Veegens, Jacob Dirk (1845-1910)

 
English | Nederlands

VEEGENS, Jacob Dirk (1845-1910)

Veegens, Jacob Dirk, minister van Landbouw, Handel en Nijverheid ('s-Gravenhage 22-1-1845 - 's-Gravenhage 27-12-1910). Zoon van Daniel Veegens, griffier der Tweede Kamer, en Anna Maria van Baaien. Gehuwd op 11-2-1875 met Benjamina Petronella Willemina de Kanter. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. Na haar overlijden (14-4-1895) gehuwd op 14-7-1898 met Johanna Susanna Catharina Snaken-broek. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 1 dochter geboren.

Jacob Dirk Veegens bezocht in Den Haag de lagere school en het gymnasium. Vanaf 1863 studeerde hij rechten aan de Leidse universiteit. Hij leidde een actief studentenleven en ontwikkelde zijn ideeën in de door professor J.T. Buys in 1866 opgerichte studentenclub Debating-Society. Als voorzitter van de Juridische Faculteitsvereniging verdedigde hij tegen o.m. professor S. Vissering het beginsel der vrije studie. In 1869 promoveerde Veegens met een dissertatie De banken van leening in Noord-Nederland tot het einde der achttiende eeuw en begon hij zijn loopbaan als parlementair correspondent en redacteur voor het pas in dat jaar opgerichte dagblad Het Vaderland onder directie van zijn geestverwant H. Goeman Borgesius en als correspondent bij andere dagbladen, zoals de Zutphensche Courant van B.H. Pekelharing. Wegens een meningsverschil met de directie over de bedrijfsvoering van Het Vaderland nam hij in 1872 ontslag. Hij vestigde zich toen in Brielle als compagnon van zijn studiegenoot H.Ph. de Kanter, commissionair in effecten, en als procureur. Daarnaast bleef hij journalistieke arbeid verrichten, o.a. voor het Weekblad van Voorne, Putten, Overflakkee en Goedereede.

In al deze bladen opponeerde Veegens fel tegen de conservatieven en de lauwheid van de aan het bewind zijnde liberalen. In 1873 publiceerde hij een soort program in De Gids onder de titel 'Politieke gedachten van een leek', zich hierin scharend onder de radicale vleugel van de jong-liberalen, die in 1874 een eigen spreekbuis kreeg in het toen opgerichte maandblad Vragen des Tijds. Van 1874 tot 1885 bepaalde Veegens als redactiesecretaris de koers van dit blad, hierin bijgestaan door Sam van Houten, B.H. Pekelharing en A. Kerdijk. Daarna zat hij nog 21 jaar in de redactie. De scherpe, conservatief geworden, literaire criticus Busken Huet oordeelde: 'Onder de redacteuren van de Vragen des Tijds is de heer Veegens de eenige die talent van schrijven bezit' (Litterarische fantasiën en kritieken (Amsterdam, 1882)X, 204). In 1874 vestigde Veegens zich weer in Den haag, waar hij een eigen procureurspraktijk begon; in 1897 trad hij tevens op als advocaat en juridisch adviseur. Hij liet zich kennen als een zeer gedegen jurist in publikaties als De wet op het faillissement en de surséance van betaling (Haarlem, 1894), een werk dat in 1916 nog een vijfde druk beleefde. Uit diverse lezingen en artikelen bleek zijn belangstelling voor de jakobijnse opvattingen tijdens de Franse Revolutie. In de jaren zeventig leek het Nederlandse constitutionele stelsel in een impasse te komen: de liberalen geraakten verdeeld omtrent de rol die de overheid binnen de maatschappij moest spelen (bijv. de sociale wetgeving) en de wijze waarop een groter deel van de burgerij bij het politiek-parlementaire spel betrokken diende te worden (kiesrechtuitbreiding), terwijl de tegenstellingen tussen liberalen en confessionelen zich in de fel geworden schoolstrijd verscherpten. Veegens sloot zich aan bij de buiten-parlementaire oppositie die radicaler oplossingen voorstond dan de jong-liberalen in de Kamer en in de invoering van een algemeen kiesrecht, ook voor vrouwen, een vernieuwende oplossing zag. De volksvertegenwoordiging moest, naar Veegens' oordeel, 'de photographie der natie' zijn. Deze problemen kwamen geregeld ter sprake in een reeds in 1871 door Veegens mede opgericht Comité ter bespreking der Sociale Quaestie, waarvan, naast de zg. 'heeren' afkomstig uit hogere sociale lagen, een aantal werklieden deel uitmaakten. Dit comité stelde in elke vergadering resoluties vast, waarin aanbevelingen werden gedaan tot maatschappijhervorming langs legale weg. Het nam in 1879 het initatief tot een Comité voor Algemeen Stemrecht, waarin Veegens een drijvende kracht was. In 1880 stuurde het een adres naar de Tweede Kamer, dat mede door Veegens werd geredigeerd. Tot 1882 toe - in dat jaar moest hij zich wegens de benoeming tot griffier van de Tweede Kamer terugtrekken - maakte Veegens deel uit van het Comité. Omdat toekenning van alle burgerrechten ook oplegging van burgerplichten impliceerde, was Veegens eveneens voorstander van de algemene dienstplicht: hij was betrokken bij de oprichting van de Antidienstvervangingsbond in 1875.

