Sunier, Armand Louis Jean (1886-1974)

 
English | Nederlands

SUNIER, Armand Louis Jean (1886-1974)

Sunier, Armand Louis Jean, bioloog en directeur van Artis te Amsterdam (Rotterdam 17-12-1886 - Baarn 13-5-1974). Zoon van Armand Sunier, leraar Frans, en Elizabeth Maria Glijnis. Gehuwd op 12-4-1911 met Sophia Christina Allart. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren. Na haar overlijden (13-2-1970) gehuwd op 20-3-1970 met Anna Beijer. Er waren 2 zoons. afbeelding van Sunier, Armand Louis Jean

Sunier had, hoewel van Zwitserse afkomst, omdat hij geboren was binnen het Koninkrijk, volgens het toenmalige Burgerlijk Wetboek de Nederlandse nationaliteit. Hij bracht zijn jeugd door in Den Haag, deed daar in 1904 eindexamen gymnasium en begon zijn studie biologie te Leiden (1904-1907), voortgezet te Groningen (1907-1910). Hij promoveerde te Groningen (1911) bij prof. J.F. van Bemmelen, wiens assistent hij was geweest.

Kort daarna vertrok Sunier naar Ned.-Indië. Als assistent bij het Visserijstation te Batavia werkte hij aan de voedselopname door vissen en toonde hij aan dat de zg. empangs of zeevisvijvers broedplaatsen waren van de malariaparasiet. Aan Suniers suggestie deze vijvers derhalve droog te leggen werd tot op zekere hoogte gevolg gegeven. Nadat Sunier (1914) tot adjunct-afdelingschef van het Station was benoemd, had hij een belangrijk aandeel in de nieuwe bouw ervan (1919-1922). Voorts werkte hij mee aan de oprichting van het tijdschrift Treubia (1919, samen met K.W. Dammerman en W.M. van Leeuwen, en hij was de laatste jaren van zijn Indisch verblijf voorzitter van de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging van Nederlandsch-Indië.

Eind 1922 kwam de familie Sunier met verlof naar Nederland, waar prof. Max Weber aan Sunier voorstelde C. Kerbert op te volgen als directeur van Artis. Laatstgenoemde was niet bereid af te treden, zodat Suniers benoeming eerst op 15 september 1927 plaats kon vinden, na Kerberts overlijden. Sunier bleef in Nederland als conservator aan het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie te Leiden (1922-1927) verbonden. Hij keerde niet meer terug naar Indië. Toch bleef hij zich met dit land verbonden voelen; dit kwam vooral tot uiting in zijn latere publikaties tegen het naoorlogse streven naar Indonesische onafhankelijkheid.

In Artis (gedragen door een particuliere vereniging) vond Sunier tuin en opstallen jarenlang verwaarloosd wegens geldgebrek en afnemende bezoekersaantallen. Dank zij de voortvarendheid en het doorzettingsvermogen van Sunier en de nauwe samenwerking tussen Artisbestuur en de gemeente Amsterdam ging Artis in 1939 over in handen van de gemeente, waarbij de schulden van de tuin werden overgenomen. Suniers grote organisatorische kwaliteiten bleken opnieuw gedurende de bezettingstijd. Dank zij de bijtijds door Sunier aangelegde voedsel- en brandstofvoorraad kwam Artis zonder noemenswaardig verlies door deze periode. Met grote persoonlijke moed verdedigde Sunier personeel en dieren tegen uitlevering aan Duitsland. Gedurende de oorlog verleende hij op ruime schaal onderdak aan onderduikers. In deze periode nam ook het bezoekersaantal toe zodat uit de gekweekte reserves na de oorlog - met steun van buiten - tal van vernieuwingen konden worden doorgevoerd. Ook droeg Artis onder de stimulerende leiding van Sunier in belangrijke mate bij tot het behoud van de wisent voor de Europese fauna. Als lid - en in de jaren 1946/1947 als president - van de International Union of Directors of Zoological Gardens droeg Sunier er veel toe bij de grote nationale dierentuinen te maken tot een centrum waar wetenschap, educatie en recreatie ongedwongen te zamen konden komen.

Op 31 maart 1953 nam Sunier officieel afscheid van Artis en droeg hij de leiding over aan E.F. Jacobi. Na zijn aftreden bleef Sunier nog vele jaren gezond en vitaal tot een paar jaar voor zijn dood op 87-jarige leeftijd.

P: Les premiers stades de la différentiation interne du myotome et la formation des éléments solérotomatiques chez les Acraniens, les Sélachiens et les Téléostéens (Leiden, 1911). Proefschrift Groningen; 'Contribution to the knowledge of the natural history of the marine fish-ponds of Batavia', in Treubia 3 (1922) 2-4 (sept.) 157-405; 'The laboratory for marine investigations at Batavia. A new tropical marine biological station', ibidem 3 (1923) 2 (febr.) 127-148; 'Vertigo substriata Jeffreys, faunae Neerlandicae nova species, een zoogenaamd glaciaalrelikt', in Zo√∂logische Medeedelingen [van] 's Rijks Museum van Natuurlijke Historie [te] Leiden IX (1926) 113-178; 'De zoölogische tuin van heden en morgen', in Bijdragen tot de dierkunde 27 (1939) 1-13; Is Nederland afgeleefd en Indië verloren? (Amsterdam, 1946); 'Nederlandsch-Indië en tientallen millioenen zijner inheemsche bevolking kunnen thans alleen nog maar door krachtig militair optreden gered worden' (['s-Gravenhage], 1946). Overdr. uit Wiering's Weekrevue van 8 maart 1946.

L: W. van den Bergh, in 25 Years International Union of Directory of Zoological Gardens 1946-1970 (Antwerpen: Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde van Antwerpen, 1973) passim; E.F. Jacobi, in Zoologische Garten 45 (1975) 508-509.

I: Pieter Smit, Artis. Een Amsterdamse tuin (Amsterdam 1988) 132.

P. Smit


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013