Verschuur, Timotheus Josephus (1886-1945)

 
English | Nederlands

VERSCHUUR, Timotheus Josephus (1886-1945)

Verschuur, Timotheus Josephus, minister, en voorzitter van de RKSP (Utrecht 18-3-1886 - omgeving Pölitz (Duitsland) 17-4-1945). Zoon van Timotheus Verschuur, bakker, en Helena Maria Theresia Vink. Gehuwd op 7-5-1913 met Alberdina Maria Adriana van Kerkoerle. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Verschuur, Timotheus Josephus

Verschuur bezocht het gymnasium in zijn geboortestad Utrecht en studeerde rechten aan de Rijksuniversiteit aldaar. In 1910 promoveerde hij op stellingen.

Na de voltooiing van zijn studie was hij in de journalistiek werkzaam bij De Maasbode, in die jaren het meest gelezen landelijke katholieke dagblad, dat een integralistische theologie combineerde met grote aandacht voor economische en sociale vraagstukken. Van 1913 tot 1919 schreef Verschuur de parlementaire overzichten. In dit milieu werd sterk gepleit voor beschermende invoerrechten om de nationale industrie te stimuleren. Ook werd de sociale wetgeving van A.S. Talma gesteund. Als parlementair redacteur stelde Verschuur zich achter sociale hervormingen en schonk hij aandacht aan de mogelijkheden om met de 'moderne' (sociaal-democratische) vakbeweging samen te werken.

Op 3 mei 1919 behoorde Verschuur tot de groep eerste voorzitters van de nieuwe Raden van Arbeid. Hij werd voorzitter van de Raad te Breda, in 1921 bovendien plaatsvervangend lid van het bestuur van de Vereeniging van Raden van Arbeid en van 26 november 1926 tot zijn ministerschap voorzitter van de Vereeniging. In deze functie hield hij zich bezig met vraagstukken van sociale verzekering. Ook op directer politiek terrein was hij in enkele opzichten enigszins actief. Na de reorganisatie die de katholieke politieke beweging in 1926 een echte partijstructuur verschafte maakte hij deel uit van het bestuur van de Roomsch-Katholieke Staatspartij (RKSP). Eerder had hij zich al als brochureschrijver gemengd in de heftige discussies die in katholieke kring gaande waren over bedrijfsorganisatie. Zijn partijpolitieke activiteit lijkt echter van nauwelijks meer dan regionale betekenis (hij leidde jarenlang de kring Tilburg). Hoewel hij blijkens functie en publikaties grote belangstelling had voor sociale vraagstukken maakte hij tot zijn ministerschap bijvoorbeeld geen deel uit van de RK Sociale Studieclub, waarin de meeste vooraanstaande katholieken die zich op dit terrein bewogen elkaar ontmoetten.

Het was op aanbeveling van P.J.M. Aalberse dat hij op 10 augustus 1928 werd benoemd tot minister van Arbeid, Handel en Nijverheid - een post die Aalberse zelf eerder had bekleed. In het nieuw aangetreden tweede kabinet-Ruys de Beerenbrouck volgde hij J.R. Slotemaker de Bruïne van de Christelijk-Historische Unie op. Aanvankelijk richtte Verschuur zich op de problemen van verdere uitbreiding van de sociale wetgeving en op de in zijn kring verlangde bedrijfsorganisatie. De Wet op de Bedrijfsraden van 7 april 1933 was zijn werk. Weldra slokte echter de economische problematiek door de zwakke organisatie van zijn departement al zijn aandacht op. In de Tweede Kamer werd ook op reorganisatie aangedrongen, in zijn partij eveneens.

In september 1931 diende Verschuur in het kabinet een reorganisatieplan voor het departement in, dat hij ook voorlegde aan de adviserende Commissie voor de Economische Politiek. Het behelsde een belangrijke versterking van de afdeling handel van het departement, die met de benoeming van een directeur-generaal voor Handel en Nijverheid en de instelling van de Economische Raad een eigen gewicht zou krijgen, en bovendien een concentratie van het economische beleid onder de minister zelf. Zowel vanuit het bedrijfsleven als in het kabinet werden ernstige bezwaren geopperd. Men vond dat het plan te veel macht bij de regering legde en te duur zou zijn. Pas nadat Verschuur op 31 oktober 1931 zijn collega's een ultimatum had gesteld kreeg hij in de ministerraad zijn zin. Begin 1931 had hij reeds H.M. Hirschfeld, econoom bij de Javasche Bank, uitgenodigd om de eerste directeur-generaal van Handel en Nijverheid te worden. Eind 1931 werd de reorganisatie definitief door de Staten-Generaal goedgekeurd. Het ministerie van Arbeid, Handel en Nijverheid werd per 1 mei 1932, om de nieuwe situatie te beklemtonen, omgedoopt tot Economische Zaken en Arbeid. Vanaf 8-6-1933 tijdens het tweede kabinet-Colijn werden de sociale aangelegenheden echter weer in een apart departement van Sociale Zaken ondergebracht.

