Wijn, Jan Willem (1891-1965)

 
English | Nederlands

WIJN, Jan Willem (1891-1965)

Wijn, Jan Willem, historicus (Den Helder 20-12-1891 - 's-Gravenhage 29-12-1965). Zoon van Cornelis Wijn, majoor-schrijver bij de Koninklijke Marine te Den Helder, en Wilhelmina Nooij. Gehuwd op 17-5-1921 met Huberdina Cornelia Bolier. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren.

Wijn bezocht de rijks-HBS te Den Helder en de Koninklijke Militaire Academie te Breda, waar hij werd opgeleid tot officier der artillerie, bij welk wapen hij op 28 juli 1914 werd benoemd tot tweede luitenant. Wijns belangstelling ging vooral uit naar twee zaken: de geschiedenis en de luchtvaart. In de mobilisatie van 1914 tot 1918 behaalde hij het brevet van waarnemer. Hij bleef aanvankelijk nog artillerist, maar begin 1925 volgde zijn detachering bij de Luchtvaartafdeeling van het leger. In 1930, inmiddels tot kapitein bevorderd, kreeg hij zijn definitieve plaatsing bij dit onderdeel. Tijdens de meidagen van 1940 was Wijn, nu majoor, commandant van het vliegpark te Soesterberg. Van 11 mei 1942 tot 17 maart 1943 zat hij in een krijgsgevangenkamp te Stanislaw. Gedurende al deze jaren had hij zich in zijn vrije tijd intensief met de studie der geschiedenis beziggehouden. Het resultaat hiervan was dat hij de akte MO-geschiedenis behaalde, vervolgens via een colloquium doctum zijn studie aan de Rijksuniversiteit te Utrecht voortzette, waar hij in 1930 cum laude het doctoraal examen aflegde. Vier jaar later promoveerde hij, eveneens cum laude, bij zijn leermeester prof. G.W. Kernkamp tot doctor in de letteren op een proefschrift getiteld: Het krijgswezen in den tijd van Prins Maurits. Na de oorlog, in augustus 1945, was Wijn de eerste professionele historicus die, sinds de oprichting in 1891 aan de Krijgsgeschiedkundige afdeling van de Generale Staf werd verbonden. Hij kreeg daar, eerst als majoor, een jaar later als luitenant-kolonel, de leiding van het bureau Oude Krijgsgeschiedenis. In die functie hielp hij de uitgave voorbereiden van het nog door F.J.G. ten Raa geschreven zevende deel van Het Staatsche Leger, dat in 1950 uitkwam. Het achtste deel is van Wijn zelf en verscheen in drie banden tussen 1956 en 1964. Dit deel behandelt de Spaanse Successieoorlog en behoort tot het beste wat in Nederland over dit tijdperk is gepubliceerd. Het bevestigde Wijns reputatie als militair historicus, een reputatie die hij trouwens met zijn dissertatie reeds alom had verworven. De gedrevenheid voor zijn onderwerp blijkt uit het feit dat hij, na zijn pensionering als militair in 1951 - in 1955 werd hem nog de titulaire rang van kolonel toegekend - tot 1956 op arbeidscontract zijn historisch onderzoek voortzette, om daarna geheel belangeloos aan de voorbereiding van het later verschenen deel VIII van Het Staatsche Leger te werken, waarvoor hij uitgebreid archiefonderzoek verrichtte in binnen- en buitenland. Daarnaast schreef hij talloze artikelen in binnen- en buitenlandse tijdschriften en werkte hij mee aan de Eerste Nederlandse systematisch ingerichte encyclopedie (ENSIE), de Algemene Geschiedenis der Nederlanden (dl. VI en IX) en het Gedenkboek van de Luchtvaartafdeeling 1913-1938 (1938). Algemener bekend waren zijn bijdrage 'Onder het vaandel', in J. Presser, De Tachtigjarige oorlog (1942), dat tijdens de bezetting veel aandacht trok, en zijn monografie over Het beleg van Haarlem (1942), ook al niet zonder reden een succes in bezettingstijd. Een nuttige bronnenuitgave was die van de Krijgskundige aantekeningen -van Johan den Middelste van Nassau (1947).

Het is aan Wijn te danken dat de beoefening van de militaire geschiedenis in Nederland niet uit sluitend meer het terrein is gebleven van de beunhazende dilettant of de goedwillende amateur, wiens belangstelling maar al te vaak op het antiquarische gericht blijft. Wijn heeft met zijn werk aangetoond dat de militaire geschiedenis ook een serieus werkterrein van de beroepshistoricus kan zijn. In hoeverre zijn werk onder vakgenoten gemeengoed is geworden valt moeilijk te beoordelen. Opvallend is wel dat zijn voorbeeldige dissertatie nooit is herdrukt. Daaruit zou de conclusie kunnen worden getrokken dat dit zonder enige 'parti-pris' geschreven werk, niet de aandacht heeft gekregen die het verdient. Dit in tegenstelling tot bijv. The army of Flanders and the Spanish road, 1567-1659 (Cambridge [= London etc.], 1972) van de Engelse historicus Geoffroy Parker, een met veel gerucht omgeven boek, waarvoor Wijns dissertatie, wat betreft kwaliteit en belangwekkendheid, in geen enkel opzicht hoeft onder te doen. Ter wille van die vakbeoefening was hij actief lid in diverse comités en commissies. De bekroning vormde het voorzitterschap van de Commission d'histoire militaire comparée in 1960 - een commissie die hem tevoren als vice-voorzitter had gehad. Veelzeggend is ook in dit verband dat de titel van zijn openbare les bij de aanvaarding op 28 januari 1935 van het ambt van privaatdocent in de geschiedenis van het krijgswezen aan de Rijksuniversiteit te Utrecht luidde: De beoefening der krijgsgeschiedenis in Nederland. De vraag is wel opgeworpen of een overheidsinstelling als het defensieapparaat de aangewezen instantie is om zich op het terrein van de geschiedschrijving te begeven, zoals met de delen van Het Staatsche Leger en andere uitgaven van de voormalige Krijgsgeschiedkundige Afdeling en de huidige Sectie Militaire Geschiedenis van de Landmachtstaf het geval is. Voor Wijn stond het wetenschappelijk karakter van zijn werk voorop. 'Hij schreef als een vrij man, zijn visie is hem door niemand opgedrongen', aldus A.J. Veenendaal, de auteur van Wijns levensbericht.

A: Collectie-Wijn berust bij de Sectie Militaire Geschiedenis van de Landmachtstaf.

P: Zie voor bibliografie het hieronder genoemde levensbericht van A.J. Veenendaal.

L: G.J. van Ojen jr., in Ons Leger 50 (1966) 2 (februari) 6-7; A.J. Veenendaal, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, 1968-1969, 191-198.

H.L. Zwitzer


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013