Temme, Hendrik Lodewijk (1857-1917)

 
English | Nederlands

TEMME, Hendrik Lodewijk (1857-1917)

Temme, Hendrik Lodewijk (erkend door ouders bij akte van 18-4-1865 waardoor de naam Drucker werd verkregen) rechtsgeleerde en politicus (Amsterdam 11-8-1857 - 's-Gravenhage 5-9-1917). Zoon van Louis Drucker, financier, en Johanna Caroline Christine Margaretha (genaamd Therese) Temme. Gehuwd op 14-7-1881 met Wilhelmina Catharina Sabina de Koning. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 1 dochter geboren. afbeelding van Temme, Hendrik Lodewijk

Hendrik Lodewijk Drucker werd in 1857 in Amsterdam geboren. De bekende pleitbezorgster voor de rechten van de vrouw, Wilhelmina Drucker (1847-1925), was een oudere halfzuster, geboren uit een eerdere verhouding van zijn vader. Druckers eigen ouders trouwden eerst in 1869 na de geboorte van hun kinderen. In 1885 verscheen over de familie Drucker een sleutelroman met de titel George David van de hand van G. en E. Prezcier - pseudoniem van Louise en Wilhelmina Lensing, van wie de laatste later de naam Drucker aannam. Hendrik trok zich dit zeer aan en trachtte de exemplaren op te kopen. Later kwamen hij en Wilhelmina tot een minnelijke schikking. De veronderstelling dat de schaduw op zijn leven ook van invloed is geweest op Druckers karakter en handelen, lijkt niet ongegrond.

Drucker bezocht de HBS te Leiden, deed in 1875 toelatingsexamen tot de universiteit en studeerde vervolgens rechten te Leiden. In 1879 volgde de promotie op een dissertatie: Bezitsverkrijging en bezitsverlies door derden, tevoren met goud bekroond als antwoord op een prijsvraag van de Leidse juridische faculteit. Aansluitend zette hij zijn studie nog twee semesters voort in Leipzig. Daarna vestigde hij zich, in 1880, als advocaat te Amsterdam. Daar richtte hij al in 1882 samen met W.L.P.A. Molengraaff en S. Katz het Rechtsgeleerd Magazijn op, om er tot zijn dood mederedacteur van te blijven. Met Molengraaff bleef hij zijn leven lang in hechte vriendschap verbonden. Intussen schreef hij verschillende opstellen in juridische tijdschriften en werd hij reeds in hetzelfde jaar aan de Groninger universiteit benoemd tot hoogleraar in het Romeinse recht en zijn geschiedenis, welk ambt hij op 28 september aanvaardde met een rede over Rechtswetenschap en wetgeving. In 1889 volgde de benoeming op dezelfde leerstoel te Leiden, waar hij op 28 oktober een oratie hield over Begrip en dogma in de rechtswetenschap. Bij zijn verkiezing in 1894 tot lid van de Tweede Kamer werd hij op non-actief gesteld en in 1897 werd hem op zijn verzoek eervol ontslag verleend als hoogleraar, maar hij doceerde van 1898 tot 1905, op aandrang van de Leidse juridische faculteit, als privaatdocent burgerlijk- en handelsrecht.

Drucker was een uitnemend jurist, die de zaken eenvoudig en helder wist te formuleren. Geen wonder dat zijn colleges door de studenten werden geprezen en dat hij mede door zijn hulpvaardigheid bij hen gezien was. Ondanks zijn leeropdracht ging zijn belangstelling vooral uit naar het hedendaagse recht, en vooral naar de maatschappelijke aspecten van recht en wetgeving. Hij was een sociaal bewogen man, met een sterk rechtsgevoel, waaraan hij behalve in geschrifte ook in de praktijk vorm trachtte te geven door in de politiek te gaan. In zijn Groninger tijd was hij lid van de gemeenteraad (1886-1889) - evenals later in Leiden (1891-1903) -en aan tal van instellingen en organisaties op maatschappelijk gebied verleende hij zijn daadwerkelijke medewerking en vaak ook financiële steun. Reeds in de Groninger gemeenteraad betoonde hij zich een voorstander van progressie in de belastingheffing.

Bij de Tweede-Kamerverkiezingen van 1894 stond Drucker kandidaat voor het district Groningen tegenover mr. S. van Houten, die voor velen te behoudend liberaal was geworden. Hij werd gekozen en bleef tot 1913 vertegenwoordiger van dit district, aanvankelijk voor de Liberale Unie en sinds de oprichting van de Vrijzinnig-Democratische Bond (VDB) in 1901 voor die partij, tot welker oprichters hij behoorde. Ook in het parlement verwierf Drucker al spoedig gezag en waardering door zijn kennis en grote bekwaamheid als spreker, door zijn beminnelijkheid en bescheidenheid (al was hij niet zonder eerzucht) en zijn vast karakter. Als kamerlid ging zijn belangstelling minder uit naar de politiek dan naar wetgevende arbeid; hij was overtuigd van de noodzaak van goede wetgeving vooral op maatschappelijk gebied. Daar ligt zijn grootste verdienste. Druckers naam blijft verbonden aan de Woningwet 1901 en in het bijzonder met de Wet op de arbeidsovereenkomst van 1907, die door hem was ontworpen op grond van een door de toenmalige minister van Justitie, H.J. Smidt, aan hem gericht verzoek uit 1891, Drucker werkte met voortvarendheid, maar de parlementaire weg was lang. Na een hernieuwd verzoek van minister P.W.A. Cort van der Linden diende hij in 1898 zijn ontwerp in, dat echter eerst jaren later in behandeling kwam. Bij de verdediging van het ontwerp in de Tweede Kamer stond hij minister E.E. van Raalte ter zijde.

