Wilde, Jacob Adriaan de (1879-1956)

 
English | Nederlands

WILDE, Jacob Adriaan de (1879-1956)

Wilde, Jacob Adriaan de , antirevolutionair politicus (Goes 7-1-1879 - 's-Gravenhage 10-1- 1956). Zoon van Hubertus de Wilde, bakker, wethouder, en gedeputeerde van Zuid-Holland, en Jacoba Soetens. Gehuwd op 20-10-1905 met Adriana Maria Kuijpers. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 3 dochters geboren. Na haar overlijden (10-3-1943) gehuwd op 13-9-1944 met Rosina Nederbagt. Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren. afbeelding van Wilde, Jacob Adriaan de

De Wilde studeerde na het gymnasium te 's-Gravenhage aan de Vrije Universiteit rechten en klassieke taal- en letterkunde. De laatste studie zette hij echter na het kandidaatsexamen niet voort. In 1905 promoveerde hij op stellingen in de rechten aan de Universiteit van Amsterdam. Hierna vestigde hij zich als advocaat en procureur, eerst in Goes en vanaf 1908 in 's-Gravenhage.

Zijn betrokkenheid bij de gang van zaken in de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) bleek voor het eerst naar buiten, toen hij met de brochure Den leider trouw (Goes, 1909) Abraham Kuyper, die hij als secretaris van de door Kuyper voorgezeten staatscommissie voor de spelling van nabij kende, in de zg. lintjeszaak verdedigde. Hierbij zou deze, als minister van Binnenlandse Zaken, in ruil voor door een Amsterdamse koopman in de ARP-verkiezingskas gestorte gelden bevorderd hebben dat laatstgenoemde in 1903 een ridderorde had gekregen. In 1913 behoorde De Wilde tot de medeoprichters van de Nieuwe Haagsche Courant en De Zeeuwse Courant, nevenuitgaven van het antirevolutionaire dagblad De Rotterdammer; tot 1920 bleef hij hoofdredacteur van beide bladen. In 1916 deed hij zijn intrede in de Haagse gemeenteraad, waarna een voortvarende carrière in politiek en partij volgde. In 1918 werd hij lid van de Tweede Kamer, in 1919 wethouder van financiën te 's-Gravenhage en in 1920 onder Colijn vice-voorzitter van het Centraal Convent van de ARP, wat hij tot 1949 zou blijven. Na het aftreden van Kuyper als hoofdredacteur van De Standaard in 1919 maakte hij deel uit van de redactiecommissie die de functie waarnam, totdat Colijn in 1922 als hoofdredacteur begon op te treden. Tot aan zijn ministerschap in 1933 bleef De Wilde kamerlid en wethouder. In 1923 zag hij zijn wethoudersportefeuille uitgebreid met bedrijven, en van 1926 tot 1931 was hij tevens voorzitter van de raad van beheer van het Gemengd Bedrijf der HTM.

In deze jaren bleek al dat De Wilde een knap bestuurder was. Hij kenmerkte zich door een joviale en spontane omgang. Daardoor en door soms haast kinderlijk enthousiasme verwierf hij ook buiten de eigen kring sympathie. Als antirevolutionair was hij een man van beginselen, met wie niet viel te marchanderen. Zo verdedigde hij in 1919 in de Tweede Kamer bij de behandeling van het wetsontwerp-algemeen vrouwenkiesrecht nog het huismanskiesrecht, waarbij in antirevolutionaire kring gespeeld werd met de gedachte dat alleen het (mannelijke) gezinshoofd stemrecht zou krijgen. In later jaren zou hij zich eveneens verzetten tegen de benoembaarheid van vrouwen in publieke functies als die van burgemeester, omdat hij zulks strijdig achtte met het christelijk beginsel. De zondagsrust was hem heilig, en van geloofsgenoten verlangde hij een zelfde instelling. Toen hij in 1933 minister van Binnenlandse Zaken was geworden, hinderde hij bijv. J.A.H.J.S. Bruins Slot in zijn burgemeesterscarrière, omdat diens vrouw 's zondags voor het raam placht te borduren. En in 1940 had hij voorzitter kunnen worden van een door de omroepen voorgenomen samenwerkingsverband, ware het niet dat de avro een veto uitsprak, verbolgen als men er daar o.a. nog over was dat hij als minister geweigerd had op een zondag een studio van die omroep te openen. Met dit soort gedrag gaf De Wilde er blijk van, beginselvastheid te prefereren boven aanpassing aan zich wijzigende omstandigheden. Dat zou hem in de politiek steeds meer parten gaan spelen. Na 1945 was er zelfs van enige voortgaande ontwikkeling of aanpassing in zijn opvattingen en overtuigingen geen sprake meer.

