Struiken, Anton Arnold Marie (1906-1977)

 
English | Nederlands

STRUIKEN, Anton Arnold Marie (1906-1977)

Struiken, Anton Arnold Marie (wijziging geslachtsnaam bij KB van 16-6-1953 nr. 44 in Struycken), bewindsman (Breda 27-12-1906 - 's-Gravenhage 1-12-1977). Zoon van Hubert Johann Leonard Struiken, keel-, neus- en oorarts, en Mathilda Catharina Marie Bogers. Gehuwd op 7-5-1935 met Matthea Theodora Josephina Maria Feldbrugge. Uit dit huwelijk werden 6 zoons en 2 dochters geboren. afbeelding van Struiken, Anton Arnold Marie

Struiken vestigde zich na zijn gymnasiumopleiding te Eindhoven en rechtenstudie te Nijmegen in 1932 in zijn geboorteplaats als advocaat; tegelijkertijd fungeerde hij er als waarnemend griffier van de arrondissementsrechtbank. In 1935 kwam hij voor de Roomsch-Katholieke Staatspartij (RKSP) in de gemeenteraad en in 1939 volgde zijn verkiezing tot wethouder. Inmiddels was hij in 1938 lid van de Provinciale Staten van Noord-Brabant geworden. Om problemen met de bezetter te voorkomen legde hij in 1941 al zijn publieke functies neer en trad hij in dienst bij de Hollandse Kunstzijde Industrie te Breda, waar hij de leiding kreeg over de sodale dienst.

In het begin van de bezetting trad Struiken te Breda op als secretaris van de Nederlandsche Unie. Op landelijke niveau kwam hij in contact met de zg. groep-Scholten - een in 1941 onder voorzitterschap van prof. Paul Scholten gevormd comité van personen van verschillende geestelijke en religieuze overtuiging - en in 1943 nam hij ook een enkele keer deel aan besprekingen in het Vaderlands Comité, totdat de spoorwegstaking in 1944 het onderhouden van dergelijke contacten onmogelijk maakte. Als plaatsvervangend leider van de Ordedienstafdeling West-Brabant zorgde hij overigens voor de financiering van die staking in Brabant.

Van mei tot december 1942 is Struiken gegijzeld geweest te St. Michielsgestel. Daar nam hij als RKSP-representant deel aan de politieke besprekingen die na de oorlog ten slotte zouden leiden tot de oprichting van de Nederlandse Volksbeweging. In die NVB heeft Struiken echter nooit iets gezien. Zijn voorkeur ging uit naar het behoud van de katholieke eenheidspartij, die evenwel niet een simpele voortzetting van de RKSP mocht zijn, maar open zou moeten staan voor nieuwe ideeën en nieuwe personen. Na de bevrijding raakte hij betrokken bij de oprichting van de Katholieke Volkspartij (KVP), maar een rol op de voorgrond speelde hij daarbij niet. Zijn werkzaamheid en aandacht bleven voorlopig nog gericht op Brabant en vooral Breda.

Na de bevrijding van deze stad werd hij weer wethouder, even later tevens loco-burgemeester. In de eerste maanden nam hij, zoals vele anderen, in Breda actief deel aan diverse gespreksgroepen, waarbij het hem erom ging hoe vanuit de gedachten van de pauselijke encycliek Quadragesimo Anno (1931) te komen tot een harmonieuze samenwerking tussen werkgever en werknemer; in de sociale sector van de onderneming zou de werknemer betrokken moeten worden bij het beleid, want het bedrijf behoorde ook bij te dragen tot de ontplooiing van de arbeider als mens. In de Bredase burgemeesterskwestie (1944-1945) verzette hij zich fel tegen de poging van het Militair Gezag om burgemeester B.W.Th. van Slobbe op een zijspoor te rangeren en te vervangen door een man van buiten. Daarbij liet hij zich vooral leiden door overwegingen van doelmatig bestuur; te grote bemoeienis van buitenstaanders zou alleen maar tot nodeloze conflicten leiden.

Aan doelmatigheid heeft Struiken steeds groot belang gehecht. Begiftigd met een scherp inzicht, ontwikkelde hij zich tot een typische bestuurder met een zeker dédain voor het politieke spel. Hij had vaak originele gedachten, die hij met hardnekkigheid verdedigde, als het moest tegen de stroom in. Voor de uitwerking en de detaillering kon hij echter onvoldoende geduld opbrengen. Daardoor raakte hij nogal eens in conflict, ook met potentiële medestanders.

Tot de partijpolitiek heeft Struiken zich nooit aangetrokken gevoeld. Hij hield zich ver van de Haagse partijkringen. Het was dan ook tot zijn eigen verrassing dat hij in 1950 werd aangezocht als opvolger van de om gezondheidsredenen afgetreden minister van Justitie Th.R.J. Wijers. In zijn op 10 juli aanvaarde functie zag hij zich geconfronteerd met de bijzondere rechtspleging. Als advocaat van politieke delinquenten had hij inmiddels een kritische houding aangenomen ten opzichte van deze rechtspleging; in de Bredase krant De Stem had hij daarvan herhaaldelijk blijk gegeven. Hij vond dat er onrecht gepleegd werd, veroorzaakt door haat- en wraakgevoelens. Als minister wilde hij daaraan een einde maken. Hij paste het gratierecht dan ook ruim - volgens sommigen te ruim - toe. In het spoor van een pauselijke oproep tot clementie gaven barmhartigheidsoverwegingen vaak de doorslag. Kort voor zijn overlijden werd hij nog door een door de regering ingestelde Commissie van Onderzoek betreffende het opsporings- en vervolgingsbeleid inzake P.N. Menten (de zg. Commissie-Schöffer) gehoord in verband met zijn beleid in genoemde kwestie, waarin hij o.a. in 1951 een Pools verzoek afwees om uitlevering van Menten, die verdacht werd van daar begane oorlogsmisdaden. De kritiek van de Commissie op zijn beleid heeft hij niet meer gekend of kunnen weerleggen.

