Tempel, Jan van den (1877-1955)

 
English | Nederlands

TEMPEL, Jan van den (1877-1955)

Tempel, Jan van den, vakbondsleider, publicist en politicus (Willemstad (NB) 1-8-1877 - Alkmaar 27-6-1955). Zoon van Bastiaan van den Tempel, schildersbaas, en Geertje Punt. Gehuwd op 12-3-1903 met Arnolda Hendrika Jansen. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 1 dochter geboren. afbeelding van Tempel, Jan van den

Als knaap leerde Jan van den Tempel in het bedrijf van zijn vader het schildersvak. Maar zijn ambities reikten verder dan een rustig bestaan in een kleine Brabantse vestingstad. Hij verliet Willemstad, verbleef korte tijd in België en Parijs en vestigde zich daarna in Amsterdam. In de hoofdstad sloot hij zich in 1899 aan bij de Schildersgezellenbond, het zou zijn leven diepgaand beïnvloeden. In het vak-bondswerk, waardoor hij ten slotte in de politiek zou belanden, deed hij zich ras als voorman kennen. Reeds in 1900 trad hij er als woordvoerder op de voorgrond bij een stakingsactie tegen overmatig lange werktijden en voor verhoging van het uurloon. Daar de schildersknechten slecht georganiseerd waren, verloren zij de staking, nadat deze vijf weken had geduurd, omdat hun weerstandskassen volstrekt ontoereikend waren. Van den Tempel voelde zich hierdoor gedwongen in woord en geschrift tegen de oude voormannen van de arbeidersbeweging, die sterk door de anarcho-syndicalistische denkbeelden van F. Domela Nieuwenhuis beinvloed waren, stelling te nemen. Hij was geen revolutionair, maar de opvatting dat de arbeidersbeweging zich geleidelijk ontwikkelen en in de maatschappij integreren moest, deed hem sympathiseren met de jonge Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP).

Mede door zijn toedoen kwam het in 1905 landelijk tot reorganisatie van de schildersgezellenbond in deze geest. Voor een belangrijk deel waren de statuten voor de landelijke organisatie, die voor vele andere bonden als model zouden dienen, het werk van Van den Tempel. Van begin 1906 af, het jaar van oprichting, fungeerde hij als secretaris van het Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen (NVV), aanvankelijk als tweede, vanaf 1909 als eerste secretaris. Niet lang daarna werd hij ook in het politieke leven actief. In 1910 werd hij lid van de Amsterdamse gemeenteraad, wat hij tot 1919 zou blijven. Van 1927 tot 1932 zou hij opnieuw van deze raad deel uit maken. Gedurende deze eerste periode trad hij eveneens enkele jaren op als lid van de Provinciale Staten in Noord-Holland. Voor zijn verdere levensloop was zeer belangrijk dat hij in 1915 voor de SDAP in de Tweede Kamer gekozen werd: 25 jaar lang zou hij ononderbroken het kamerlidmaatschap vervullen. Deze werkzaamheden als kamerlid noodzaakten Van den Tempel in 1918 het secretariaat van het NVV neer te leggen. Zijn directe binding met dit verbond, op welks kader hij door zijn artikelen in het blad De Vakbeweging een grote invloed had uitgeoefend, was daarmee verbroken.

Van den Tempels optreden, zowel binnen de vakbeweging als in de politiek, werd gekenmerkt door een onverzadigbare drang naar kennis. Door de gebeurtenissen van de dag wenste hij zich niet te laten meeslepen, maar hij zocht zijn inzicht te verbreden en te verdiepen door systematisch de terreinen waarop hij werkzaam was, te bestuderen. Als jong schilder behaalde hij reeds de lagere akte tekenen. In 1911 verwierf hij de middelbare akte staathuishoudkunde en statistiek, en korte tijd daarna bovendien de middelbare akte staatsinrichting. Als kamerlid was zijn kracht vooral ook gelegen in nauwgezette studie en in commissiewerk, niet zozeer in het gesproken woord. De SDAP-fractie vertrouwde hem graag onderwerpen toe die diepgaande studie vorderden. Zo ontwikkelde hij zich tot een expert op het gebied van belastingen, loonbeleid en handelspolitiek en verkreeg hij een grote deskundigheid inzake sociale wetgeving. Hij hield zich vooral zeer intensief met kwesties van werkloosheidsverzekering bezig.

