Zweers, Bernardus Josephus Wilhelmus (1854-1924)

 
English | Nederlands

ZWEERS, Bernardus Josephus Wilhelmus (1854-1924)

Zweers, Bernardus Josephus Wilhelmus (Bernard), componist en muziekpedagoog (Amsterdam 18-5-1854 - Amsterdam 9-12-1924). Zoon van Hendricus Antonius Zweers, muziekhandelaar, en Hermina Petronella van Solt. Gehuwd op 9-2-1899 met Dora Maria de Louw, zangeres. Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren. afbeelding van Zweers, Bernardus Josephus Wilhelmus

Bernard groeide te Amsterdam als oudste zoon van de veelzijdige, uit Gelderland afkomstige amateur-musicus H.A. Zweers in een voor hem vruchtbaar cultureel klimaat op. Zijn vader had in de Kalver-straat een 'Roomsche Boek- en Muziekhandel' die later met een handel in piano's werd uitgebreid. Bovendien maakte H.A. Zweers zich verdienstelijk als zanger, organist, koordirigent en uitgever van enkele kerkelijke werken van Nederlandse componisten (R. Hol, G.A. Heinze, H. van der Eyken). Bernard Zweers begon op veertienjarige leeftijd te componeren. Een muzikale vakopleiding vond zijn vader echter niet gewenst. Vandaar dat Bernard op zelfstudie was aangewezen, terwijl hij daarnaast zijn vader in de zaak moest helpen. Enige bewaard gebleven kamermuziekwerken geven een indruk van zijn ontwikkeling in deze jaren.

Met de aan zijn vader opgedragen Missa quatuor vocibus voor mannenkoor en orgel uit 1877 betrad Zweers voor het eerst het terrein van de vocale muziek dat een zo belangrijke plaats in zijn oevre zou gaan innemen. Dit werk en de ballade Winnend verlies voor koor en orkest (zijn eerste, in 1879 gedrukte compostitie) bezorgden hem voor het eerst ook openbare successen. Van beslissende betekenis voor zijn muzikale ontwikkeling was de bijwoning van de Berlijnse première van Wagners Ring des Nibelungen in mei 1881. 'Mijne ooren, die altijd suizen, suisden toen eerst recht! Ik, die nooit verder dan Nijmegen was geweest en nooit ofte nimmer zelfs een gewone opera had gehoord, ik was te Berlijn en hoorde Wagner"s Ring!... en kwam als volbloed Wagneriaan terug', aldus zijn autobiografische mededeling, geciteerd naar Henri Viotta (p. 4). Toen enkele jaren later Viotta in Amsterdam de Wagnervereeniging oprichtte (1883) werd Zweers dan ook een van de eerste, overtuigde aanhangers.

In de zomer van 1881 voltooide Zweers zijn eerste symfonie, die onmiddellijk daarna (25 september) onder zijn leiding in de oude Parkzaal in Amsterdam in première ging en ook in Dordrecht werd uitgevoerd. Nu kon bovendien een lang gekoesterde wens in vervulling gaan: gedurende het jaar 1882 werd Zweers in de gelegenheid gesteld bij Salomon Jadassohn, een autoriteit op het gebied van de muziektheorie, in Leipzig lessen in contrapunt te volgen, om zodoende alsnog een professionele basis voor zijn componeren te verkrijgen. Na negen maanden studie begon hij in Leipzig ook nog aan zijn 2e symfonie.