Zijn ministerschap duurde tot 15 maart 1951. Na de kabinetscrisis in dat jaar keerde hij niet terug en werd hij bij KB van 13 april 1951 benoemd tot gouverneur van de Nederlandse Antillen als opvolger van L.A.H. Peters. Ook daar waakte hij met zorg over de kwaliteit van bestuur, hetgeen hem ertoe bracht zich niet te beperken tot het geven van adviezen. Omdat de bevoegdheden van de gouverneur ten opzichte van de landsregering niet altijd even duidelijk waren afgebakend en de Antilliaanse politici niet gediend waren van openlijke bemoeienis van de gouverneur met hen, botste Struiken meer dan eens met de Antilliaanse ministers, maar ook met Den Haag en de minister van Overzeese Rijksdelen W.J.A. Kernkamp; het Nederlandse kabinet trok bij het vastleggen van het uit het Koninkrijks-statuut van 1954 voortvloeiende Reglement voor de Gouverneur van de Nederlandse Antillen (1955) de constitutionele grenzen van het arbeidsveld van de gouverneur enger dan hij wenselijk vond. Struycken vond een sterkere positie van de gouverneur gewenst, indien de Koninkrijksregering zich tenminste naar behoren wilde kwijten van haar in het Statuut vastgelegde taak om deugdelijk bestuur te waarborgen. Maar minister Kernkamp vreesde daarvan grote problemen met de landsregering, die door een meerderheid in de Staten werd gesteund.

Aan deze conflictueuze situaties kwam nog vóór het verstrijken van de ambtsperiode een einde, doordat Struiken op 29 oktober 1956 in het laatste kabinet-Drees zitting kreeg als vice-minister-president en minister van Binnenlandse Zaken, Bezitsvorming en Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie. Toen na de val van het kabinet in december 1958 de confessionele ministers bereid bleken om in een nieuw ministerie de verantwoordelijkheid te dragen voor het uitschrijven van vervroegde verkiezingen, lag het voor de hand dat Struiken dat kabinet zou leiden. Echter niet hij, maar Beel werd premier. De wijze waarop hij werd gepasseerd, was voor hem een grote teleurstelling. Met name enkelen van zijn collega-ministers uit de KVP achtten hem niet geschikt voor het premierschap; zij vonden hem als minister van Binnenlandse Zaken onvoldoende geëngageerd en vreesden bovendien dat hij vanwege zijn houding jegens de politiek in het parlement te veel verzet zou oproepen. In dit overgangskabinet (van 22 december 1958 tot 19 mei 1959) nam Struiken er Justitie bij.

In het na de verkiezingen van 1959 aantredende kabinet-De Quay (1959-1963) was er voor hem geen plaats meer. Feit is dat Struiken als minister van Binnenlandse Zaken de nodige wrevel had gewekt bij De Quay, toentertijd commissaris van de Koningin in Noord-Brabant, doordat hij bij burgemeestersbenoemingen in bepaalde gevallen was afgeweken van de voordracht van de commissaris, naar achteraf bleek niet zelden terecht. Er is serieus sprake geweest dat hij De Quay in Brabant zou opvolgen, mar ten slotte ging hij met ingang van 1 november 1959 naar de Raad van State. Daar toonde hij zich bij voortduring bevreesd voor nadelige implicaties voor de kwaliteit van bestuur als gevolg van het streven naar verhoogde rechtsbescherming van de burger tegen de overheid.

Van 22 november 1966 tot 16 april 1967 onderbrak Struiken de werkzaamheden in de Raad van State door in het tussenkabinet-Zijlstra (22 november 1966-5 april 1967) nog een keer de portefeuille van Justitie op zich te nemen. Daarnaast vervulde hij sedert 1959 enkele commissariaten en talloze bestuursfuncties, o. a. op het terrein van het katholiek onderwijs, gezondheidswezen en andere instellingen van maatschappelijke aard.

P: Met D.Th. Enklaar [et al.] voerde hij de redactie van Geschiedenis van Breda. I: De Middeleeuwen (Tilburg, 1952).

L: A. Kasteel, De staatkundige ontwikkeling der Nederlandse Antillen ('s-Gravenhage, 1956); W.H. van Helsdingen, De staatsregeling van de Nederlandse Antillen van 1955 ('s-Gravenhage, 1956); idem. Het statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden. Wordingsgeschiedenis, commentaar en praktijk ('s-Gravenhage, 1957); F.J.F.M. Duynstee, De kabinetsformaties 1946-1965 (Deventer, 1966); A.F. Manning, 'Geen doorbraak van de oude structuren', in De confessionelen (Utrecht, 1968) 61-87; A.D. Belinfante, In plaats van bijltjesdag. De geschiedenis van de bijzondere rechtspleging na de Tweede Wereldoorlog (Assen, 1978); J.C.H. Blom, A.C. 't Hart, I. Schöffer, De Affaire-Menten 1945-1976 ('s-Gravenhage, 1979. 2 dl.) passim.

I: Beeldbank van het Nationaal Archief in Den Haag [Foto: Joop van Bilsen; Collectie ANEFO; Struycken in april 1956].

J. Bosmans


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013