Andreae, Sijbrandus Johannes (1844-1921)

 
English | Nederlands

ANDREAE, Sijbrandus Johannes (1844-1921)

Andreae, Sijbrandus Johannes (door naamstoevoeging bij KB van 23-2-1862 nr. 102 gewijzigd in Fockema Andreae), rechtshistoricus (Beetsterzwaag 4-6-1844 - Leiden 17-1-1921). Zoon van Arnold Andreae, notaris, en Geeske Fockema. Gehuwd op 19-5-1870 met Elisabeth Reinardina Tonckens. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 2 dochters geboren.

Fockema Andreae bezocht, na drie jaar privaatles van een gouverneur, het gymnasium te Leeuwarden en studeerde vanaf 1863 rechten in Leiden. Op 16 december 1868 promoveerde hij aldaar op een proefschrift Beschouwingen over burenrecht. Hij begon een carrière bij de rechterlijke macht, eerst als kantonrechter in Lemmer en in Hillegersberg, daarna als rechter in Leiden en in Amsterdam. In 1877 werd hij benoemd tot hoogleraar in het oud-vaderlands recht te Leiden, een ambt dat hij tot zijn emeritaat in 1914 zou bekleden.

Hij was de eerste bezetter van de leerstoel 'het oud-vaderlandsche recht en zijne geschiedenis', gecreëerd op grond van de Hooger Onderwijswet van 1876. Hij had tot op dat ogenblik alleen enkele artikelen over het geldend recht gepubliceerd; in 1875 was hij preadviseur voor de Nederlandsche Juristen-Vereeniging geweest over De verlaging der strafminima met afschaffing van de leer der verzachtende omstandigheden. Hij moest zich in het nieuwe vak - dat overigens in het Academisch Statuut van 1877 niet tot een verplicht examenvak gemaakt was - geheel inwerken. Hij deed dit op zeer systematische en grondige wijze, nadat hij in zijn inaugurele rede, getiteld Gronden voor de beoefening der Germaansche rechtsgeschiedenis (Leiden, 1877), zich tot enkele algemene beschouwingen over het nut van de studie van het Germaanse recht had bepaald, die duidelijk de invloed van de germanistische richting binnen de Duitse Historische School verraden.

Hij maakte zich eerst vertrouwd met het - in gedrukte vorm - aanwezige materiaal. In 1881 publiceerde hij zijn Overzicht van Oud-Nederlandsche rechtsbronnen (waarvan in 1923 een herz. en bijgew. 2e dr. verscheen, die in 1981 fotomechanisch gereproduceerd werd). Na een monografie over De stad Vollenhove en haar recht (Zwolle, 1885. 2 dl.), die men als een eerste - niet geheel geslaagde -poging tot synthese kan zien, begon hij met de publikatie van een reeks opstellen over afzonderlijke rechtsinstituten. De eerste handelen vooral over huwelijks- en huwelijksgoederenrecht alsmede horigheid; zij werden verenigd in drie bundels onder de titel Bijdragen tot de Nederlandsche rechtsgeschiedenis (Haarlem, 1888-1892. I-III). Deelstudies over andere onderwerpen, zowel uit het privaat- als uit het publiekrecht, volgden en leidden ten slotte tot de publikatie van twee 'handboeken': deel IV van de Bijdragen... (Haarlem, 1900), dat de geschiedenis van de rechterlijke organisatie van de Zeven Provinciën beschrijft, en Het Oud-Nederlandsch Burgerlijk Recht (Haarlem, 1906. 2 dl.), dat volgens de systematiek van het Burgerlijk Wetboek van 1838 vrijwel alle onderwerpen van privaatrecht behandelt op grond van hetgeen daarover in de - gedrukte - bronnen te vinden is. Als voorstudie voor dit laatste werk kunnen gezien worden de 'Aanteekeningen' die hij voegde bij zijn uitgave van Hugo de Groots Inleidinge tot de Hollandsche rechtsgeleerdheid (1e dr. Arnhem, 1895; 2e dr. 1910; 3e en 4e dr., resp. 1926 en 1939, bew. door L. J. van Apeldoorn). Ter gelegenheid van zijn emeritaat in 1914 verschenen een aantal van zijn overige studies als deel V van de Bijdragen... (Haarlem, 1914).

Fockema Andreae heeft in zijn zevenendertigjarig professoraat de grondslagen voor de moderne beoefening van het oud-NederIandse recht gelegd: hij heeft een vrijwel onbekend terrein ontgonnen en een renaissance in de wijze van bestudering van de bronnen bewerkstelligd. Hij heeft de studie van het oudvaderlandse recht ook uit haar isolement gehaald door haar op de hoogte van haar tijd te brengen, in geregeld contact met de buitenlandse wetenschap; vooral in Duitsland werd zijn werk hoog gewaardeerd. Kritiek op zijn methode is zowel tijdens zijn leven als na zijn dood naar voren gebracht; hij was sterk positivistisch ingesteld en zijn ideaal was min of meer 'een Burgerlijk Wetboek en een Wetboek van Strafrecht te schrijven voor de Middeleeuwen en de Republiek' (Muller, Jaarboek..., 27). Niettemin is zijn werk van blijvende waarde, zowel nationaal als internationaal gezien.

Een 'school' heeft Fockema Andreae niet gesticht. Omdat zijn vak geen examenstof was, was het aantal studenten dat zijn colleges volgde niet groot (gemiddeld vijf of zes). Hij verenigde echter, vooral op zijn privatissima, enkele enthousiaste leerlingen. De meest bekwame onder hen was J. van Kuyk (1883- 1949), die hem evenwel in 1914 niet wilde opvolgen.

Fockema Andreae's betekenis voor de wetenschap van de Nederlandse rechtsgeschiedenis is op zeer evenwichtige wijze geschetst door zijn kleinzoon en naamgenoot S.J. Fockema Andreae (1904-1968).

P: Een lijst van zijn geschriften is te vinden in het onder L vermelde levensbericht door S. Muller Fzn. Voor nadien verschenen herdrukken e.d. zie hierboven in de tekst.

L: J. van Kuyk, Tijdschrift voor rechtsgeschiedenis 2 (1920- 1921) 355 - 358; S. Muller Fzn, in Jaarboek der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam 1921 - 1922, 13 - 43; S.J. Fockema Andreae [jr.]. Geschiedenis van de Nederlandsche wetenschap van de Nederlandsche rechtsgeschiedenis [= Geschiedenis der Nederlandsche rechtswetenschap III, afl. l (Amsterdam, 1950)] 88 e.v.; R. Feenstra, 'De beoefening van de rechtsgeschiedenis aan de Leidse Universiteit van rond 1875 tot rond 1925', in Een Universiteit herleeft. Wetenschapsbeoefening aan de Leidse Universiteit vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw. Uitg. door W. Otterspeer (Leiden, 1984) 55-7

R. Feenstra


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013