In februari 1883 in zijn geboorteplaats teruggekeerd kon hij zich volop aan het componeren wijden. Verschillende uitgevers publiceerden koorwerken van hem, o.a.: Psalm 104 'De Kosmos' (1883), Vrijheid (1884) en Ons Hollandsch (1885). Reeds toen was Zweers tot de slotsom gekomen alleen Nederlandse teksten voor zijn vocale composities te willen gebruiken. Om zich aan het Amsterdamse publiek als componist te presenteren, organiseerde hij met medewerking van de Amsterdamsche Orkestvereeniging in 1884 een 'Invitatie-concert' waarop zijn 2e symfonie, de onuitgegeven so-locantate De Hoop en Psalm 104 werden uitgevoerd. Het eerste bewijs van officiële erkenning dat hem ten deel viel, was zijn benoeming in 1885 -Hol, D. de Lange en H.F.R. Brandts Buys waren hem als zodanig voorgegaan - tot dirigent van het Amstels Mannenkoor. Ook nam hij de leiding op zich van het koor van de RK Mozes en Aaronkerk. Beide betrekkingen heeft hij echter ten gevolge van zijn toenemende doofheid slechts gedurende enkele jaren kunnen vervullen. Op 33-jarige leeftijd begon Zweers aan zijn grootste project, de omvangrijke 3e symfonie, die de titel Aan mijn vaderland kreeg. Zweers werd hierin geïnspireerd door natuurtaferelen, zoals uit de opschriften van de verschillende delen blijkt (In Neerlands wouden. Op het land, Aan het strand en op zee). Toen deze drie delen (nog niet de gehele symfonie) voltooid waren, zette een comité van vooraanstaande musici, onder wie F. Coenen sr., D. de Lange en Viotta, zich in voor de uitvoering van dit werk, dat op 23 maart 1888 in de Amsterdamse Stadsschouwburg door Zweers zelf ten doop kon worden gehouden. Het jaar daarop bracht W.F.G. Nicolaï deze delen in Den Haag ten gehore in het kader van de zg. 'Toekomst-concerten'. Pas begin 1890 werd het vierde deel, Ter hoofdstad, aan de symfonie toegevoegd. In deze vorm werd het werk door het Concertgebouworkest onder leiding van Willem Kes voor het eerst uitgevoerd. Later beleefde het menige uitvoering onder leiding van W. Mengelberg en kon het toen ook bij A.A. Noske in druk verschijnen (1908).

Op initiatief van Leo Simons en H.P. Berlage componeerde Zweers toneelmuziek (voorspelen en reien) voor de opvoering van Vondels Gijsbrecht van Aemstel, die op 16 januari 1895 in de nieuwe Amsterdamsche Schouwburg plaatsvond. Deze muziek werd, te zamen met de toneelmuziek van A. Diepenbrock, gepubliceerd in de door A.J. Derkinderen en Berlage geïllustreerde Gijsbrecht-uitgave van de Erven F. Bohn (Haarlem). Door zijn bekendheid als componist had Zweers in Amsterdam een aantal privé-leerlingen gekregen (o.a. Diepenbrock). Bovendien aanvaardde hij theorielessen aan de orkestschool van het Concertgebouw, die door de dirigent Kes in het leven was geroepen. Toen deze school werd overgenomen door het Conservatorium, benoemde Daniel de Lange hem in 1895 aan deze instelling tot leraar voor compositie, contrapunt en harmonie. Gedurende ruim 25 jaar (tot 1922) heeft Zweers in deze functie een belangrijk aandeel gehad in de muzikale vorming van componisten, dirigenten, zangers en instrumentalisten.

Een essentieel element bij Zweers, zijn vaderlandse instelling, werd steeds meer in brede kring erkend, niet in de laatste plaats door zijn populaire cantate St. Nicolaasfeest [1890] en door zijn beide Kroningscantates, die t.g.v. de inhuldiging van koningin Wilhelmina (september 1898) in het Concertgebouw werden uitgevoerd. Het lag dan ook voor de hand dat toen Mengelberg het initiatief nam tot het houden van een driedaags Nederlands muziekfeest (januari 1902), Zweers tot de organisatoren behoorde. Er volgden nog meer nationale manifestaties: voor de feestelijkheden bij de herdenking van Rembrandts 300ste geboortedag in 1906 componeerde Zweers de concertouverture Saskia en de cantate Rembrandt. Het jaar daarop schreef hij een koorwerk voor de De Ruyter-herdenking. In 1912 werd door de Mij. tot Bevordering der Toonkunst wederom een Nederlands muziekfeest te Amsterdam gehouden, dat ditmaal een week duurde. Ook hierin had Zweers een belangrijk aandeel:

Mengelberg dirigeerde o.a. Zweers' Aan de Schoonheid (1909), een werk voor soli, koor en orkest, waarin o.a. Dora Zweers-de Louw solistisch optrad. Dit werk was het begin van een groot aantal composities die Zweers op gedichten van zijn vriend P.C. Boutens heeft geschreven: o.a. Kind der aarde (1909), Maanlicht (1909), Zonnekus (1909), Leeuwerik (1914), Avondlicht (1922), Rozen (1923). Deze koorwerken en liederen vormen het zwaartepunt in Zweers' laatste scheppingsperiode. Na 1909 schrijft Zweers (met uitzondering van Rozen) niet meer voor groot orkest. Hij componeert nu uitsluitend vocaal, al dan niet met pianobegeleiding of met een kleine bezetting. Opmerkelijk uit de latere jaren zijn de twee Wijzangen op tekst van Tagore in de vertaling van Fr. van Eeden, voor sopraan en blaaskwintet (1914/1915). Het is typerend dat Zweers' laatste compositie uit 1924 een loflied op Nederland zou worden: Hart en land (Boutens) voor sopraan en piano.

De grote waardering die Zweers tijdens zijn leven ondervond kwam vooral tot uitdrukking in de nationaal opgezette viering van zijn 70ste verjaardag (1924). Van de generatie 1870-1900 kunnen de volgende componisten tot zijn leerlingen gerekend worden: H. Cuypers, B. Frensel Wegener, W. Landré, A. Lambrechts, K. Kuiler, J. Bonset, S. Dresden, D. Ruyneman, B. van den Sigtenhorst Meyer, H. Andriessen, E.W. Mulder en A. van der Horst. Voor het muziekleven in ons land is Zweers' bijdrage tot het scheppen van een specifiek 'Nederlands' klankkoloriet (zijn symfonie Aan mijn vaderland is te vergelijken met Smetana's Ma Vlast) van onmiskenbaar belang. Van zijn vocale composities zijn de latere werken het meest waardevol.

A: Archief-Zweers in het Nederlands Muziek Instituut te 's-Gravenhage.

P: Bibliografie in bovengenoemd archief.

L: Viotta, Onze hedendaagsche toonkunste-naars (Amsterdam, [1893-1896. 2 dl.]) II, afl. 15/16, 1-7; D. de Lange, 'Bernard Zweers', in Eigen Haard 22 (1897) 637-639; W. Hutschenruyter, 'Bernard Zweers', in Woord en beeld. Geïllustreerd maandschrift 3 (1898) 149-153; 'De vijf kompositiën voor de Rembrandt-feesten', in Het Leven 1 (1906) 653-660; 'Bernard Zweers', in Eigen Haard 40 (1914) 417-418 en 455; H.L. Berckenhoff, Kunstwerken en kunstenaars (Amsterdam, 1916); S. Dresden, Het muziekleven in Nederland sinds 1880 (Amsterdam, 1923) 49-59; Zweers-nummer in Caecilia 81 (1924) 178-192; W. Landre, 'Bernard Zweers 1854-1924', in Symphoma 7 (1924) 9 (15 mei) 1-2; H. Burger, 'De muziek van Bernard Zweers bij Vondels "Gysbreght van Aemstel"', in Stemmen des tijds 20 (1931) I, 273-286; W.H. Thijsse, 'De Saskia-ouverture van Bernard Zweers', in De wereld der muziek 8 (1941-1942) 361-362; H. Rutters, 'Bernard Zweers', in Mens en melodie 4 (1949) 365-369; E. Reeser, Een eeuw Nederlandse muziek (Amsterdam, 1950) 206-214; A. Diepenbrock, Brieven en documenten. Bijeengebr. en toegel. door E. Reeser (Den Haag, 1962- . dl.); E. Braches, 'Over Derkinderen's Gijsbreght van Aemstel', in Open 3 (1971) 3-16.

I: E. Reeser, Een eeuw Nederlandse muziek 1815-1915 (Amsterdam, 1986 [Tweede druk]) 159.

C. von Gleich


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013