Terpstra, Heert (1884-1964)

 
English | Nederlands

TERPSTRA, Heert (1884-1964)

Terpstra, Heert, historicus (Stiens, gem. Leeuwarderadeel 13-12-1884 - Hilversum 24-12-1964). Zoon van Jan Terpstra, veehouder, en Trijntje de Jong. Gehuwd op 9-8-1911 met Elizabeth Petronella Roorda. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 1 dochter geboren.

Terpstra bezocht na de lagere school te Stiens het gymnasium te Groningen en liet zich daar in 1904 aan de Universiteit inschrijven als student in de Nederlandse letteren. Na ook nog een semester te hebben gestudeerd te Freiburg i. Br. (Duitsland) legde hij in 1907 het kandidaats- en in 1910 het doctoraal examen af. Omdat het proefschriftonderwerp dat zijn leermeester J. Huizinga hem aan de hand had gedaan hem weinig aanstond oriënteerde hij zich op het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage, waar J. de Hullu hem wees op het belang van de nog weinig onderzochte koloniale archieven. Terpstra verrichtte in feite pioniersarbeid met zijn dissertatie De vestiging van de Nederlanders aan de kust van Koromandel, waarop hij in 1911 bij Huizinga in Groningen promoveerde. Na van 1911 tot 1913 werkzaam te zijn geweest als leraar geschiedenis en aardrijkskunde aan het Nederlandsch Lyceum te 's-Gravenhage, aanvaardde hij in laatstgenoemd jaar een functie als leraar geschiedenis aan het zojuist opgerichte stedelijk gymnasium te Hilversum. Terpstra was een consciëntieus en degelijk docent, die op een heel eigen wijze vele generaties van leerlingen kennis van en liefde voor de geschiedenis bijbracht. Ondanks de veeleisende leraarstaak zag hij kans publicistisch actief te blijven, hij begaf zich echter nooit buiten het terrein der koloniale geschiedenis, waarbij hij zich beperkte tot bestudering der Nederlandse geschiedbronnen. In 1918 volgde een publikatie in aansluiting op zijn proefschrift: De opkomst der Westerkwartieren van de Oost-Indische Compagnie (Suratte, Arabië, Perzië). Sedert 1926 verschenen van Terpstra's hand regelmatig boekbesprekingen en artikelen in het Tijdschrift voor Geschiedenis. Voor een breder publiek bestemd waren de Patria-boeken Buitenlandse getuigen van onze koloniale expansie (1940) en De Nederlanders in Voor-Indië (1947). In 1944 zag Terpstra zich om gezondheidsredenen genoodzaakt het Hilversums gymnasium te verlaten. Hij werd wetenschappelijk medewerker van het Koloniaal Instituut (later Koninklijk Instituut voor de Tropen) te Amsterdam en bleef daar werkzaam tot aan zijn pensionering in 1949. Van 1947 tot 1954 gaf hij bovendien nog een beperkt aantal lessen aan scholen voor VHMO in het Gooi en Utrecht.

Terpstra bezocht nooit de landen die hij beschreef en voelde dit waarschijnlijk niet als een gemis. Zijn geschriften genoten grote belangstelling bij Indiase en Ceylonese historici. Aan het einde van zijn leven mocht Terpstra met voldoening constateren dat de belangstelling voor Nederlands overzeese geschiedenis sterk was toegenomen.

P: Bibliografie in onder L genoemd Jaarboek..., 131-132.

L: W.Ph. Coolhaas, in Tijdschrift voor Geschiedenis 78 (1965) 187-188; M.A.P. Meilink-Roelofsz, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1965-1966. Levensberichten 124-131.

S.B.J. Zilverberg


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013