Winkelman, Henri Gerard (1876-1952)

 
English | Nederlands

WINKELMAN, Henri Gerard (1876-1952)

Winkelman, Henri Gerard, opperbevelhebber land- en zeemacht (Maastricht 17-8-1876 - Soesterberg 27-12-1952). Zoon van Julius Hendrik Winkelman, inspecteur der registratie en domeinen, en Charlotte Henriette Caroline Marceline Braams. Gehuwd op 25-9-1902 met Arendina Jacomina Coert. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 2 dochters geboren. afbeelding van Winkelman, Henri Gerard

Winkelman groeide op in een protestants milieu. Na zijn HBS-opleiding in 1892 benoemd tot cadet bij de Koninklijke Militaire Academie (KMA) voor het wapen der infanterie in Oost-Indië, werd hij echter in 1894 bestemd voor het wapen der infanterie in Nederland. Tijdens zijn studietijd aan de KMA was hij lid van verschillende cadettenverenigingen, zoals de Revolver-Schietvereeniging, de muziekvereniging Sempre Crescendo - zijn instrument was cornet-à-pistons - en Pro Patria, in dit corps optredend als scherminstructeur. In 1896 werd hij benoemd tot 2e luitenant en geplaatst bij het 4e regiment infanterie en van 1902 tot 1905, inmiddels tot 1e luitenant bevorderd, gedetacheerd bij de Hoogere Krijgsschool. Daarna vervulde hij afwisselend functies bij de troep en bij verschillende staven. In 1913 volgde de bevordering tot kapitein en in 1923 tot majoor.

Gedurende jaren 1909-1913 en 1917-1924 was Winkelman geplaatst bij de Afdeeling Generale Staf van het ministerie van Defensie, waar hij G.J. Sas, de latere militaire attaché in Berlijn, van nabij heeft leren kennen. Van 1925-1931 diende hij als majoor, luitenant-kolonel en kolonel van de Generale Staf onder meer als sous-chef en vervolgens als chef van de Staf van het Veldleger. In deze laatste functie had hij o.a. de toenmalige kapitein A.Q.H. Dijxhoorn, minister van Defensie in de jaren 1939-1941, onder zijn bevelen. In 1931 volgde zijn bevordering tot generaal-majoor en werd hij commandant van de IVe Divisie, tevens bevelhebber in de 4e Militaire Afdeeling.

Het jaar 1934 bracht een onverwacht, maar voorlopig einde aan zijn militaire loopbaan. Toen de chef van de Generale Staf, luitenant-generaal H.A. Seyffardt, op verzoek eervol ontslag kreeg, kwam deze post, de hoogste binnen de Koninklijke Landmacht, vrij. Vermoedelijk rekende Winkelman erop dat hij als opvolger zou worden benoemd. De minister van Defensie, L.N. Deckers, plaatste echter generaal-majoor I.H. Reynders op de voordracht. Koningin Wilhelmina volgde het advies van de bewindsman, zodat Reynders chef van de Generale Staf werd. Winkelman werd bevorderd tot luitenant-generaal en tegelijkertijd ongevraagd met pensioen gestuurd.

Als gepensioneerde opperofficier bleef Winkelman op verschillende wijzen ten behoeve van de landsverdediging werkzaam: zo had hij zitting in de (Defensie-) Commissie Bezwaarschriften en adviseerde hij van 1938 af ook de directie van het Philips-concern betreffende te nemen evacuatiemaatregelen in geval van het uitbreken van een oorlog. Deze laatste activiteit heeft de legende doen ontstaan dat Winkelman zich later, in zijn functie als opperbevelhebber, zou hebben laten leiden door de belangen van dit bedrijf. Na de afkondiging van de mobilisatie in 1939 werd hij weer in actieve dienst geroepen en met ingang van 1 november van dat jaar benoemd tot commandant van de luchtverdedigingskring Utrecht-Soesterberg.

Tussen de regering en de opperbevelhebber van Land- en Zeemacht, generaal Reynders, bestonden diepgaande meningsverschillen over de toepassing van de Oorlogswet en over het krijgsbeleid. Toen Reynders in een dusdanige conflictsituatie met de regering geraakte dat diens aanblijven niet meer mogelijk bleek, kreeg Winkelman het verzoek zijn plaats in te nemen. Op 6 februari 1940 werd hij benoemd tot opperbevelhebber van Land- en Zeemacht. Wat het krijgsbeleid betreft ging hij uit van een verdedigingsconceptie die verschilde van die van zijn voorganger en meer in overeenstemming was met de opvattingen die bijv. de toenmalige minister van Defensie, Dijxhoorn, koesterde. Winkelman was geen voorstander van de hardnekkige verdediging van de Peel-Raamstelling, maar legde het accent op de verdediging van het hart van Nederland.

