haagse Gemeentemuseum, waar hij een groot aandeel had in de in de museumdependance in het Panorama Mesdag gehouden tentoonstelling Het portret in Nederland van 1730-1830 (1921). In deze jaren verschenen ook diverse artikelen van zijn hand op kunsthistorisch terrein en op het gebied van de plaatselijke geschiedenis, vooral die van Dordrecht. Vanaf 1922 leverde Staring bovendien een reeks levensbeschrijvingen voor het kunstenaarslexicon van U. Thieme en F. Becker.

Ook op organisatorisch terrein was hij in deze jaren actief. Bij de oprichting van de Vereeniging Oranje Nassau Museum in 1923 nam hij het secretariaat op zich, dat hij bekleedde tot 1935; in deze functie verrichtte hij bijzonder veel werk voor de opbouw van de collectie van het in 1926 geopende museum te 's-Gravenhage, die sinds 1960 in bruikleen werd gegeven aan de gemeente Delft ter plaatsing in het Stedelijk Museum Het Prinsenhof. Vanaf 1977 bevindt de collectie zich' in het Rijksmuseum Paleis 't Loo. In de jaarverslagen van het museum vindt men bovendien vele bijdragen van zijn hand, ook uit de jaren na 1935, toen hij als gewoon bestuurslid de belangen van de vereniging bleef behartigen. Starings aftreden als secretaris hing samen met zijn verhuizing naar het voorvaderlijk huis De Wildenborch te Vorden, dat hij in 1931 had gekocht. Deze verhuizing betekende echter geenszins een vermindering van zijn activiteiten in besturen en commissies; van de door hem beklede functies kunnen worden genoemd: ondervoorzitter van de Voorlopige Monumentenraad, directeur van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem (vanaf 1935), directeur van de Nederlandsche Kasteelenstichting (1946-1949), bestuurslid van de stichting Vrienden der Geldersche Kasteelen (1940-1973), lid van de Monumentencommissie van de provincie Gelderland (1945-1972), voorzitter van de Commissie tot beheer van het Stedelijk Museum te Zutphen (1946-1971) en bestuurslid van de Vereniging Gelre (1936-1969).

Bij de beoefening van de kunstgeschiedenis was er in de jaren twintig een afbakening van werkzaamheden tot stand gekomen tussen Staring en Jan Knoef, waarbij de laatste zich in het bijzonder toelegde op de 19e eeuw en Staring zich vooral richtte op de beeldende kunsten van de 18e eeuw. In de daarna volgende decennia verschenen er in Oud-Holland en in vele andere periodieken tal van bijdragen van zijn hand, vooral over de schilder- en tekenkunst van het door hem gekozen tijdvak, maar daarnaast ook over 18-eeuwse Nederlandse beeldhouwkunst en die van de voorafgaande eeuw. Enkele malen richtte Staring bovendien zijn aandacht op de 17 e -eeuwse schilderkunst, vooral de portretkunst. In de jaren na de Tweede Wereldoorlog verschenen er enkele boeken van zijn hand, namelijk een studie over door Franse kunstenaars in de 18 e eeuw vervaardigde portretten van Nederlanders, een bundel onder de titel Kunsthistorische verkenningen (1948) met een reeks merendeels al eerder verschenen artikelen over portretkunst en een boekwerk over Nederlandse familiegroepen van de 17 e tot de 19 e eeuw, dat de titel De Hollanders thuis (1956) kreeg. Starings belangstelling voor de portretkunst uitte zich ook in zijn medewerking aan de in 1955 opgerichte Stichting Iconographisch Bureau, waarvan hij de eerste voorzitter was (tot 1958).

Staring was een onvermoeibaar en systematisch werkend onderzoeker, die bij zijn werkzaamheden de steun had van een bijzonder sterk geheugen. Als man van weinig woorden leek hij zijn vriendelijkheid weleens te verbergen achter een enigszins autoritair lijkend masker, maar zijn grote hulpvaardigheid tegenover vakgenoten bleek telkens weer. Zijn betekenis voor de kunsthistorische wetenschap ligt vooral in zijn onvermoeide studie van het vóór hem nauwelijks bestudeerde terrein van de 18 e -eeuwse Nederlandse kunst; door eigen publikaties en door de stimulering van jongere vakgenoten kan hij worden gezien als de grondlegger van de hernieuwde belangstelling voor dit tijdperk. Tevens kan hij worden beschouwd als een stimulator van de bestudering van de oude Nederlandse portretkunst en daarbij in het bijzonder van de iconografie van het Oranjehuis. Zijn boeken en artikelen worden gekenmerkt door een gemakkelijke schrijfstijl, waarbij echter de doorgaans nogal summiere verwijzing naar de gebruikte documentatie veelal een bezwaar vormt bij voortzetting van het door hem begonnen onderzoek.

In 1959 werd Staring voor zijn werkzaamheden onderscheiden met de Zilveren Anjer, terwijl hij in 1970 bij zijn 80ste verjaardag door zijn vakgenoten gehuldigd werd met een feestbundel. In de loop der jaren bracht Staring een grotendeels met zijn wetenschappelijk werk samenhangende collectie schilderijen, tekeningen en miniaturen bijeen; de tekeningen kwamen nog tijdens zijn leven aan het Prentenkabinet van de Rijksuniversiteit te Leiden, terwijl de miniaturen na zijn dood geschonken zijn aan het Rijksmuseum te Amsterdam.

A: Aantekeningen over kunst en iconografie in het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie en in het Iconographisch Bureau, beide te 's-Gravenhage.

P: Bibliografie tot 1 maart 1970 door R.E.O. Ekkart in Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek 21 (1970) 391-398. Nadien verschenen nog enkele artikelen in Bijdragen en mededelingen Gelre en in het Bulletin van het Rijksmuseum en in boekvorm Johann Friedrich August Tischbein's Hollandse jaren (Zutphen, 1978).

L: J.W. Niemeijer, in Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek 21 (1970) 1-4 ; J. de Roo van Alderwerelt, in Vereniging ,,Oranje-Nassau Museum" 1980, 6-7; F.G.L.O. van Kretschmar, in Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie en het Iconogra-phisch Bureau 34 (1980) 45-47; C.O.A. baron Schimmelpenninck van der Oije, in Bijdragen en mededelingen Gelre 71 (1980) XI-XIII.

I: Bijdragen en mededelingen Gelre 71 (1980) X.

R.E.O. Ekkart


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013