Westerdijk, Johanna (1883-1961)

 
English | Nederlands

WESTERDIJK, Johanna (1883-1961)

Westerdijk, Johanna, fytopathologe (Nieuwer-Amstel, gem. Amstelveen 4-1-1883 - Baarn 15-11-1961). Dochter van Bernard Westerdijk, arts, en Aleida Catharina Scheffer. afbeelding van Westerdijk, Johanna

Johanna groeide op in een gegoed, intellectueel en kunstzinnig artsenmilieu. Na een bezoek aan de lagere school volgde zij onderwijs aan de Gem. HBS voor meisjes met 5-jarige cursus te Amsterdam, waar ze in 1900 eindexamen deed. Na het behalen van de K IV akte (1904) - waardoor zij bevoegdheid kreeg tot het lesgeven in plant- en dierkunde in het middelbaar onderwijs - vertrok zij naar München om bij prof. K. Göbel onderzoek te doen aan levermossen. Tijdens haar studie had zij hiervoor een sterke belangstelling aan de dag gelegd. In 1905 ging zij naar prof. H. Schinz in Zürich, waar zij in 1906 promoveerde op Zur Regeneration der Laubmoose (Nijmegen, [1906]).

Op 15 maart 1906 vond haar benoeming plaats tot directrice van het Phytopathologisch Laboratorium Willie Commelin Scholten. Onder Westerdijks leiding ontwikkelde dit laboratorium zich van een op de praktijk gericht instituut tot een instelling waar tevens gedegen wetenschappelijk onderzoek werd verricht. In 1907 werd - op verzoek van F.A.F.C. Went - tevens het Centraal Bureau voor Schimmelcultures in het Laboratorium ondergebracht, een onderneming in 1903 door hem opgezet, die in 1907 uit ca. 80 reincultures bestond. Onder leiding van Johanna Westerdijk groeide de collectie zeer snel aan tot wel 11.000 soorten, waarmee de grootste schimmelcollectie ter wereld was ontstaan. De verkoop van schimmels uit deze collectie werd een der belangrijkste bronnen van inkomsten.

In 1913 maakte Johanna Westerdijk een studiereis naar Nederlands-Oost-Indië, Japan en de Verenigde Staten, waarbij vele contacten werden gelegd, vooral in Indië, waar vele van haar studenten een baan zouden vinden. Later zouden reizen naar Portugal en Zuid-Afrika volgen. Op 14 maart 1917 vond haar benoeming plaats tot buitengewoon hoogleraar in de fytopathologie aan de Rijksuniversiteit te Utrecht, waarmee zij de eerste vrouwelijke hoogleraar in Nederland was. Op 5 mei 1930 aanvaardde zij tevens een buitengewoon hoogleraarschap in de fytopathologie aan de Universiteit van Amsterdam. Westerdijk was een goed docente, en schiep voor de studenten ruime mogelijkheden om voor het doctoraal examen biologie de fytopathologie als bijvak te kiezen en om op dat vakgebied te promoveren. De eerste promotie onder haar leiding vond plaats in 1922, en de 56ste en laatste in 1952. Op 2 februari 1921 vond de verhuizing van het Laboratorium Willie Commelin Scholten plaats van Amsterdam naar Baarn, waar Johanna Westerdijk een moestuin en een kas ter beschikking werden gesteld voor het doen van wetenschappelijk onderzoek. In 1927 en 1929 vonden enkele ruimtelijke uitbreidingen plaats. Als gevolg van haar slechte ogen moest Johanna Westerdijk het wetenschappelijk werk gaandeweg aan haar medewerkers overlaten, maar haar geweldige organisatorische kwaliteiten kon zij ten volle blijven ontplooien. In dit verband moge gememoreerd worden dat zij het Centraal Bureau voor Schimmelcultures niet dan met grote moeite door de oorlog heeft geloodst door er bijtijds voor te zorgen dat grote agar-voorraden waren ingeslagen.

Johanna Westerdijk stond bekend als zeer gastvrij, zeer muzikaal en groot liefhebster van feestjes. Hoewel geen feministe of voorstandster van vrouwenbewegingen, was zij actief binnen de Nederlandse vereniging van vrouwen met academische opleiding en de International Federation of University Women; op het congres van 1932 werd zij tot presidente van laatstgenoemde organisatie gekozen, waarbij de beheersing van meer talen haar goed van pas kwam.

Westerdijks wetenschappelijke verdiensten vonden o.a. erkenning in haar benoeming tot lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (1951) en in de verlening van eredoctoraten aan de universiteiten van Upsala (1957) en Giessen(1958).

In 1952 werd Johanna Westerdijk als directrice van het Laboratorium Willie Commelin Scholten en als hoogleraar opgevolgd door L.C.P. Kerling; het Centraal Bureau voor Schimmelcultures bleef nog tot 1958 aan haar zorgen toevertrouwd, waarna de leiding werd overgenomen door mevrouw A. van Beverwijk (1963); hiermee kwam de scheiding tot stand tussen Laboratorium en Bureau.

Na haar terugtreden openbaarden zich spoedig verschijnselen van aderverkalking. Op 15 november 1961 volgde haar overlijden.

P: Niet volledige bibliografie in onder L genoemd werk van M.P. Löhnis.

L: Extra nummer gewijd aan Johanna Westerdijk in Vakblad voor biologen 12 (1931) 125-156 ter ere van haar zilveren jubileum als directrice van het Laboratorium Willie Commelin Schölten; Westerdijk-nummer van het Tijdschrift over plantenziekten 58 (1952) 6 (nov./dec.) 199-268; V.J. Koningsberger, in Jaarboek der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1961-1962, 305-311; M.P. Löhnis, in Mededelingen van de Nederlandse vereniging van vrouwen met academische opleiding 28 (1962) 1 (febr.) 9-11; idem, Johanna Westerdijk, een markante persoonlijkheid [Wageningen, 1963] met o.a. een lijst van gedenkschriften en proefschriften van promovendi.

I: Jaarboek der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1961-1962 (Amsterdam 1962) Afbeelding tegenover pagina 305.

P. Smit


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013