Vegting, Wilhelmus Gerardus (1902-1956)

 
English | Nederlands

VEGTING, Wilhelmus Gerardus (1902-1956)

Vegting, Wilhelmus Gerardus, jurist (Amsterdam 3-3-1902 - Utrecht 13-9-1956). Zoon van Gerrit Cornelis Vegting, magazijnbediende, en Wilhelmina Geertruida Cijs. Gehuwd op 13-1-1931 met Frederika Maria Tak. Uit dit huwelijk werden 2 dochters geboren.

Vegting doorliep de driejarige mulo in zijn geboortestad en begon reeds in 1917 zijn werkzaamheden ter secretarie van de gemeente Amsterdam. In 1925 legde hij met succes het staatsexamen gymnasium af en begon hij, naast zijn volledige dagtaak, aan de rechtenstudie. Deze voltooide hij in 1930. Daarna werd hij secretaris bij de dienst der handelsinrichtingen te Amsterdam en later tevens waarnemend directeur van de zeehaven. In 1946 werd hij benoemd tot directeur van de afdeling onderwijs te Amsterdam.

Ondanks zijn drukke werkzaamheden vond hij tijd zich aan de wetenschap te wijden. In 1939 beantwoordde hij een prijsvraag van de Universiteit van Amsterdam, waarvan het antwoord, ware hij nog student geweest, met goud zou zijn bekroond. Zijn antwoord diende tot grondslag voor het proefschrift, waarop hij op 20 juni 1941 cum laude promoveerde, Gemeentelijke verordeningsbevoegdheid en het burgerlijk recht (Alphen a/d Rijn, 1941). Zijn promotor was P. Scholten. In 1946 werd hij benoemd tot buitengewoon hoogleraar in het administratief recht aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn intreerede luidde: Plaats en aard van het administratieve recht (Alphen a/d Rijn, 1946). Nog in hetzelfde jaar verscheen zijn studie Publiek domein en zaken buiten den handel (Alphen a/d Rijn, 1946), van welk boek in 1950 een Franse vertaling uitkwam. Zijn grote bestuurlijke kwaliteiten leidden tot zijn benoeming tot secretaris van de senaat der universiteit in 1947. In 1949 volgde zijn benoeming tot gewoon hoogleraar, terwijl hij tevens werd belast met het onderwijs aan de faculteit der politieke en sociale wetenschappen in de algemene inleiding in de rechtswetenschappen en het Nederlands en vergelijkend staats- en administratief recht.

Vegting, voortgekomen uit de gemeenteadministratie, begreep de behoefte aan bewegingsvrijheid der administratie. Hij zag evenwel het administratief recht als uitzonderingsrecht op het gemene, het civiele recht. Zo kon hij gezag verwerven bij de publiekrechtelijk zowel als civielrechtelijk geschoolde juristen. Hij was een evenwichtig mens en prettig in de omgang, had een eerlijk en bezonnen oordeel en was tevens een voortreffelijk organisator. In het bestuur der universiteit was hij de centrale figuur, en groot is zijn invloed op de organisatie van dit bestuur geweest, eerst als secretaris van de senaat, later als prorector en adviserend lid van het presidium. Hij was lid van vele commissies, vertegenwoordigde de senaat in het rectorencollege, in de Internationale Associatie van Universiteitsprofessoren, had zitting in het bureau van de Western European Union Universities Committee. In 1955 nam hij deel aan internationale besprekingen over de universitaire organisatie en studie in Cambridge en Istanbul. Hij was medewerker aan het Instituut voor Bestuurswetenschappen en van 1948 tot zijn dood lid van de redactie van het tijdschrift Bestuurswetenschappen.

Een slopende ziekte, waarvan de symptomen zich reeds in het voorjaar van 1956 openbaarden, dwong hem zich aan een ernstige operatie te onderwerpen. Het herstel daarna bleek slechts schijn; hij stierf in de leeftijd van 54 jaar.

P: Behalve de hierboven genoemde werken: o.a. Het algemeen Nederlands administratie/recht (Alphen a/d Rijn, 1954-1957. 2 dl.); R. Kranenburg, Inleiding in het Nederlands administratief recht 2e en 3e dr. Bew. door W.G. Vegting (Haarlem, 1951; 1955); 'Onderwijs', in Nederlands Bestuursrecht (Alphen a/d Rijn, 1953) 210-250; preadviezen voor de Vereniging voor Administratief Recht en voor de Nederlandse Juristen-Vereniging resp. in 1947 en 1955; vele bijdragen in de Winkler Prins; De Vrijzinnig-Democraat (1935; 1936); De Gemeentestem (1929; 1954; 1955; 1956); Gemeentebestuur (1929; 1931); Weekblad voor Gemeentebelangen (1935; 1936); Nederlands Juristenblad (1929; 1948; 1949; 1952); Nederlandse Gemeente (1948; 1949; 1950; 1952; 1953); Bestuurswetenschappen (1947; 1948; 1949; 1951); Sociaal Economische Wetgeving (1953); Sociaal Maandblad Arbeid; Rechtsgeleerd Magazijn Themis (1949); Economisch-Statistische Berichten (1934; 1938) en Revue du droit public et de la science politique en France et à l'étranger (1949).

L: M.H. Bregstein, in Folia Civitatis 10 (1956) 3 (22 september) 1-2; C.W. van der Pot, in Nederlands Juristenblad 31 (1956) 734; G.A. van Poelje, in Bestuurswetenschappen 10 (1956) 306a; M.H. Bregstein, in Amsterdamsche Studenten-Almanak 127 (1957)87-89.

W.M. Peletier


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013