Vos, Hendrik (1903-1972)

 
English | Nederlands

VOS, Hendrik (1903-1972)

Vos, Hendrik (Hein), politicus (Terwispel, gem. Opsterland 5-7-1903 - Wassenaar 23-4-1972). Zoon van Hinderikus Vos, onderwijzer, en Hendrika Christina Eggink.

Vos doorliep de HBS in Heerenveen, studeerde aan de TH te Delft (1926 diploma elektronisch ingenieur) en was van 1927 tot 1928 werkzaam bij de Rijksnijverheidsdienst te Deventer en van 1928 tot 1934 bij de Octrooiraad, waar hij zich bezighield met de automatisering van de telefoon. Dank zij een wiskundige aanleg en belangstelling kon Vos van die exact-wetenschappelijke kant uit ook economische vraagstukken die in zijn werkzaamheden de aandacht vroegen aanpakken. Zo ontwikkelde hij zich tot een vooraanstaand economist, terwijl alleen al uit het feit dat hij in zijn jonge jaren onder het pseudoniem van Hans Wispel ook een aantal gedichten publiceerde blijkt dat hij ook literaire belangstelling had.

Van jongs af aan begaan met het lot van mensen die zich aan de onderkant van de maatschappij bevinden, sloot hij zich reeds in zijn studententijd aan bij de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP). Zowel in zijn ideeën die hij zijn leven lang met gedrevenheid uitdroeg, als in zijn gedrag (geheel-onthouder, niet-roker) werd hij een typisch representant van de socialistische beweging. Hij behoorde weldra tot het kleine groepje economen van sociaal-democratischen huize die in de jaren '30 ontdekten dat het dwepen met de socialistische heilstaat de problemen van honger, armoede en werkgelegenheid niet oploste. Zij stonden met een grotere openheid dan de SDAP-leiding tegenover zogenaamde burgerlijke theorieën als die van J.M. Keynes over conjunctuurbeïnvloeding door de centrale overheid, en zij probeerden deze ideeën ingang te doen vinden. Toen binnen de leiding van de SDAP ook de overtuiging veld won dat men langs wetenschappelijke weg tot beter inzicht in en betere aanpak van de crisis kon komen richtte zij een wetenschappelijk bureau op, dat de opdracht kreeg om samen met een uit SDAP en Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) samengestelde commissie een plan op te stellen ter bestrijding van de crisis en ter beheersing van de conjunctuur. Vos werd directeur van dit bureau (1934) en in deze functie werd hij de spil bij het ontwerpen van het Plan van de Arbeid (1935). Dit plan, geïnspireerd door het Belgische Plan van de Arbeid van Hendrik de Man, ontwikkelde enerzijds voor de actuele situatie een crisispolitiek, gericht op vermindering van werkloosheid via forse werkgelegenheid creërende overheidsinvesteringen, en beval anderzijds een geleide economie aan om greep te krijgen op de conjunctuur. Daarbij nam men flink afstand van eerdere opties van de SDAP, in die zin dat socialisatie van de produktiemiddelen niet langer als doel op zich zelf werd beschouwd, maar dat men socialisatie ging zien als een conjunctuurinstrument, nog slechts toe te passen op die bedrijven en bedrijfstakken die conjunctuurverstorend werkten. Dat de SDAP dit plan aanvaardde en met hartstocht propageerde, demonstreerde hoever zij reeds was gevorderd op de weg van marxistische beginselpartij naar programpartij, die ook voor niet-arbeiders aantrekkelijk moest zijn. Aan de propaganda rond het plan, dat vooral buiten de partij op veel kritiek stuitte, nam Vos intens deel, o.a. als redacteur van het sociaal-economische kaderblad van de socialistische beweging. Contact, en van het colportage-weekblad Vrijheid, Arbeid, Brood. Tevens maakte hij diverse oorspronkelijke studies van het conjunctuurvraagstuk in het algemeen, waarover hij o.a. schreef in De Socialistische Gids en in de opvolger na de oorlog ervan, Socialisme en Democratie. Tijdens de bezettingsjaren, die hij weer in dienst van de Octrooiraad doorbracht, schreef hij een uitgebreide studie over de herverdeling van het inkomen in Nederland in 1935/1936, welke studie in 1946 door het Nederlands Economisch Instituut is gepubliceerd onder de titel Enige kwantitatieve onderzoekingen over de betrekkingen tussen overheidsfinanciën en volkshuishouding (Haarlem, 1946).

