Vlugt, Willem van der (1853-1928)

 
English | Nederlands

VLUGT, Willem van der (1853-1928)

Vlugt, Willem van der, rechtsgeleerde (Haarlem 12-3-1853 - Tongeren, gem. Epe 5-11-1928). Zoon van Jan van der Vlugt, bankier, en Jacoba Henriette Margaretha Hinlopen. Gehuwd op 3-8-1882 met Anna Rauwenhoff. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 2 dochters geboren.

Van der Vlugts loopbaan is van een zeldzame eenvormigheid geweest. In 1879 te Leiden gepromoveerd bij J.T. Buys op een dissertatie De rechtsstaat volgens de leer van Rudolf Gneist I werd hij terstond daarop tot hoogleraar aldaar benoemd op een nieuwe leerstoel, met de leeropdracht 'wijsbegeerte des rechts en encyclopaedie der rechtswetenschap'. Dit hoogleraarschap heeft hij vervuld totdat de leeftijdsgrens aan het einde van de cursus 1922/1923 op 17 september 1923 tot zijn aftreden leidde, met alleen een onderbreking toen hij ingevolge zijn verkiezing tot lid van de Tweede Kamer van 1902 tot 1906 non-actief was (hij bleef echter in die periode als privaatdocent aan zijn vroegere en latere universiteit, Leiden, onderwijs geven). In een interview heeft Van der Vlugt eens van zichzelf gezegd dat hij eerder moralist dan jurist was (De Gids 93 (1929) III, 60). Bevestigd wordt dit door het feit dat verreweg zijn meeste publikaties zijn verschenen in niet-juridische tijdschriften, eerst in De Gids, later in Onze Eeuw (van beide was hij enige tijd redacteur) en zelfs in dagbladen. Deze artikelen betreffen een grote verscheidenheid van onderwerpen, wel merendeels met recht en gerechtigheid samenhangende.

In hoge mate is Van der Vlugt bewogen geweest door de aantasting van de betrekkelijke zelfstandigheid van Finland door het tsarenrijk. Talrijke artikelen in diverse binnen- en buitenlandse organen heeft hij daaraan gewijd. Zijn belangstelling was in het bijzonder gaande gemaakt doordat hij in 1899 aangezocht werd deel uit te maken, met vijf vooraanstaande figuren uit andere landen van een deputatie, die een aantal protesten tegen deze politiek aan de tsaar wilde aanbieden, maar niet werd ontvangen. Na de Eerste Wereldoorlog is hij ook nog in het geschil tussen Finland en Zweden over de Alandseilanden voor de aanspraken van Finland opgekomen.

Als kamerlid behoorde Van der Vlugt tot de fractie der Oud-Liberalen, later herdoopt tot Vrij-Liberalen. De hoofdbeginselen van deze partij, tegenzin tegen staatsbemoeiing met de sociaal-economische verhoudingen en tegen algemeen kiesrecht waren uiteraard ook de zijne; een meer persoonlijke trek vormden zijn vrees voor overwicht van het parlement (waarvan hij in geschriften herhaaldelijk en nadrukkelijk getuigde) en zijn betreuren van de 'antithese', wat hem, zelfs zeer religieus gestemd doopsgezinde, tot een sterke antipathie tegen Abraham Kuyper bracht. Toen de liberale partijen meer en meer tot samenwerking bij verkiezingen met de socialisten neigden, trad hij uit. Reeds tevoren had hij wegens overwerktheid zijn kamerlidmaatschap moeten neerleggen. Overigens belette zijn tegenzin tegen overheidsingrijpen in sociaal-economische verhoudingen hem allerminst voorstander te zijn van particulier maatschappelijk werk. Dit blijkt uit zijn artikel over 'Toynbee-werk' in De Gids van 1892 en vooral uit zijn intiatief tot oprichting van het Leidsche Volkshuis, waarvan hij de eerste voorzitter was. Juist in zijn ongedwongen omgang met bezoekers aan dit Volkshuis kwam zijn beminnelijke persoonlijkheid duidelijk aan het licht.

De nawerking van Van der Vlugts denkbeelden heeft geleden onder de omstandigheid dat zij slechts zeer ten dele in boeken zijn neergelegd. Een tweede deel van zijn dissertatie is niet gevolgd. Zijn Belangrijkste geschriften..., bij zijn 70e verjaardag uitgegeven door leden en oud-leden van de Leidse Juridische Faculteit, draagt opnieuw de vermelding Deel I. Zijn Algemeene inleiding tot de rechtsgeleerdheid, in 1925 verschenen, een boeiend en oorspronkelijk werk, vraagt eigenlijk ook om een voortzetting. Toch zal men vooral uit dit boek een indruk kunnen krijgen van zijn denkbeelden op het gebied van wat uit wetenschappelijk oogpunt toch wel het voornaamste deel van zijn leeropdracht was: de rechtsfilosofie. Hij toont zich daar vooral verwant aan de voorlopers van de Kant-renaissance, F.A. Lange, R. Eucken, W. Windelband; de methodisch strengere redeneertrant van de 'Marburgse' neokantianen heeft hem niet aangetrokken. Wel voelde hij zich, in denkbeelden meer dan in de methode, verwant met R. Stammler. De in zijn proefschrift sterk uitkomende invloed van Lorenz von Stein lijkt wel blijvend te zijn geweest. Diep overtuigd dat de jurist in onpartijdigheid naar rechtvaardigheid heeft te zoeken, heeft hij een vastlegging in formules van de inhoud der rechtvaardigheid altijd afgewezen. Opvallend is zijn uitspraak, reeds in een artikel in Onze Eeuw 'Politisch idealisme' van 1904, dat verzet tegen onrechtvaardig positief recht geboden kan zijn, zij het slechts in uiterste gevallen, een mening die als middenweg tussen het destijds vrijwel volstrekt heersende onvoorwaardelijke legisme en de omstreeks die tijd beginnende bewegingen voor grotere vrijheid tegenover de wet wellicht meer aandacht had verdiend.

P: Behalve bibliografie in Belangrijkste geschriften... I (Leiden, 1923) lijst van geschriften in onderstaand levensbericht van A.S. de Blécourt.

L: G. Scholten, in Rechtsgeleerd Magazijn 47 (1928) 563-566; J.M.J. Schepper, in Indisch tijdschrift van het recht 128 (1929) 243-245; idem, in De Gids 93 (1929) II, 320-344, III, 60-84; H.B. Greven, in Leidsch Jaarboekje 22 (1929-1930) XL-XLVIII; A.S. de Blécourt, in Handelingen en levensberichten van de Maatschappij der Nederlandsche letterkunde te Leiden 1931-1932, 61-114; G.E. Langemeijer, De wijsbegeerte des rechts en de encyclopaedie der rechtswetenschap sedert 1880 [Amsterdam, 1963] 8-14. [Geschiedenis der Nederlandsche rechtswetenschap: 6].

G.E. Langemeijer


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013