Behalve voor de inhoud van de wetgeving had Drucker ook een levendige belangstelling voor de vorm. Daarvan getuigen o.m. zijn bijdragen over 'De taal onzer vonnissen' in Rechtsgeleerd Magazijn (RM) (1890, 1896, 1911), over 'De kunst van wetgeven' in Vragen des Tijds (1914) en bovenal het onder zijn voorzitterschap samengestelde belangrijke rapport De Nederlandsche Rechtstaat (1916).

In het algemene kamerwerk van de vrijzinnig-democratisch oppositie droeg Drucker ook het zijne bij; vanaf het eerste optreden van de VDB in 1901 tot 1913 was hij fractieleider. Begin 1903 diende de vrijzinnig-democratische fractie in de Tweede Kamer een wetsvoorstel in tot veranderingen in de Grondwet, dat beoogde het algemeen kiesrecht voor mannen en een beperkt kiesrecht voor vrouwen in te voeren, evenals de evenredige vertegenwoordiging en directe verkiezing van de Eerste Kamer. De voorstellen werden evenmin als nog verdergaande van de sociaal-democraten in behandeling genomen, maar werkten op de lange duur wel door. Vermeldenswaard is bovendien Druckers verwerping van het wetsontwerp van minister A. Kuyper in 1903 tot strafbaarstelling van staking van spoorwegpersoneel en ambtenaren, al wees hij staking als politiek middel af. Een onderwerp dat hem ernstig bezighield was voorts de vereenvoudiging van het burgerlijk procesrecht. Hij was lid van de daartoe in 1913 ingestelde Staatscommissie. Talrijk zijn de artikelen van zijn hand, verschenen vooral in het Rechtsgeleerd Magazijn, in het Sociaal Weekblad, waarvan hij sinds de oprichting in 1887 medewerker was, en later in Vragen des Tijds. Vaak waren het omvangrijke studies, die steeds werden gekenmerkt door een heldere betoogtrant en nauwgezette bewijsvoering en gericht waren op praktisch resultaat, o.a. 'Eenige opmerkingen naar aanleiding der jongste literatuur over het arbeidscontract' in RM (1887), 'Bouwstoffen voor eene burgerrechtelijke regeling der arbeidsovereenkomst', in RM (1894, 1897), 'Het woningvraagstuk' in De Gids (1898), 'De Nederlandsche wetgeving in het tijdvak...' in RM (1901, 1905, 1910, 1914), 'Duur van burgerlijke rechtsgedingen in Nederland', in RM (1914,1915,1916); met H.B. Greven en J. Kruseman schreef hij het belangrijke rapport Het vraagstuk der volkshuisvesting (1896). Afzonderlijke grote werken schreef hij zelf niet, al bewerkte en zette hij het werk van W. Modderman, Handboek voor het Romeinsch Recht (Groningen, 1877-1889. 3 dl.) mede voort.

Het politieke werk in de Tweede Kamer boeide Drucker niet blijvend. Daartoe zal naast zijn aanleg ook hebben bijgedragen dat hij in conflict geraakte met zijn fractiegenoot D. Bos, die geheel anders was ingesteld - extravert en praktisch, met een neiging tot domineren - toen deze zich voor een deel op dezelfde gebieden ging bewegen als Drucker, die toch fractieleider was. Teleurstelling was het gevolg. Waarschijnlijk zou hij als minister - vooral van Justitie - meer op zijn plaats zijn geweest; de gelegenheid deed zich enige keren voor, echter telkens achtte hij politieke redenen aanwezig om een portefeuille niet te aanvaarden. Bij de Tweede-Kamerverkiezingen van 1913 stelde Drucker zich niet meer herkiesbaar, maar wel werd hij in dat jaar voor het district Noord-Holland benoemd tot lid van de Eerste Kamer, waarin hij tot zijn overlijden zitting had. Drucker vervulde tal van functies in het maatschappelijk leven, zo was hij bijv. voorzitter van de Liberale Unie en voorzitter van de Nederlandsche Juristen-Vereeniging; in 1916 werd hij nog voorzitter van het college van curatoren van de in 1913 opgerichte Nederlandsche Handels-Hoogeschool te Rotterdam. Na een ernstige ziekte overleed hij reeds in 1917.

A: Het archief-Drucker bevindt zich in het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage.

P: De meeste publikaties zijn vermeld in de onder L vermelde herdenking van Drucker door W.L.P.A. Molengraaff.

L: A.E. Bles, De wet op de arbeidsovereenkomst ('s-Gravenhage, 1907-1909.4 dln.); C.K. Elout, De Heeren in Den Haag 2e reeks (Amsterdam, 1909) 80-86; W.L.P.A. Molengraaff, in Rechtsgeleerd Magazijn 36 (1917) 375-392; C. van Vollenhoven, in Vragen des Tijds 44 (1918) I, 1-4, idem in Verspreide Geschriften (Haarlem [etc.], 1934-1935. 3 dl.) III, 680-682; B. Sijmons, in Groningsche Volksalmanak voor het jaar 1918, 171-179; Fr. de Jong Edz., in Sociaal Maandblad Arbeid 14 (1959) 18-23; J.P. Duyverman, 'Het raadslid prof.mr. H.L. Drucker', in Tijdschrift voor geschiedenis 75 (1962) 57-67; E. van Raalte, Dr. D. Bos (Assen, 1962) passim; G. Taal, Liberalen en Radicalen in Nederland, 1872-1901 ('s-Gravenhage, 1980) passim.

I: B. Marinus, 'H.L. Drucker en de wet op het arbeidscontract' in: Luuk Brug en Harry Peer, ed., Collectief geregeld. Uit de geschiedenis van de CAO (Amsterdam 1993) 56.

W.R.H. Koops


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013