Toen het in de meidagen van 1940 dan ook tot werkelijke verdediging van het land kwam, werd volgens deze door Winkelman gehuldigde strategie die stelling spoedig ontruimd en viel de hoofdverdediging toe aan de strijd voorbij de IJssel bij de Grebbelinie ten noorden van de grote rivieren. Het is moeilijk te beoordelen in hoeverre juist deze strategie de snelle nederlaag van het Nederlandse leger tegen de Duitse aanvaller heeft bespoedigd dan wel vertraagd. Zeker is het wel dat de verdediging van de Grebbelinie niet van die kracht en taaiheid blijk heeft gegeven als waar Winkelman op gerekend had. Tijdens de meidagen gaf deze overigens in het legerapparaat grondig opgeleide en getrainde opperbevelhebber met een enigszins gesloten karakter blijk van evenwichtigheid en vastberadenheid. Hij was een man die op essentiële ogenblikken, wanneer van hem beslissingen werden gevraagd, deze weloverwogen en zonder aarzeling nam. Het is niet onwaarschijnlijk dat de interne verdediging van de vesting Holland tegen de zware aanvallen van de Duitse parachutisten mede dank zij hem, na het eerste moment van verrassing, grotendeels met succes kon worden gevoerd en Den Haag niet overrompeld werd. Ook ten aanzien van de strijd om Rotterdam nam hij belangrijke beslissingen.

Op 13 mei 1940 verleende de regering, die het land verliet, aan Winkelman machtiging om op het door hem juist geacht tijdstip over te gaan tot capitulatie en werd hij tevens de hoogste gezagsdrager op Nederlands grondgebied. De overgave tekende hij te Rijsoord op 15 mei 1940. Ook in de daarop volgende weken stond hij voor een zeer zware taak: hij was verantwoordelijk voor de demobilisatie van de krijgsmacht en oefende tevens, na het vertrek van de regering naar Londen, het regeringsgezag uit. Zijn standvastige en onverzoenlijke houding jegens de bezetter bleek al spoedig duidelijk na de capitulatie en deed hem tot een nationale figuur uitgroeien, die moedig, beleidvol en loyaal zijn land diende. Toen de Duitsers een Witboek publiceerden over de oorlog in Scandinavië en West-Europa en hierin volgens Winkelman een onjuist beeld gaven, liet de generaal een tekst voor een rondschrijven opstellen om de beweringen te logenstraffen. Na het incident van Anjerdag (29 juni 1940) en verschillende brieven van Winkelman over samenwerking met de vijand en de juiste toedracht rond het bombardement van Rotterdam was voor Seyss-Inquart de maat vol. In de nacht van 1 op 2 juli 1940 liet hij Winkelman arresteren en als krijgsgevangene naar Duitsland afvoeren, waar deze tot het einde van de oorlog zou blijven. Op 12 mei 1945 keerde Winkelman uit krijgsgevangenschap terug, maar in het vaderland waren geen belangrijke taken meer voor hem weggelegd. Per 1 oktober 1945 werd hem eervol ontslag verleend uit de militaire dienst. Van 24 augustus tot 1 september 1946 had hij zitting als militair raadsheer in de Bijzondere Raad van Cassatie. In 1949 werd hij erevoorzitter van het Comité voor de toekenning van het Mobilisatie-Oorlogskruis. Op 27 december 1952 overleed hij te Soesterberg. Zijn nagedachtenis werd geëerd door de naamswijziging van de Legerplaats Nunspeet in Generaal Winkelmankazerne en door de onthulling aldaar van zijn borstbeeld.

L: L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog ('s-Gravenhage, 1969) II, 235-268; C.M. Schulten, 'Generaal H.G. Winkelman', in Legerkoerier 31 (1981) 4 (april) 14-16.

I: Honderdvijftig jaar Generale Staf, 1814 - 11 maart - 1964 ('s-Gravenhage 1964) 128.

C.M. Schulten


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013