Tesch, Johan Jacob (1877-1954)

 
English | Nederlands

TESCH, Johan Jacob (1877-1954)

Tesch, Johan Jacob, zoöloog (Amsterdam 7-2-1877 - 's-Gravenhage 7-8-1954). Zoon van Johan Wendel Tesch, leraar, en Trijntje Stoffel. Gehuwd op 21-7-1908 met Johanna de Wilde. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren. Na haar overlijden (23-6-1941) gehuwd op 3-9-1941 met Aaltje Maria van der Hee. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren.

Tesch verhuisde, toen hij ruim een halfjaar oud was, naar 's-Gravenhage, waar zijn vader directeur werd van het Instituut Tesch, een van de meest vooraanstaande en dure jongensscholen van 's-Gravenhage. Hij genoot zijn eerste opleiding aan de school van zijn vader, doch vertrok in 1894 naar Deventer, waar hij bij zijn grootouders woonde (Pieter Stoffel was er houthandelaar) en de hoogste vier klassen van het gynnasium doorliep; in 1898 legde hij met goed gevolg het eindexamen in Deventer af en keerde naar 's-Gravenhage terug. Hij studeerde biologie in Leiden en deed daar op 20-5-1901 het kandidaatsexamen plant- en dierkunde. Hij zette zijn studie voort aan de Rijksuniversiteit te Utrecht en promoveerde daar cum laude op 11-5-1906 op een proefschrift getiteld Systematisch overzicht van alle tot nu toe bekende heteropoden (promotor prof. A.A.W. Hubrecht). Dit proefschrift vormde een onderdeel van de resultaten van Tesch' studies over pteropode en heteropode Mollusca (vleugelslakken), waarover hij tussen 1903 en 1913 een aantal fundamentele monografieën en kortere artikelen publiceerde, die hem tot een internationaal erkende autoriteit voor deze groepen maakten. Van februari tot juli 1904 bezocht Tesch, voor het doen van onderzoekingen aan Pteropoda, het Zoölogisch Station te Napels en in oktober 1905 het British Museum. Na korter dan een halfjaar leraar geweest te zijn in Utrecht, werd Tesch op 1 mei 1906 benoemd tot tweede biologische assistent bij het Rijksinstituut voor het Onderzoek der Zee in Den Helder, een instituut waaraan hij (met twee onderbrekingen) verbonden zou blijven tot aan zijn pensionering in 1942. De twee onderbrekingen van 1-8-1907 tot 18-3-1908, toen hij assistent was bij de afdeling Ongewervelden van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie te Leiden, en van 16-5-1915 tot 1-9-1918, toen hij conservator der Crustacea was aan hetzelfde museum. Van 1908 tot 1915 was Tesch eerste biologische assistent van het Rijksinstituut voor het Onderzoek der Zee in Den Helder (na 1912 genoemd Rijksinstituut voor Visscherij onderzoek). Na zijn terugkeer in 1918 bij het instituut (dat toen de officiële titel van Rijksinstituut voor Biologisch Visscherij onderzoek gekregen had en spoedig daarna naar Den Haag was verhuisd) verkreeg Tesch de rang van visserijconsulent en op 1-1 -1924 werd hij benoemd tot hoofd van de afdeling Zeevisserij van dat instituut - een functie die hij tot aan zijn pensionering op 1-3-1942 zou bekleden. In augustus 1943 werd hij benoemd tot honorair medewerker bij het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie te Leiden, waar hij werkte aan zijn studies over Heteropoda en Pteropoda, die leidden tot de publikatie - tussen 1946 en 1950 - van vijf belangwekkende rapporten over het materiaal van deze dieren door de Deense Dana-expedities verzameld.

Tesch was een geboren systematicus, zoals blijkt uit zijn uitermate belangrijke publikaties over Pteropoda en Heteropoda, en ook uit het feit dat hij, in het korte tijdsbestek van driejaar (1915-1918) dat hij conservator van de afdeling Crustacea van het Leidse museum was, twee grote monografieën over Brachyrhynche krabben door de Siboga-expeditie verzameld en een aantal andere revisies van krabbengenera uit de families Grapsidae en Ocypodidae het licht deed zien. Ook tijdens de eerste jaren dat Tesch aan het Rijksinstituut voor het Onderzoek der Zee verbonden was verrichtte hij voornamelijk systematisch en faunistisch werk en schreef hij zeven belangrijke artikelen in de serie 'Bijdragen tot de fauna der Zuidelijke Noordzee', die tussen 1906 en 1910 in het Jaarboek van het Rijksinstituut voor het onderzoek der zee verschenen, terwijl ook elders bijdragen van zijn hand over de fauna der Noordzee gepubliceerd werden. Toen Tesch hoofd van de afdeling Zeevisserij was deed hij onderzoekingen betreffende verschillende vissoorten, het meest over de haring. Zijn publikaties hierover waren gedegen, doch met relatief weinig originele ideeën, zij betroffen meest routineonderzoekingen en waren duidelijk niet met die liefde en belangstelling geschreven die Tesch' systematische bijdragen kenmerkten. Natuurlijk speelt ook hier een rol dat de economische toestand van de jaren '30 elk onderzoek grote beperkingen oplegde. Het is evenwel duidelijk dat Tesch meer een systematicus was dan een man van de praktijk en het is te betreuren dat hij niet een groter deel van zijn leven aan de diersystematiek heeft kunnen wijden. Zijn systematische studies zullen steeds van grote waarde blijven, terwijl zijn visserijpublikaties daarentegen op voortgaand onderzoek geen grote invloed hebben gehad.

Behalve een man van de wetenschap was Tesch ook een goed popularisator. Zijn boek Het leven der zee (1920), uitgegeven in de Wereldbibliotheek, heeft de kennis der oceanografie voor velen toegankelijk gemaakt en stellig veel jonge biologen sterk beïnvloed. Ook in dagbladen zoals Het Vaderland en algemene tijdschriften als De Gids, Haagsch Maandblad en Haagsche Post schreef hij populaire artikelen over de meest uiteenlopende onderwerpen. Hij was zeer erudiet en had een wijde belangstelling, niet alleen voor de verschillende aspecten der biologie, maar ook voor geschiedenis (speciaal de Middeleeuwen) en literatuur. Zijn artistieke kwaliteiten kwamen tot uiting in de fraaie illustraties van zijn wetenschappelijke artikelen. Ook publiceerde hij gedichten, zoals zijn bekende 'De wulpenroep' (Gedenkboek dr. Jac. P. Thijsse... (Amsterdam, 1935) 195. Hij was uitermate bescheiden, zeer teruggetrokken en maakte moeilijk contacten, doch waren deze eenmaal gelegd dan toonde hij zich een uitermate beminnelijk en innemend mens. Moeilijke huiselijke omstandigheden maakten Tesch' leven niet eenvoudig.

P: Zie behalve samen met J. de Veen geschreven Die niederländische Seefischerei (Stuttgart, 1933) als deel 7, afl. 2 van het Handbuch der Seefischerei Nordeuropas, hrsg. von H. Lubbert und E. Ehrenbaum, bibliografie over Mollusca in onder L genoemd artikel van C.O. van Regteren Altena.

L: B. Havinga, in Journal du conseil permanent international pour l'exploration de la mer 20 (1955) 251-253; idem, in Vakblad voor biologen 35 (1955) 49-51; C. O. van Regteren Altena, in Basteria 21 (1957) 1-3.

L.B. Holthuis


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013