Op economisch terrein was hij de 'ethische richting' toegedaan en bestreed hij het laissez-faire-beginsel van Ricardo en Smith: 'bij de hedendaagsche beschaafde natiën [wordt] een oordeelkundige tusschenkomst van den staat, als vertegenwoordiger der volkseenheid, vereischt.' De staat is 'geroepen om op oeconomisch gebied handelend op te treden, waar de maatschappelijke krachten in de behandeling der algemeene belangen tekortschieten of de zwakken door de sterken onderdrukt worden' (XVIII). Met deze woorden leidde hij zijn vertaling van Emile de Laveleye, Beginselen van staathuishoudkunde (Haarlem, 1884) in. Hij had grote bewondering voor de owenistische initiatieven van zijn Delftse studievriend J.C. van Marken. Zoals bij zijn dood in liberale bladen zou worden geschreven, stond Veegens tijdens zijn leven bekend als 'een onzer kathedersocialisten' en 'min of meer staatssocialistisch.'

In 1881 volgde hij zijn vader op als griffier van de Tweede Kamer: opvallend bleek zijn uiterlijke gelijkenis met zijn voorganger, wiens vogelachtige gelaatstrekken, voorkomen, optreden en eruditie gedurende een veertig jaar lang dienstverband karakteristiek waren geworden! Veegens junior deed voor zijn vader niet onder. In 1882 was hij secretaris van de parlementaire commissie van onderzoek naar de exploitatie der spoorwegen, in 1886 van de parlementaire enquêtecommissie betreffende arbeid (de zg. Commissie-Goeman Borgesius). Voor zijn rapportagearbeid tijdens de grondwetsherziening in 1887 kreeg hij een hoge onderscheiding.

In 1888 werd Veegens als kandidaat van de Liberale Unie voor Groningen in de Tweede Kamer gekozen; hij sloot zich bij de radicale vleugel der liberalen aan. In de Kamer verloochende hij zijn talent als schrijver niet: hij trad op als een gedegen, zijn teksten tot in de puntjes voorlezende docent, die van elke redenaarskunst was verstoken, maar boeide door de inhoud van het gesprokene. Hij steunde de kieswet-Tak van 1893 en stemde in 1896 tegen de hem te beperkte kieswet-Van Houten. Hij ageerde voor arbeidswetgeving, sociale verzekering en coöperatieve bedrijfsvorming; zelfs voerde hij oppositie tegen de hem te behoudende Ongevallenwet van het kabinet-Pierson in 1899. Ook in het kamerwerk zelf was hij actief bijv.: voorbereidende arbeid bij de wetgeving in de Staatscommissie van enquête naar de arbeidstoestanden, die in 1890 het werk van de kamercommissie-Goeman Borgesius vervolgde en in de Staatscommissie voor de droog making van de Zuiderzee in 1892. Van 1899 tot 1901 was hij tweede vice-voorzitter van de Kamer.