Het Plan van de Arbeid is overigens een studeerkamerprodukt gebleven. Maar toen Vos in het eerste naoorlogse kabinet-Schermerhorn-Drees op 24-6-1945 minister van Handel en Nijverheid werd, meende hij de kans te hebben om zijn ideaal van de geleide economie te realiseren. Hij ging daarbij gepassioneerd aan de slag en was moeilijk van overhaasting af te brengen. Hij voelde zich gesteund door de minister van Financiën, P. Lieftinck, en door zijn enthousiaste adviseur prof. Jan Tinbergen, die in de jaren '30 bij hem werkzaam was geweest op het wetenschappelijk bureau van de SDAP, met hem voor het grootste deel het Plan van de Arbeid had opgesteld en in Nederland degene was die de idee van centrale economische planning vooral een theoretische grondslag had gegeven. Vos en Tinbergen wilden onder de verantwoordelijkheid van de regering vanuit een Centraal Planbureau (CPB) de gehele economie sturen. Reeds eind 1945 startten zij met een CPB i.o., waarvan Tinbergen directeur werd. Hun voortvarendheid stuitte politiek en ambtelijk en in de ondernemers-wereld evenwel op vele bezwaren; ten slotte is het CPB dan ook niet verder uitgegroeid dan tot een bureau, dat voor de regering wetenschappelijk verantwoorde prognoses omtrent de economische ontwikkeling opstelt.

In nog een ander opzicht bezorgde het eerste ministerschap Vos een grote teleurstelling. Ook hier hield zijn dadendrang geen pas met het kalmere tempo van de tijd en betoonde hij zich niet de bekwaamste tacticus. Na de decennialange discussie over de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie (Pbo) dacht hij nu wel te kunnen overgaan tot een wettelijke regeling van de PBO; zijn ideeën daaromtrent had hij in de zomer van 1943 geconcretiseerd in de toen illegaal verschenen en door personen uit de diverse politieke kringen volgeschreven brochure Om Neêrlands Toekomst [S.l, 1943]. Eind 1945 liet hij een voorontwerp van wet het licht zien, waarin hij echter zo'n dominerende positie voor het gemeenschapsbelang reserveerde, dat men het zelfs in zijn eigen kring niet realistisch vond. Meer nog dan met zijn plannen rond het CPB tekende Vos met dit ontwerp van wet op de bedrijfsschappen zijn doodvonnis als politicus, dat voltrokken werd toen kort daarop zijn partij in de kamerverkiezingen van 1946 een nederlaag leed. Bij de formatie van 1946 eisten de katholieken zijn ministerie op; zij wezen de wegen die Vos wilde begaan principieel af en wensten de geleide economie en de PBO meer naar katholieke inzichten gestalte te geven - hetgeen ook zou gebeuren. Vos, die door zijn eigen partij uiteraard niet zonder meer in de steek gelaten kon worden, werd afgescheept met Verkeer en Waterstaat, een technisch ministerie met geringe betekenis voor het algemene regeringsbeleid. Twee jaar later, in 1948, toen de brede-basisperiode begon, was er voor Vos in het geheel geen plaats meer.

Na even in de Tweede Kamer te hebben gezeten -vóór 1940 had hij daarin vanaf 1937 ook al zitting gehad - nam hij in 1949 het directeurschap op zich van de aan de socialistische beweging verwante Centrale Algemene Verzekeringsmaatschappij NV en de Centrale Levensverzekeringsbank NV. Deze functie vervulde hij tot 1968, toen hij lid werd van de Raad van State. Toen in 1950 de door de katholieken naar hun hand gezette wettelijke regeling van de PBO een feit was, smaakte hij het genoegen kroonlid van de Sociaal-Economische Raad te worden; daar zat hij diverse commissies voor, meestal met betrekking tot het sociale verzekeringswezen.

Afgezien van het lidmaatschap van de Eerste Kamer (1956-1968), vanaf 1960 voorzitter van de PVDA-fractie) en van de Raad van Europa bleven Vos' politieke activiteiten vanaf 1948 beperkt tot de Partij van de Arbeid (PVDA). Hij zat in het partijbestuur, was vice-voorzitter en nam in de periode 1953-1955 tijdens ziekte en sterfbed van Koos Vorrink het voorzitterschap waar. Op de partijcongressen sprak hij aanvankelijk geregeld en boeide hij zijn gehoor met zijn duidelijk positie kiezen wat hij met vuur verdedigde. In de eerste jaren waren zijn geliefde thema's uiteraard de planeconomie en ook de socialisatie. Wat dit laatste betreft had hij zich al in Om Neêrlands Toekomst uitgesproken voor vergaande socialisatie, en zijn ideeën over planeconomie kon hij botvieren in de door hem gepresideerde plancommissie van de PVDA, die in 1951 - zonder medewerking nu van het NVV- het rapport De weg naar vrijheid. Een socialistisch perspectief, dat begrijpelijkerwijs buiten de partij ook op kritiek stuitte, liet verschijnen. Toen hij minister af was, schoof hij gedurende enige tijd behoorlijk naar links op en nam hij openlijk stelling tegen de samenwerking van zijn partij met de KVP in een brede-basiskabinet. Hij raakte steeds teleurgestelder over het uitblijven van reële maatschappelijke veranderingen in socialistische zin en ging de oppositie veel verkieslijker vinden om de PVDA de strijdgeest van de SDAP terug te geven.