Bij de formatie van zijn tweede kabinet in 1933 dacht Colijn, diep geschokt door de muiterij op 'De Zeven Provinciën', dat de zorg voor de gezagshandhaving het veiligst was in antirevolutionaire handen. De Wilde kreeg daarom toen Binnenlandse Zaken. Op deze post zou hij zich het meest bezorgd tonen over de gezagsgetrouwheid van mensen ter linkerzijde. Lang bleef hij afkerig van de benoeming van sociaal-democraten tot burgemeester. Als voorzitter van de in 1936 ingestelde grondwetscom-missie verdedigde hij met vuur het voorstel, dat de tweede termijn overigens niet zou halen, om de 'revolutionaire vertegenwoordiger' te weren, waarbij hij zich in de Eerste Kamer liet verleiden tot de uitspraak dat hij daarbij bepaald niet allereerst dacht aan vertegenwoordigers van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB). En doordat bij de formatie de radio in zijn portefeuille terecht was gekomen, kon hij, die los van deze context er toch al scherp op toezag dat politieke uitzendingen zoveel mogelijk uit de ether geweerd werden, ook de VARA verbieden nog langer de Internationale uit te zenden en de Vrijdenkers Radio Omroep, die de godsdienst bestreed en in confessionele kring daarom onder revolutionaire verdenking stond, zendmachtiging ontnemen.

Bijzondere aandacht schonk De Wilde aan de relatie van de overheid met de gemeenten. De crisis van toen vormde de achtergrond waartegen men de vergroting van de greep van de overheid op de gemeenten onder zijn ministerschap moet zien. De Wilde wenste dat de overheid de gemeenten kon dwingen de tering naar de nering te zetten, wanneer deze er niet eigener beweging toekwamen, bijv. vanwege de politieke wind in de gemeenteraad. Zo liet hij ook bij wet de uitoefening van de bestuurstaak in Beerta tijdelijk aan de gemeenteraad, waar de raadsmeerderheid door de communisten beheerst werd, ontnemen en aan de burgemeester opdragen (1933-1935).

In de Kieswet wist De Wilde een belangrijke wijziging aan te brengen. Om aan het euvel van de niet-serieuze kieslijsten het hoofd te bieden voerde hij het Engelse stelsel van de waarborgsom in, welke som verbeurd werd wanneer een lijst niet 75% van de kiesdeler haalde. Bij de Tweede-Kamerverkiezingen in 1937 bleek de maatregel het bedoelde effect te sorteren: deden er in 1933 54 partijen mee, in 1937 waren dat er nog maar 20. De invoering van een kiesdrempel van driemaal de kiesdeler ter beperking van het aantal kleine fracties lukte hem evenwel niet.

Vermeld dient nog te worden dat De Wilde zich ten aanzien van de radio grote verdienste verwierf door de omroepen op het gebied van de zendtechniek met succes in de Nederlandsche Omroep Zender Maatschappij (NOZEMA) tot samenwerking te brengen en dat de onder zijn leiding voorbereide grondwetswijziging van 1937 een nieuw hoofdstuk aan de Grondwet toevoegde: 'Van openbare lichamen voor beroep en bdrijf als sluitstuk van de jarenlange discussie over 'ordening', op basis van welk hoofdstuk na 1945 de wetgeving op het punt van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie ter hand zou worden genomen.

In 1937, bij de formatie van het vierde kabinet-Colijn, moest De Wilde, bepaald niet naar zijn zin, Binnenlandse Zaken afstaan. Hij kreeg nu Financiën. Het beheer van dit departement heeft hem in het geheel niet gelegen. Voor dit terrein leken naar het oordeel van latere critici zijn kennis en ervaring, opgedaan als wethouder, niet toereikend. Zijn inzichten bleven uitdrukkelijk binnen de grenzen van het klassieke begrotingsbeleid. Hij stond een beleid voor dat gericht was op een sluitend budget, en dat dacht hij te kunnen bereiken door voortzetting van de aanpassingspolitiek van Colijn van de voorgaande jaren met haar steunverlagingen, loondalingen en bezuinigingen. Maar hij bleek niet opgewassen tegen de 'spending' ministers, aan wie bij de formatie, toen de financiële stiuatie zich rooskleurig voordeed, allerlei nieuwe uitgaven waren toegestaan en die daaraan vasthielden, toen de conjunctuur weer omsloeg en bezuinigingen in de ogen van De Wilde nodiger waren dan ooit. In mei 1939 trad hij af, omdat hij geen enkele kans meer zag om de begroting voor 1940 sluitend te maken. Eigenlijk had hij al in de zomer van 1938 willen heengaan, maar hij had uiteindelijk zich onder de invloed van de Koningin laten weerhouden van een ministercrisis. In 1939 vormde katholieke minister van Sociale Zaken, C.P.M. Romme, de aanleiding. Deze weigerde op de uitgaven voor de werkloosheidsbestrijding te bezuinigen in een mate die De Wilde noodzakelijk vond. Maar er was ditmaal meer aan de hand dan alleen een tegenstelling op financieel vlak. De Wilde vreesde dat, als Romme zijn gang kon gaan, het sociaal-pedagogische element in de werklozenzorg te veel ruimte zou krijgen en de werkloze jeugd dan onderworpen zou worden aan roomse opvoeding van staatswege; daaraan wenste De Wilde niet mee te doen. Hierna keerde hij terug in de Tweede Kamer en nam hij het voorzitterschap op zich van de Rijkscommissie van advies voor de werkverruiming en van de Nederlandse Bakkerij-Stichting.