In 1901 stelde Veegens zich voor de Vrijzinnig-Democratische Bond herkiesbaar als kandidaat in Hoogezand. Deze partij had zich in dat zelfde jaar van de Liberale Unie afgesplitst en zou, mede onder invloed van Veegens, tenderen naar samenwerking met de aan invloed winnende sociaal-democraten. Veegens verloor de verkiezingen tegen de sociaal-democraat K. ter Laan. Opnieuw kon hij zich aan de juridische studie wijden. In hetzelfde jaar verscheen het eerste deel van zijn Schets van het Nederlandsch Burgerlijk Recht. Toch werd hij in 1903 weer bij de politiek betrokken door de spoorwegstaking, toen onder zijn voorzitterschap een Staatscommissie van enquête omtrent rechtsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden van het spoorwegpersoneel het antwoord van de regering moest vinden op de ontstane sociale onrust. In 1904 werd hij tot lid van de Raad van toezicht op de spoorwegdiensten benoemd.

Toen er na de val van het coalitiekabinet-Kuyper in 1905 een 'uit onvoorzichtigheid geboren' minderheidsministerie van liberale signatuur aan het bewind kwam, vertegenwoordigde Veegens daarin met E.E. van Raalte als minister de vrijzinnig-de-mocratische stroming. Veegens beheerde het sinds 17 februari 1906 opgrichte departement van Landbouw, Nijverheid en Handel, waarop hij weldra een eigen stempel drukte door het organisatorisch uit te breiden. Onder leiding van de ervaren J.C.A. Everwijn werd terstond een apart directoraat voor de Handel opgericht en Veegens wist op doortastende wijze kredieten voor scheepvaartverbindingen naar Latijns-Amerika gevoteerd te krijgen. Indrukwekkend begon hij zijn ministerieel optreden als waarnemer van het department van Waterstaat ter vervanging van de naar Chili vertrokken J. Kraus. In februari 1906 vermelde een stormramp de spoorwegdam bij Rilland-Bath. Met het argument 'er moet niet aan de schrijftafel, maar aan de dijken worden gewerkt' wist hij - tegen bestaande regels in en ondanks oppositie van C. Lely - een versneld krediet voor de redding van de Bathpolder en de spoordam te bewerkstelligen. Nog intensiever was zijn bemoeienis met de sociale wetgeving: hij diende naast vele kleine ontwerp-wetten een wetsontwerp op de ziekteverzekering, de ouderdomsverzekering en de ongevallenverzekering in. Zij kwamen echter niet in behandeling in de Tweede Kamer als gevolg van de val van het kabinet-De Meester in 1908. Zijn opvolger, de antirevolutionair A.S. Talma, op wiens steun hij tevergeefs had gerekend, trok de ontwerpen in.

Veegens bleef ook hierna actief in de politiek, al werd hij tijdens de Tweede-Kamerverkiezingen van 1909 niet meer herkozen: hij was voorzitter van de Tiendcomissie, die de gevolgen moest regelen van de door hemzelf tot stand gebrachte wet op de afschaffing der tienden. Daarnaast voltooide hij het tweede deel van zijn Schets van het Nederlandsch Burgerlijk Recht. Een derde deel werd na zijn overlijden voltooid door A.S. Oppenheim. Deze bewerkte ook de drie herdrukken van het werk, die in de loop der daaropvolgende decennia verschenen. In 1941 werd een vierde druk voltooid door A. Pitlo. Als beknopte inleiding tot het burgerlijk recht bleef Veegens' Schets tot in de jaren 1950 als leerstof aan de universiteiten aanbevolen.

A: Brieven van Veegens aan Van Marken in archief-Gist- en Spiritusfabriek te Delft; familiearchief Veegens in Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage.

P: Behalve de hier genoemde werken: Hoe George een man werd (Haarlem, [1881]) en artikelen in de tijdschriften De Gids, Vragen des Tijds, Sociaal Weekblad en diverse juridische vaktijdschriften. Een overzicht van zijn artikelen in Vragen des Tijds bevindt zich in Vragen des Tijds 37 (1911) 42-43.

L: B.H. Pekelharing, in Vragen des Tijds 37 (1910-1911) II, 1-37; D.J. Veegens, 'Vier eeuwen Veegens' (Den Haag, 1979). Ms. in machineschrift in bibliotheek Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage; G. Taal, Liberalen en Radicalen in Nederland, 1872-1901 (Den Haag, 1980) passim.

J.A.A. Bervoets


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013