Begin 1951 gaf hij zijn gemoed lucht door te bedanken voor het lidmaatschap van het partijbestuur. Aanleiding was het feit dat het partijbestuur zich schaarde achter het regeringsstandpunt inzake Nieuw-Guinea, een standpunt dat minder ver ging dan dat van de fractie in de Tweede Kamer, die onder bepaalde voorwaarden voor overdracht aan Indonesië was (zelf heeft Vos nooit veel moeite gehad met een snelle overdracht, waardoor hij later in de Eerste Kamer tegenover de regering kwam te staan). Hierin zag hij een symptoom van een gedragslijn, voorgestaan door minister-president Drees en partijvoorzitter Vorrink, om vóór alles een regeringscrisis te voorkomen; deze opstelling, zo analyseerde Vos, leidde ertoe dat de PVDA in de regering steeds onder het juk van de andere partners doorging, met als gevolg dat er van een realisering van PVDA-verlangens niets terechtkwam. Onder druk van de partij kwam hij echter in februari 1951 op zijn beslissing terug. Nadien heeft hij tot begin jaren '60 in woord en geschrift de PVDA voorgehouden zichzelf te blijven: in Het Vrije Volk, in Socialisme en Democratie en in Vrij Nederland schreef hij geregeld in deze zin.

Ook op andere terreinen is Vos in de naoorlogse jaren actief geweest. Tot 1956 was hij commissaris van de staatsmijnen. Jarenlang is hij voorzitter geweest van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis te Amsterdam, voorzitter van de raad van commissarissen van de Weekbladpers - uitgeefster van Vrij Nederland - en lid van het bestuur van de stichting die Het Parool uitgaf.

Het is de vraag of Vos nog zou hebben kunnen terugkeren in de actieve politiek toen hij die in 1948 vaarwel had moeten zeggen. Hij was nu eenmaal altijd al enigermate een 'Einzelgänger' geweest, hoogst intelligent, uiterst gevoelig en zeer principieel van aard: gaven die in het politieke bedrijf niet steeds op volle waarde geschat worden en voor Vos' loopbaan in ieder geval belemmerend gewerkt hebben.

P: Ons Plan na een jaar. Uitg. door het Instituut voor arbeidersontwikkeling (Amsterdam, 1936); De maatschappij verandert (Amsterdam, 1937); Van politieke naar sociaal-economische democratie [Amsterdam, 1939]; Levenspeil, levenszekerheid, levensvreugde. Achtergrond van de economische politiek (Amsterdam, [1949]); Overheidswerkzaamheid, overheidsfinanciën en inkomensverdeling (Utrecht [etc.], 1952) samen met J.C. Wijnmalen; 'Vijf jaren volkshuishouding', in Socialisme in de branding. Een bundel opstellen onder red. van G. Ruygers (Amsterdam, 1952) 89-152; Internationale coördinatie der economische politiek (Amsterdam, 1960 [1961]). Preadviezen samen met J.J. Polak en S. Posthuma uitgebr. aan de Ver. voor de Staathuishoudkunde; Het particuliere verzekeringsbedrijf (Deventer, 1972) samen met R. van Boven.

L: F.J.F.M. Duynstee, De kabinetsformaties 1946-1965 (Deventer, 1966); H. van Hulst, A. Pleysier en A. Scheffer, Het Roode Vaandel volgen wij. Geschiedenis van de Sociaal Democratische Arbeiderspartij van 1880 tot 1940 ('s-Gravenhage, [1969]); Jan Tinbergen, in Socialisme en Democratie 29 (1972) 209-211; R. Wijkstra, in Sociaal Maandblad Arbeid 27 (1972) 582-583; F.J.F.M. Duynstee en J. Bosmans, Het kabinet-Schermerhom-Drees 24 juni 1945-3 juli 1946 (Assen [etc.], 1977); R. Abma, 'Het Plan van de Arbeid en de SDAP', in Bijdragen en mededelingen betreffende de geschiedenis van Nederland 92 (1977) 37-68; Gerard Nederhorst, 'Het Plan van de Arbeid', in Het eerste jaarboek voor het democratisch socialisme (Amsterdam, [1979] 109-136); P.E. de Hen, Actieve en reactieve industriepolitiek in Nederland. De overheid en de ontwikkeling van de Nederlandse industrie in de jaren dertig en tussen 1945 en 1950 (Amsterdam, 1980); Nederland industrialiseert! Politieke en ideologische strijd rondom het naoorlogse industrialisatiebeleid 1945-1955. Onder red. van Herman de Liagre Böhl, Jan Nekkers en Laurens Slot (Nijmegen, 1981); Pim Fortuyn, Sociaal-economische politiek in Nederland 1945-1949 (Alphen aan den Rijn, 1981).

J. Bosmans


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013