In de meidagen van 1940 had generaal H.G. Winkelman hem graag op de plaats van K.J. Frederiks als secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken gezien, maar na enige aarzeling wees De Wilde het aanbod af. Voor de Duitsers gold hij achter Colijn als het prominentste lid van de ARP. Dat bleek wel bij de ontbinding van de ARP in de zomer van 1941, toen de partijtop werd gearresteerd. De hele groep kwam in Schoorl terecht, maar Colijn en De Wilde werden afzonderlijk geïnterneerd, Colijn in Valkenburg en De Wilde in Vught. Eind 1941 verhuisde De Wilde naar het gijzelaarskamp te St. Michielsgestel. Een jaar later vrijgelaten, nam hij zitting in het Seniorenconvent van de illegale ARP, dat in 1944-1945 functioneerde als een soort schaduw Centraal Comité. Bij de bevrijding werd hij, omdat Colijn inmiddels in 1944 overleden was, waarnemend voorzitter van de ARP.

In deze hoedanigheid kreeg hij te maken met de -vergeefse - pogingen te komen tot een fusie en, toen die van beide kanten niet gewenst bleek, tot een of andere vorm van samenwerking met de Christelijk-Historische Unie (CHU). Tijdens zijn gijzelaarsschap had hij zich in de gesprekken tussen antirevolutionairen en christelijk-historischen uitgesproken voor nauwere samenwerking, volgens H.W. Tilanus zelfs fanatiek. Maar nu in 1945 moest hij rekening houden met de grote reserve in zijn partij. Die maakte hem terughoudend: 'Om 100.000 Christelijk-Historischen te winnen mogen we geen 80.000 Anti-revolutionairen verliezen.' (Bosscher, 97)

Als waarnemend voorzitter raakte De Wilde samen met de uit gevangenschap teruggekeerde fractievoorzitter in de Tweede Kamer, J. Schouten, in de zomer van 1945 ook betrokken bij de kabinetsformatie. Kabinetsdeelneming lieten zij evenwel afspringen op voor antirevolutionairen typerende gronden. Zij verzetten zich principieel tegen de wijze waarop de formateurs W. Schermerhorn en W. Drees het parlement weer in functie dachten te brengen. Dezen wensten de vacante zetels te laten innemen door personen die in de bezettingstijd naar voren waren gekomen, terwijl De Wilde en Schouten aanvulling van de Kamers uit de vooroorlogse kieslijsten de grondwettelijk enig juiste weg vonden. Ook het voornemen van de formateurs voorlopig geen verkiezingen uit te schrijven, was voor hen onaardvaardbaar. Het gevolg was dat zij zich in de Tweede Kamer gingen opstellen als de felste bestrijders van het nieuwe kabinet.