De drang om te doorgronden was zo sterk, dat Van den Tempel zich op 44-jarige leeftijd als student aan de Nederlandsche Handels-Hoogeschool te Rotterdam liet inschrijven. Na driejaar legde hij het doctoraal examen af. In 1927 promoveerde hij in Rotterdam bij F. de Vries cum laude op het proefschrift: Macht en economische wet. In deze brede, niet gemakkelijk leesbare, maar wel indringende studie behandelde hij een kernvraag uit de economie: in hoeverre de verdeling van het maatschappelijk inkomen, en vooral de stijging van de welvaart van de arbeiders, van economische wetmatigheden afhankelijk is in hoeverre deze door machtsverhoudingen beïnvloed kan worden. Hoewel de keuze van het onderwerp met de socialistische visie van de auteur samenhangt, getuigt de dissertatie van nuchtere objectiviteit. Geen sprake is er dan ook van 'ethische' waardering van het bestaande verdelingsproces, maar het is uitsluitend een poging vanuit het economisch denken de grenzen van machtsfactoren op de inkomensvorming vast te stellen. Naar Van den Tempels opvatting was het daarbij noodzakelijk zich niet tot een statische 'reinökonomische' probleemstelling te beperken, maar de problematiek in haar dynamiek te bestuderen.

Van zijn socialistische visie op economie en maatschappij gaf Van den Tempel bij andere gelegenheden echter herhaaldelijk blijk. Zijn hoofdbezwaar tegen de ondernemingsgewijze produktie van het kapitalisme was dat zij 'planloos, onregelmatig en anarchistisch is'. Zijns inziens is in dit systeem de regulering van produktie en werkgelegenheid zo gebrekkig doordat zij afhankelijk is van marktprijs, produktiekosten en winstkansen. Bijgevolg wordt het door telkens terugkomende crises geschokt. Alleen door socialisatie van het bedrijfsleven is het mogelijk economische depressies met haar grote werkloosheid en ellende voor de arbeidende klasse te overwinnen. De produktieomvang is in deze gedachtengang te bepalen door uit te gaan van de behoeften der bevolking op grond van verkregen ervaring en niet door middel van de prijzen. Afhankelijk van de gebleken maatschappelijke behoeften dienen bedrijven geleidelijk te worden ingekrompen of uitgebreid. Voor Van den Tempel was het duidelijk dat deze ideeën alleen in een internationale gemeenschap, gebaseerd op recht en broederlijke samenwerking, te verwezenlijken zouden zijn. In zijn streven naar sociale zekerheid en rechtvaardige welvaartsverdeling stond hem echter geen statische maatschappij voor ogen, hetgeen nu juist andere socialisten vaak verweten werd. Dynamiek was volgens hem een levensbehoefte voor de individu en de gemeenschap: veel mensen verlangen naar een rustig en aangenaam leven, maar begaafde, rusteloze, ambitieuze en creatieve lieden kunnen niet leven zonder een ruim doel en voldoende armslag. Hij was zich tevens heel goed ervan bewust dat er geen sociale orde zonder strijd en tragedie mogelijk is.

Als man van ervaring, traditie en bezonnen oordeel was Van den Tempel uitermate geschikt om, toen in de zomer van 1939 de socialisten voor het eerst regeringsverantwoordelijkheid aanvaardden, samen met ir. J.W. Albarda hen in het kabinet-De Geer te vertegenwoordigen. De Tweede Wereldoorlog liet hem echter niet de gelegenheid zijn plannen, waaronder unificatie van de sociale verzekering, te volvoeren.

