Suchtelen, jhr. Nicolaas Johannes van (1878-1949)

 
English | Nederlands

SUCHTELEN, jhr. Nicolaas Johannes van (1878-1949)

Suchtelen, jhr. Nicolaas Johannes van, uitgever en schrijver (Amsterdam 25-10-1878 - Ermelo 26-8-1949). Zoon van jhr. Ferdinand Antonius van Suchtelen, ambtenaar en ondernemer, en Josina Paulina Adriana Beversen. Gehuwd op 26-3-1902 met Caroline Jacoba van Hoogstraten. Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 2 dochters geboren. Na echtscheiding (1-7-1921) gehuwd op 11-8-1921 met Catharina Elisabeth van der Werff. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren. afbeelding van Suchtelen, jhr. Nicolaas Johannes van

Nico van Suchtelen bezocht de lagere school in Amsterdam. In 1890 verhuisde het gezin Van Suchtelen naar Letten bij Hannover, waar zijn vader eigenaar werd van een kalkfabriek. Na enkele maanden onderwijs op een particuliere school volgde Nico het Realgymnasium. Het gezin keerde in 1893 terug naar Nederland, omdat de kalkfabriek moest worden geliquideerd. Van Suchtelen werd wegens de financiële probelemen van zijn vader en een ernstige ziekte van zijn moeder ondergebracht bij een tante in Haarlem. Hij bezocht er de HBS en begon werk van klassieke auteurs te lezen: Spinoza, Molière, Heine, Schopenhauer, Dickens, Vondel en Multatuli. Tijdens zijn laatste schooljaren kwam hij zelf tot schrijven; zijn vroegste literaire produkten (een roman en een toneelstuk) werden niet gepubliceerd. In 1897 slaagde hij voor zijn eindexamen, een jaar later voor het staatsexamen, waarna hij in Amsterdam wis- en natuurkunde ging studeren. Contacten met Frederik van Eeden aan het einde van zijn verblijf in Haarlem (1898) stimuleerden hem om in 1899 in Van Eedens kolonie Walden te Bussum, waar hem een hut werd aangeboden, te gaan wonen. Hij verdeelde zijn tijd nu tussen werkzaamheden op Walden en zijn studie in Amsterdam. De omgang met het gezin Van Eeden bleek van grote betekenis voor zijn innerlijke ontwikkeling. Hij publiceerde zijn eerste gedichten in het Tweemaandelijksch tijdschrift en in De Beweging.

Alvorens in 1901 het kandidaatsexamen in de chemie af te leggen reisde hij naar Italië, daartoe door vrienden in staat gesteld. Het jaar na het examen vestigde hij zich, pas gehuwd, in Bentveld en zette hij hier zijn studie - hij zou omzwaaien naar de rechten - en zijn letterkundige arbeid voort. Eenmaal geslaagd voor het kandidaatsexamen rechten (1904) vertrok hij met gezin naar Zürich om aan de Hochschule door te studeren. Het verblijf in Zwitserland leverde hem zijn eerste succesrijke roman op: Quia absurdum (1906), die eerst werd gepubliceerd in De Beweging. Deze roman was geïnspireerd op zijn verblijf in Walden, waarop hij weliswaar als een idylle terugzag maar die hij toch niet zonder kritiek beschreef. Onderhandelingen over uitgave in boekvorm van Quia absurdum met Simon A. Maas leidden tot zijn terugkeer naar Nederland en tot oprichting van de uitgeverij Maas en Van Suchtelen. Deze onderneming heeft slechts drie jaar bestaan. Na dit zakelijk echec voltooide Van Such-telen in 1909 zijn studie in de staatswetenschap. Hij werd nachtredacteur buitenland bij Het Vaderland en, binnen een jaar, particulier secretaris van de Schiedamse industrieel M.C.M. de Groot. Twee jaar na zijn doctoraal examen promoveerde hij in Amsterdam bij prof. D. van Embden tot doctor in de staatswetenschap. Van Suchtelen poogde in zijn dissertatie. De waarde als psychisch verschijnsel (1911), inzicht te geven in het economisch waardeoordeel vanuit psychologische invalshoek. Hij heeft zich hierna nauwelijks meer met economie beziggehouden.

Via zijn werkgever De Groot leerde hij de directeur van de Wereldbibliotheek, L. Simons, kennen, die hem in 1913 benoemde tot zijn redactiesecretaris. Hij publiceerde in deze jaren onder andere het toneelstuk De tuin der droomen (gepubliceerd in 1913 in Groot Nederland; het werd in 1917 opgevoerd) en de veel gelezen roman De stille lach (1916; samen met Annie Salomons geschreven). Zijn veelzijdige belangstelling blijkt uit zijn activiteiten bij pogingen een Europese statenbond op te richten. Naast Frederik van Eeden, Aletta Jacobs, prof. G. Heymans en jhr. B. de Jong van Beek en Donk nam hij zitting in het Comité "De Europeesche Statenbond". Zijn belangstelling voor de psychoanalyse blijkt uit zijn boek Uit de diepten der ziel van 1917. In hetzelfde jaar werd hij aangesteld als onderdirecteur van de Wereldbibliotheek. Hij verhuisde in 1921 met zijn tweede vrouw naar een woning naast het gebouw van de Wereldbibliotheek in Sloterdijk. Van Suchtelen werd mededirecteur; na de dood van Simons in 1932 volgde hij hem op als directeur van de uitgeverij.