In de ARP koos De Wilde opnieuw voor de rol van tweede man. Op de buitengewone Deputaten-vergadering van januari 1946 verklaarde hij: 'Het is mij een eer en een vreugde te behooren tot de officieren van den Generalen Staf. Maar de positie van Opperbevelhebber... begeer ik niet.' (Bosscher, 75) Die liet hij aan Schouten. Nog enige jaren bleef hij behoren tot het establishment in de ARP. Dat was echter nog zo beheerst door de opvattingen uit het tijdperk-Colijn dat de ARP zichzelf buiten de kring van de gouvernementele partijen manoeuvreerde. Niet alleen in financieel-economisch opzicht huldigde men inmiddels buiten de partij achterhaald geachte denkbeelden, ook de onverzettelijke koers van volstrekte behoudendheid in de Indonesische kwestie bracht de ARP in het isolement, en daaraan leverde De Wilde zijn bijdrage. Zo baarde hij eens opzien toen hij de progressieve belastingheffing van de naoorlogse minister van Financiën, P. Lieftinck, vergeleek met het systeem-Schacht en de indruk wekte van Keynes nog nooit gehoord te hebben. Het Indiëbeleid van zijn partij noopte hem er overigens toe in zijn positie van vice-voorzitter zitting te nemen in het eind 1946 opgerichte Nationaal Comité Handhaving Rijkseenheid, waarvan P.S. Gerbrandy de drijvende kracht was. Gerbrandy lag om zijn eigenzinnigheid in de ARP altijd al moeilijk, maar vooral werd hem nog steeds nagehouden dat hij in 1939 was toegetreden tot het kabinet-De Geer en zo 'verraad' had gepleegd aan Colijn. Voor De Wilde, die een grenzeloze bewondering voor Colijn koesterde, was het daarom niet gemakkelijk nu Gerbrandy's felle leiding in de oppositie tegen de Indonesiëpolitiek te aanvaarden.

In 1948 kwam er in feite een einde aan zijn politieke carrière. Hoewel door een groot aantal kiesverenigingen voor de Tweede Kamer gekandideerd -ten slott was hij een degelijke, ouderwetse antirevolutionair gebleven, en zo iemand kon rekenen op veel sympathie in de gereformeerde wereld - was er voor hem geen plaats meer op de kandidatenlijst. Het partijbestuur vond dat hij ruimte behoorde te maken voor de noodzakelijke doorstroom. Dat trof hem pijnlijk. Tot 1952 bleef hij nog wel lid van de Eerste Kamer, en in 1953 eerde de ARP hem met het erelidmaatschap, maar enige invloed bezat hij niet meer. Zijn dood in 1956 ging vrijwel onopgemerkt in de ARP voorbij. Daarvoor had hij ook te zeer geleefd in de schaduw, eerst van Colijn en daarna van Schouten. Bovendien was hij een typische representant van het tijdperk-Colijn, waarmee de ARP zich toen niet meer zo zeer wilde identificeren.

P: Het ontslag der ambtenaren bij huwelijk (Goes, 1910); 'De positie van den wethouder van financiën ten aanzien van het algemeen financieel beleid der gemeente', in Gemeentebestuur 1 (1921) 61-63 en 85-86; 'Staat en financiën', in Schrift en historie. Gedenkboek bij het vijftig-jarig bestaan der georganiseerde Antirevolutionaire Partij 1878-1928 (Kampen, 1928) 175-185; 'Jezus Christus en het sociale leven', in Jezus Christus en het menschenleven. Samengest. onder leiding van N. Buffinga. 2e dr. (Amsterdam, 1938) 159-182; 'Dr. H. Colijn als partijleider', in Een groot vaderlander. Dr. H. Colijn herdacht door tijdgenooten. Met inl. van B. Offringa (Leiden, 1947) 168-178; 'Staatkundige ontwikkeling', in Vijftig Jaren. Officieel Gedenkboek ter gelegenheid van het gouden regeringsjubileum van Hare Majesteit Koningin Wilhelmina Helena Pauline Maria 1898-1948. Onder red. van F. Beelaerts van Blokland (Amsterdam, 1948) 206-218; samen met C. Smeenk Het volk ten baat. De geschiedenis van de AR-partij (Groningen, 1949).

L: Hans Hermans, Parlementaire geschiedenis van jaar tot jaar 1938-1939 (Hilversum, 1939); P.J. Oud, Het jongste verleden. Parlementaire geschiedenis van Nederland 1918-1940 2e dr. (Assen, 1968. 6 dl.); L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog ('s-Gravenhage, 1969) I, passim; G. Puchinger, Colijn en het einde van de coalitie (Kampen, 1969-1980. 2 dl.); Hans van den Heuvel, Nationaal of verzuild. De strijd om het Nederlandse omroepbestel in de periode 1923-1947 (Baarn, 1976); F.J.F.M. Duynstee en J. Bosmans, Het kabinet-Schermerhorn-Drees 1945-1946 (Assen [etc.], 1977); Doeko Bosscher, Om de erfenis van Colijn. De ARP op de grens van twee werelden 1939-1952 (Alphen aan den Rijn, [1980]); P.J. Oud, Honderd Jaren. Een eeuw van staatkundige vormgeving in Nederland 1840-1940. Bew. en voor de periode na 1940 aangevuld door J. Bosmans. 8e dr. (Assen, 1982); J. Bosmans, 'De RKSP en de val van Colijn in 1939', in Nederlandse Historische Bronnen III (Amsterdam, 1983)231-306.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 1634.

J. Bosmans


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013