Binnen de Londense kabinetten bleef Van den Tempel tot begin 1945 als minister van Sodale Zaken actief. In deze hoedanigheid strekte zijn aandacht zich uit van de sociale opvang van zeelieden tot uitzending van ondervoede Nederlandse kinderen naar het buitenland, wanneer de oorlog afgelopen zou zijn. Bij de wederopbouw na de oorlog stond evenwel voor hem de werkgelegenheid centraal. Hij verwachtte dat deze door voldoende onderwijs, door om-, her- en bijscholing bevorderd kon worden. Internationale samenwerking beschouwde hij evenzeer een voorwaarde voor het scheppen van voldoende arbeidsplaatsen. Op de Internationale Arbeidsconferentie te New York (1941) en te Philadelphia (1944), waar na de crisis van de jaren dertig de idee hoogtij vierde een fundamentele maatschappelijke vernieuwing, te weten werkgelegenheid en bestaanszekerheid voor iedere burger bij consequente doorvoering van sociale democratie ook op economisch terrein, en waar algemeen economische expansie als de oplossing voor alle sociale problemen werd beschouwd, sprak Van den Tempel zich dan ook met grote nadruk uit voor nauwe internationale samenwerking in de toekomst. Vooral bepleitte hij er conjunctuurbeheersing door internationale samenwerking van het bedrijfsleven.

Naarmate de oorlogskansen zich ten gunste van de geallieerden keerden, kwam binnen het kabinet-Gerbrandy de politieke wederopbouw van het vaderland in het centrum van de belangstelling. De discussie hierover werd, tot verdriet van Van den Tempel, sterk bepaald door wat hij beschouwde als de geringe democratische gezindheid van de minister-president en door de grote persoonlijke invloed van koningin Wilhelmina op de samenstelling en het beleid van het kabinet. De ministers dreigden in deze omstandigheden tot topambtenaren gedegradeerd te worden. Van den Tempel kon zich evenmin verenigen met de opvatting van het merendeel van de bewindslieden dat de Staten-Generaal met de expiratie van hun zittingsduur (die onder normale omstandigheden in 1943 zou zijn geëindigd) opgehouden had te bestaan. In de verantwoording aan het parlement zag hij de legitimatie van het ministeriële handelen. Door gebrek aan democratisch besef, maar ook door onvoldoende politiek inzicht zou, volgens Van den Tempel, het kabinet-Gerbrandy in zijn bestuursvoorzieningen voor de tijd onmiddellijk na de bevrijding schromelijk te kort geschoten zijn.

Het optreden van Van den Tempel in de affaire rond het ontslag van de socialist J.A.W. Burger, eerst minister zonder portefeuille, vervolgens minister van Binnenlandse Zaken, is door deze kwestie over de gezagsverhoudingen ongetwijfeld beinvloed geweest. Samen met minister Albarda liet Van den Tempel op 26 februari 1945 aan zijn collega's weten niet langer aan het kabinet-Gerbrandy deel te zullen nemen, indien het door de autocratische minister-president aangekondigde ontslag van Burger doorgang zou vinden. Op 8 februari daaropvolgend kwam het einde van Van den Tempels ministeriële loopbaan. Na de oorlog zou hij wegens zijn slechte gezondheid niet meer in het politieke en openbare leven op de voorgrond treden.

P: De Nederlandse vakbewegingen haar toekomst. Feiten en beschouwingen (Rotterdam, 1910); Kapitaal en volksinkomens (Haarlem, 1920); Problemen der socialisatie (Amsterdam, 1923); De sociale verzekering in Nederland. Beknopt overzicht (Amsterdam, [1923]) samen met E. Boekman; Macht en economische wet. Een onderzoek naar de beteekenis van economische macht voor de inkomensvorming, in het bijzonder ten aanzien van het arbeidsloon (Haarlem, 1927); De wereld in stormtij. Onderzoek naar oorzaken, zin en verloop van de economische en maatschappelijke spanningen (Haarlem, 1938); Keep the lamps burning (London, [1943]); Nederland in Londen. Ervaringen en beschouwingen (Haarlem, 1946).

L: W.H. Vliegen, Die onze kracht ontwaken deed (Amsterdam, [1924]) II, 369-372; Het Vrije Volk, 27-6-1955; C. Lammers, in Socialisme en Democratie 1955, 355-357; P.J. Oud, Het jongste verleden. Parlementaire geschiedenis van Nederland, 1918-1940. 2e dr. (Assen, 1968) IV, 143-158; L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog ('s-Gravenhage, 1969- . dl.) III, VIII.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 1453.

H.P.H. Nusteling


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013