Zijn bezorgdheid over de opmars van het nationaal-socialisme maakte Van Suchtelen in de jaren '30 kenbaar in uiteenlopende geschriften. Hij stelde fascisme en antisemitisme aan de kaak in de roman Tat tvam asi (1933) en in Oorlog. Feestgelag ter ere... van Erasmus... (1936). Tijdens de Tweede Wereldoorlog waren uitgave en verkoop van zijn werk dan ook door de bezetter verboden. Zijn Verzamelde Werken (1947-1956) verschenen pas na de oorlog in 12 delen bij de toen nog bloeiende Wereldbibliotheek. Naast het hierin opgenomen oorspronkelijk oeuvre zagen veel vertalingen van zijn hand het licht, onder meer werk van Homerus, Marcus Aurelius, Dante, Petrarca, Michelangelo, Shakespeare, Spinoza, Goethe, Heine, Kleist, E.T.A. Hoffmann en S. Freud.

Nico van Suchtelen wordt door degenen die hem goed hebben gekend omschreven als een rustig, in zichzelf gekeerd man, die zeer snel en accuraat kon werken. Hij was evenwichtig, vol humor en ironie. J.C. Bloem noemde hem een van de edelste mensen die hij had ontmoet. Zijn wereldbeschouwing werd gekenmerkt door een optimistisch idealisme; hij vertrouwde erop dat het goede in de mens zou leiden tot een maatschappij zonder oorlog (zijn motto was 'vertrouwen'). Hij was een exponent van het Europees humanisme uit het begin van de twintigste eeuw, erudiet en veelzijdig. Naast bedrijfsleider en in zijn tijd succesrijk auteur en vertaler, bleef er iets hangen van zijn vroegere bohémienaard zoals ook bleek uit zijn reeds vroege propaganda voor het kamperen, die hij in zijn Zwerftochten (1932) kenbaar maakte.

Een van de belangrijkste thema's in zijn werk is het conflict tussen individu en maatschappij. Van Suchtelen bepleitte een hoge mate van vrijheid van het individu, bereikt na diepgaande reflectie. Deze opvatting strookte niet met het pleidooi van Albert Verwey voor de gemeenschapszin, hoewel Van Suchtelen soms - tegen zijn zin - tot de kring van Verwey werd gerekend. Hij achtte de verkenning van de eigen persoonlijkheid een essentiële levensopgave. Dit individualistische standpunt leidde voor Van Suchtelen tot afwijzing van kerk en godsdienst als massa-instituut en van het marxisme. Toch mocht de mens, dus ook de dichter, zich volgens hem niet afzijdig houden van maatschappelijke problemen van zijn tijd. Dit dualisme kenmerkt veel van zijn romanpersonages: zij wegen het belang van hun individualisme af tegen hun functioneren tussen hun medemensen. Van Suchtelen gaf in de Verantwoording bij zijn Verzamelde Werken een samenvatting van zijn opvattingen over de verhouding individu-maatschappij: 'Het inzicht dat het simpele bewustzijn van ons bestaan als mens onder mensen identiek is met de ingeschapen wil om als individu te werken voor de gemeenschap, is de rode draad die het merendeel van mijn geschriften verbindt. De mens ontdekt in zijn zich ontplooiende persoonlijkheid meer en meer de mensheid en wederkerig herkent hij in de mensheid meer en meer zichzelf. En de aldus geboren sociale mens herkent zo ten slofte zijn identiteit met alle levens en heel de schepping: Tat tvam asi. Voor hem is het doel, althans de waarde der kunst, dat zij de levensdrift der mensheid stuwt in de richting van haar volmaking' (p. 8).

Van Suchtelen werd sterk beïnvloed door Spinoza. Dit blijkt vooral uit zijn filosofisch boek Tot het al-eene (1927). Dit al-ene was een 'ondoorgrondelijk sluitend Oerbeginsel', dat hij ook Al-Rede, Al-Natuur, Algeest, het al-ene Leven of God noemde. Voorts was hij actief als bestuurslid van de Societas Spinozana als lid van de redactie van het Spinozistisch bulletin (het eerste nummer verscheen in 1938). Ten slotte vertaalde hij de Ethica [1915]; zijn vertaling wordt tot op heden herdrukt.

Behalve Spinoza hadden onder andere Marcus Aurelius, Erasmus, Bergson, de psychologen Heymans en H. Driesch, en Verwey invloed op zijn denken. Mèt Verwey stuurde Van Suchtelen aan op een integratie van dichtkunst en filosofie. De opbouw van zijn romans, waarin verhalende fragmenten vaak werden afgewisseld door filosofische passages, weerspiegelt deze opvatting. De boeken van Nico van Suchtelen werden tot aan het einde van de jaren 1940 gretig gelezen, Quia absurdum, dat Annie Salomons het credo van hun generatie noemde, kreeg in 1953 een 17e druk. De stille lach haalde in 1955 zelfs een 32e druk. Na zijn dood trok Van Suchtelens werk nog maar weinig belangstelling, de breedvoerig filosofische aanpak ervan lijkt dan toch een sterk tijdgebonden karakter te hebben bezeten, de literaire kracht ervan was niet tijdbestendig.

P: Een bibliografie van het werk van Van Suchtelen in de onder L. genoemde publikatie Het werk en de mens Nico van Suchtelen; Verzamelde Werken (Amsterdam [etc.], 1947-1956.12 dl.).

L: Het werk en de mens Nico van Suchtelen. Een reeks beschouwingen onder red. van Victor E. van Vriesland (Amsterdam [etc.], 1948) 195-210; A. Donker, in Critisch Bulletin 16 (1949) 438-443; R. Henrard, Wijsheidsgestalten in dichterwoord. Onderzoek naar de invloed van Spinoza op de Nederlandse literatuur (Assen [etc.], 1977) 321-331.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 1433.

P. Knolle


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013