Het economische beleid van Verschuur richtte zich verder gedurende de eerste crisisjaren vooral op handelspolitieke maatregelen, en in het verlengde daarvan overleg met het bedrijfsleven op bedrijfstakniveau. In enkele gevallen werden initiatieven genomen om de organisatie van bedrijfstakken, zoals bijv. de metaalsector en huiden-, leder- en schoenenbranche, van bovenaf te bevorderen door de benoeming van contactcommissarissen. Na een mislukte poging in 1930/1931 een vergaande anti-dumpingwet aangenomen te krijgen, kreeg de minister wel eind 1931 goedkeuring voor de Crisis-invoerwet, waardoor op verzoek van het bedrijfsleven contingentering kon worden ingesteld. Een Crisisuitvoerwet verschafte de nodige bevoegdheden tot overheidscoördinatie omdat andere landen contingentering instelden.

Verschuur was nog slechts een goede twee jaar bij de nieuwe opzet betrokken toen hij op 17 april 1934 om gezondheidsredenen aftrad. Na herstel van zijn gezondheid leidde hij onder meer in 1935 een commissie die de regering adviseerde tot verscherpte contingentering en karteldwang in de steenkolen-voorziening. Ook trad hij op als rijksbemiddelaar in de drie zuidelijke provincies en als voorzitter van het Wit-Gele Kruis. Ten slotte werd Verschuur begin 1938 als compromiskandidaat gekozen tot voorzitter van de RKSP. In die functie droeg hij in juni 1939 bij tot het besluit het vierde kabinet-Colijn ten val te brengen en te streven naar een coalitie met de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP): 'Kinderen en gekken regeren bij ons' was zijn vertoornde reactie (L. de Jong, Het Koninkrijk..., I, 666).

Verschuur leidde aanvankelijk de RKSP in de periode van de Duitse bezetting. In het overleg met andere politieke leiders streefde hij enige tijd naar een compromis met de zogenaamde Nederlandse Gemeenschap, een voorloper van de Nederlandsche Unie, waarin prof. J. de Quay, in 1937 nog een kandidaat-voorzitter van de RKSP, een vooraanstaande rol speelde. Noch Verschuur noch iemand anders van de leiding van de RKSP tekende tegen deze oprichting van de Unie verzet aan. De RKSP zelfwas geen lang leven meer beschoren: de door de bezetter op 5 juli 1941 bevolen ontbinding van de RKSP maakte op Verschuur een diepe indruk. Hij nam ten slotte vanaf 1942 deel aan het illegale Grootburgercomité en het Nationaal Comité, dat zich na de bevrijding hoopte op te werpen als 'voorlopig bewind'. Op 2 april 1943 werd hij, evenals de meeste andere leden van het overlegorgaan van de oude partijen, het Politiek Convent, gearresteerd, en via het interneringskamp Haaren naar Sachsenhausen gezonden, waar hij overleed.

Overziet men nu Verschuurs werkzaam leven dan moet de conclusie luiden dat zijn grootste verdienste ligt in de departementale reorganisatie die hij in 1930/1931 doorvoerde als minister van Arbeid, Handel en Nijverheid. Daarmee legde hij de basis voor een moderner economisch beleid. Hij kon daarbij inhaken op maatschappelijke ontwikkelingen (de voortgaande industrialisatie vooral vanaf 1914) en discussies over een betere behartiging van de economische belangen van het bedrijfsleven op overheidsniveau. Ook schiep zonder twijfel de internationale economische crisis die Nederland in 1930/1931 begon te treffen een voor drastisch ingrijpen gunstig klimaat.

Opvallend in Verschuurs carrière is dat hij tot tweemaal toe, als minister en als partijvoorzitter, vanuit een outsiderspositie naar voren werd geschoven. Verschuur, die gold als een zeer goed doch sarcastisch debater (wat hem nogal wat vijanden opleverde), representeerde in zijn partij geen typische groep. 'Hij vertegenwoordigt als het ware zijn eigen richting', zei waarnemend voorzitter mr. J.J.A.H. Houben tijdens de discussies over Verschuurs voorzitterschap eind 1937.

A: Archief ministerie van Economische Zaken over de jaren 1929-1934, deels bij het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage. Archief RKSP bij het Katholiek Documentatiecentrum te Nijmegen.

P: De Sociaal-democratie getoetst door den oorlog (Leiden, 1915); Beginselpolitiek. Een woord tot katholieke kiezers (Bussum, 1917); Bedrijfsorganisatie. Enkele hoofdlijnen gezien van katholiek standpunt (Den Haag, 1925); 'Een algemeen woord', in Tien jaar Raden van Arbeid. Samengest. door T.J. Verschuur, P.J. Aalberse [et al.] (Haarlem, 1930) 1-4.

L: H.M. Hirschfeld, Actieve economische politiek in Nederland in de jaren 1929-1934 (Amsterdam [etc.], 1946); idem. Herinneringen uit de jaren 1933-1939 (Amsterdam, 1959); Herinneringen en dagboek van Ernst Heldring (1871-1954). Uitg. door J. de Vries (Groningen, 1970. 3 dl.) 1069; L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog ('s-Gravenhage, 1972-1974) IV en V; P. de Rooy, Werklozenzorg en werkloosheidsbestrijding 1917-1940 (Amsterdam, 1979); P.E. de Hen, Actieve en re-actieve industriepolitiek in Nederland in de jaren dertig en tussen 1945 en 1950 (Amsterdam, [1980]).

I: G. Puchinger, Colijn en het einde van de coalitie. Deel III (Leiden 1993) afbeelding tegenover pagina 161.

P.E. de Hen


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013