Waard, Cornelis de (1879-1963)

 
English | Nederlands

WAARD, Cornelis de (1879-1963)

Waard, Cornelis de, wetenschapshistoricus (Bergen op Zoom 19-8-1879 - Vlissingen 6-5-1963). Zoon van Cornelis de Waard, archivaris, en Maartje Tromp. Gehuwd op 8-10-1915 met Helena Christina Schwarz. Uit dit huwelijk werden 2 zoons geboren.

De Waard studeerde, na het gymnasium te Middelburg doorlopen te hebben, wis- en natuurkunde aan de Universiteit van Amsterdam (1898), waar hij in 1903 het kandidaatsexamen behaalde. Hij werd leraar aan de bijzondere HBS in Den Haag en deed zijn doctoraal examen in 1913. Vanaf september 1914 was hij leraar wiskunde aan de HBS te Winschoten en van 1 november 1919 tot zijn pensionering op 1 september 1944 leraar natuurkunde aan de HBS te Vlissingen.

De Waard gebruikte al zijn vrije tijd voor onderzoek in de geschiedenis van de natuurkunde, vooral de zeventiende eeuw betreffend. Zulk onderzoek moest uiteraard voornamelijk gebaseerd worden op archiefstudie, en daar zette De Waard zich toe, waarbij hij zeer waarschijnlijk geprofiteerd heeft van de wenken van zijn vader, die archivaris in Middelburg was. In juni 1905 trof de student De Waard in de handschriftencollectie van de provinciale bibliotheek van Zeeland in Middelburg een zeventiende-eeuwse bundel aantekeningen aan met de weinig zeggende titel: 'Locu communi'. Het bleek het wetenschappelijk aantekeningenboek te zijn van de rector aan de Illustre School in Dordrecht, Isaac Beeckman (1588-1637), die de jonge Descartes had geïnspireerd en in contact stond met P. Gassendi, M. Mersenne en vele andere Hollandse, Franse en Engelse geleerden. De Waard begon de tekst te transcriberen. Zijn leermeester Diederik Johannes Korteweg probeerde de aantekeningen gepubliceerd te krijgen. Een voorstel aan de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem voor subsidie werd niet gehonoreerd. De Maatschappij benoemde in 1910 een commissie (met o.a. Korteweg, H.A. Lorentz en J. Bosscha) om na te gaan of een gehele of gedeeltelijke uitgave wel de moeite waard was. Men kwam tot de conclusie dat het journaal niet van voldoende belang was om een integrale uitgave ervan te rechtvaardigen. Vooral door herhaaldelijk aansporen van E.J. Dijksterhuis in De Gids werd in de jaren '30 toch ingezien dat het journaal niet zo onbelangrijk was als men eertijds dacht. Tussen 1939 en 1953 kon De Waard het Journal tenu par Isaac Beeckman de 1604 à 1634 in vier kloeke delen uitgeven. Deze uitgave, voorzien van een uitvoerige inleiding en tal van aantekeningen, is thans een onontbeerlijke bron voor de geschiedenis van het cartésianisme en van de cultuur in het zeventiende-eeuwse Nederland.

Een andere merkwaardige vondst deed De Waard in 1914 in de universiteitsbibliotheek te Groningen. Hij ontdekte niet-gepubliceerde documenten betreffende de Franse wiskundige Pierre de Fermat (1601-1665), van wie de Oeuvres door Charles Henry en Paul Tannery in 4 delen (1891-1912) waren gepubliceerd. In 1922 verscheen De Waards Supplément aux tomes I-IV. Documents inédits publiés avec notices sur les nouveaux manuscrits.

Bijzonder belangrijk zijn verder de annotaties van De Waard bij de Correspondance du P. Marin Mersenne. Religieux minime, die van 1932 [= 1933] af verschenen en waarvan de publikatie ook nu nog voortgezet wordt. Dit onvoltooide levenswerk van De Waard bevat de uiterst belangrijke correspondentie die Mersenne (1588-1648) met tal van vooraanstaande tijdgenoten voerde. Ook in dit werk zijn de talrijke aantekeningen een ware schatkamer voor het intellectuele leven van de zeventiende eeuw, zowel voor de wetenschaps- als voor de algemene cultuurgeschiedenis.

Naast het verzorgen van de uitgave van deze wetenschappelijke documenten hield hij zich ook bezig met het beschrijven van natuurkundige instrumenten, zoals De uitvinding der verrekijkers (1906), gebaseerd op origineel archiefonderzoek, alsmede een uitvoerige studie over L'expérience barométrique, ses antécédents et ses explications (1936). Ook in het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek verschenen van zijn hand bijdragen over tal van Hollandse en Zeeuwse geleerden, als Martinus Hortensius en personen uit de geslachten Metius en Lansberg.

Door zijn publikaties genoot De Waard vooral in Frankrijk een grote reputatie, waardoor hij niet alleen een hoge Franse onderscheiding (1937) verwierf maar ook zijn wetenschappelijke verdiensten erkend zag in de toekenning van de Prix Binoux van de Académie des Sciences (1937). Na de oorlog werd zijn wetenschappelijke reputatie bevestigd door een gewoon lidmaatschap van de Académie internationale d'histoire des sciences te Parijs (1947) en zijn lidmaatschap van de redactiecommissie van 1947 tot 1957 van de Archives internationales de l'histoire des sciences.

Het gehele wetenschapshistorische werk van deze bescheiden leraar toont een buitengewoon erudiet geleerde, die een van de belangrijkste wetenschapshistorici van ons land is geweest.

P: B.A. van Proosdij, 'Liste des travaux de Cornelis de Waard', in Janus 47 (1958) 128-131.

L: R. Hooykaas, 'A l'occasion du 80 e anniversaire de Cornelis de Waard', in Archives internationales de l'histoire des sciences 12 (1959) 173-175; M. Cornelis de Waard octagénaire', in Janus 48 (1959) 214; B. Rochot, 'Cornelis de Waard 1879-1963', in Revue d'histoire des sciences 16 (1963) 253-256.

H.A.M. Snelders


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013