Wit, Anna Augusta Henriette de (1864-1939)

 
English | Nederlands

WIT, Anna Augusta Henriette de (1864-1939)

Wit, Anna Augusta Henriette de (Augusta), schrijfster (Siboga (Sumatra) 25-11-1864 - Baarn 9-2-1939). Dochter van Jan Carel de Wit, resident van Timor, en Anna Maria Johanna de la Couture

Augusta de Wit ging na een verblijf van acht jaar in Ned.-Indië in 1872 naar Nederland. Na de lagere school en de meisjes-HBS in Utrecht bezocht te hebben studeerde zij Engels in Londen en Cambridge. Van 1894 tot 1896 gaf zij les in Engels en Duits aan de HBS voor meisjes in Batavia. Na haar terugkeer in Nederland was zij van 1896 tot 1905 lerares in Den Haag, waar zij zich tegelijkertijd toelegde op litterair en journalistiek werk. Dit nam haar sinds 1905 geheel in beslag. Zij vestigde zich in Laren, waar zij tot 1910 woonde. In de jaren 1910-1913 maakte zij een studiereis door de Indische Archipel: na haar terugkomst werd zij correspondente van de NRC achtereenvolgens in Berlijn, München, Parijs en Grabow (voorm. Pruisen; thans DDR). Sinds 1937 woonde zij in Baarn.

Geboren en voor een belangrijk gedeelte van haar jeugd opgegroeid in het voormalige Ned.-Indië werd Augusta de Wit door dat land van herkomst in sterke mate bepaald. De verschillende functies die haar vader in dienst van het gouvernement vervulde, gaven haar de kans veel van dat grote eilandenrijk te zien. Deze vroege indrukken versterkte en corrigeerde zij door nog tweemaal gedurende enige jaren daar te werken en te reizen. Haar genegenheid voor land en volk, gepaard aan een kritische houding tegenover het Nederlandse, of in ruimere zin westerse, kolonialisme, dreef haar naar een voorkeur voor 'linkse' politiek. Zij sloot zich in 1916 aan bij de Sociaal-Democratische Partij (SDP), maar in geen van haar geschriften gaf zij van die keuze blijk. Zij was allerminst 'politiek', en volgens Henriette Roland Holst zeker niet in communistische zin.

Toen Augusta de Wit begon te schrijven, was de invloed van naturalisme en impressionisme nog krachtig. Onder strenge voorwaarden kan men haar werk 'realistisch' noemen, naturalisme bleef haar vreemd, en met het impressionisme had zij alleen de hartstocht voor de waarneming gemeen. Het realisme van haar verhalen tendeert naar een aanschouwing die poogt het waargenomene met een ideale schoonheid te doorlichten totdat een schone werkelijkheid zichtbaar werd. Daarom spreekt zij in Gods goochelaartjes (Amsterdam, 1932) van 'een schoone schijn die de omhullende openbaring is van schooner werkelijkheid'. Hoewel haar stijl eerder aan plastiek doet denken dan dat hij muzikale ontroering wekt, kreeg toch de muziek haar sterkste aandacht. In De avonturen van een muzikant (Amsterdam, ca. 1927) worden de vervoeringen die tot de aanschouwing van de schone werkelijkheid leiden, opgeroepen door muziek en water. Dit vloeibaar element verenigde voor haar de 'natuurlijke' geluiden met de helderheid van waarneming. Aldus werkten zintuiglijkheid en verbeelding samen op een wijze die haar een bescheiden, maar eigen plaats in de literatuurgeschiedenis verzekerde. Is zij verwant aan De Tachtigers in haar zien, dan stelt haar schouwen haar tussen de neoromantici.

Ruimste bekendheid verwierf zij met de novelle Orpheus in de dessa (Amsterdam, [1903]; talloze herdr.), waarin het tekort van de materialistisch gedreven westerling Bake zich pijnlijk toont als hij de fluitspelende Si Bengkok neerschiet: de muziek die de klassieke harmonie van het schone, het goede en het ware voor de menselijke verbeelding ontsluiert. En dit terwijl naar De Wits mening de westerse mens juist de oosterse zou kunnen helpen om tot ontwikkeling te komen.

Deze opvatting - de zogenaamde ethische houding tegenover de inheemsen - plaatst haar evenzeer in de tijd van 1900 als dat het streven naar helderheid en waarheid haar dicht bij het 'nieuw classicisme' bracht, dat ongeveer terzelfder tijd een artistieke stroming kenmerkte. Aldus onderscheidde zij zich van andere schrijvers, die overwegend trouw bleven aan een naturalistisch streven of zich beperkten tot een wat vlak 'realisme'. Zij verwierf een eigen, zij het bescheiden, plaats in de Nederlandse literatuur.

A: Manuscripten, brieven e.d. in Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage.

P: Behalve de in de tekst genoemde werken: Verborgen bronnen (Amsterdam, 1899); Facts and fancies about Java (Singapore, 1896.2d ed. The Hague, 1900); De godin die wacht (Amsterdam, 1903); Het dure moederschap (Amsterdam, [1907]); Het gulden sprookjesboek (Amsterdam, 1910. 3 dl.); Natuur en menschen in Indië (Amsterdam, 1914); De wake bij de brug en andere verhalen (Amsterdam, 1918); De drie vrouwen in het Heilige Woud (Amsterdam, [1920]); De wijdere wereld (Amsterdam, 1930); Liefde en geweld langs den Barito [Baarn, 1939].

L: M.H. van Campen, Nederlandsche romancières van onzen tijd (Haarlem, 1921); G. Brom, Java in onze kunst (Rotterdam, 1931); E. Augustin, 'Augusta de Wit', in Critisch bulletin, suppl. van De Stem 19 (1939) I, 324-327; M.H. van der Zeyde, 'Augusta de Wit in nuce', in Bundel opstellen van oud-leerlingen aangeboden aan prof.dr. C.G.N. de Vooys... (Groningen, 1940) 376-382; Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische Spiegel (Amsterdam, 1973); A. Romein-Verschoor, Vrouwenspiegel (Nijmegen, [1977]). Fototmech. herdr. van 1e uitg. get.: De Nederlandsche romanschrijfsters na 1880 (Utrecht, 1935). Proefschrift Leiden.

H.A. Wage


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013