Bakhuijs, Elisa Hendrik (1909-1982)

 
English | Nederlands

BAKHUIJS, Elisa Hendrik (1909-1982)

Bakhuijs, Elisa Hendrik (bekend onder de naam Bep Bakhuys), voetballer (Pekalongan (Ned. -Indië) 16-4-1909 - 's-Gravenhage 7-7-1982). Zoon van Hermanus Bernhardt Willem Bakhuijs (bekend onder de naam Bakhuys), administrateur, en Maria Carolina van der Mandele. Gehuwd op 16-12-1936 met Maria Wilhelmina Meijer. Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren. Na echtscheiding (29-3-1951) gehuwd op 2-10-1956 met Baligje van der Velden. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Bakhuijs, Elisa Hendrik

Elk decennium kent zijn voetballers die meer dan de anderen tot de verbeelding van de massa spreken. Tijdens de jaren dertig, toen de publieke belangstelling voor de voetbalsport in Nederland inderdaad massaal werd, was Bakhuys (met de bijnaam Beb of - minder juist - Bep) een van die sterspelers, zeker de meest besprokene. Zijn loopbaan had een tamelijk grillig verloop.

Hij werd geboren op Midden-Java te Pekalongan. Toen hij zes was stuurden zijn ouders hem voor zijn scholing naar Nederland, net als twee oudere broers. In Den Haag kreeg hij een oud-generaal van het KNIL als voogd. Deze stond hem met enige tegenzin toe lid te worden van een voetbalvereniging. Aanvankelijk was dat het Haagse Quick, vanaf 1919 Houdt Braef Stant (HBS), eveneens te 's-Gravenhage. Bij deze verenigingen leerde hij de beginselen van het spel, niet meer dan de eerste, want in 1922 zond men hem naar de rijks-HBS te Zwolle. Voetballen deed hij ook in het oosten van het land, en wel bij de Zwolsche Athletische Club (ZAC), waarvan hij in januari 1922 lid werd. Ondanks zijn jeugd speelde hij al gauw met de senioren mee. In 1925 was hij weer even terug in Den Haag. Bij HBS, dat hetzelfde jaar kampioen van Nederland was geworden, vond men hem talentrijk genoeg om in het eerste elftal op te stellen. Van een Engelse trainer leerde hij hard te schieten met zowel zijn linker- als zijn rechtervoet. Op 27 september 1925 maakte hij tegen Haarlem zijn competitiedebuut als middenvoor. Hij scoorde meteen twee doelpunten. Maar al na een jaar was hij terug bij ZAC. Het lag in de bedoeling dat hij later zijn geluk zou gaan beproeven in Indië, en met het oog daarop werd het nuttig geacht dat hij de Tuinbouwschool in Frederiksoord zou bezoeken (op de Koloniale Landbouwschool in Deventer was geen plaats). Voetballen boeide hem meer dan het schoolwerk. In ZAC speelde hij zo voortreffelijk dat hij kandidaat werd voor het Nederlands elftal. In 1927 was hij tweemaal reserve; op 12 februari 1928 verscheen hij voor het eerst in het veld als de nationale middenvoor, tegen Italië. Hij kwam nog drie keer voor Nederland uit voordat hij in 1930 naar Indië vertrok.

Erg gemakkelijk bleek het daar niet om in de cultures geschikt werk te vinden. Hij belandde ten slotte bij de Bataafsche Petroleum Maatschappij. Het kantoorwerk wisselde hij met voetbal af: in Soerabaja trok hij het shirt aan T(ot) H(eil) O(nzer) R(ibbenkast), dat nog enkele andere ex-HBS'ers in zijn gelederen telde. De crisis sloeg ook in Indië toe en Bakhuys werd wegbezuinigd. Er bleef hem weinig anders over dan terug te keren naar Nederland. Daar pakte hij van alles aan zonder maatschappelijk echt zijn draai te kunnen vinden. In 1933 speelde hij opnieuw voor ZAC in Zwolle. Deze vereniging was intussen gedegradeerd naar de tweede klasse. Maar Bakhuys gaf zijn oude club nieuwe impulsen. Zijn optreden voor ZAC leek regelrecht uit een spannend jongensboek te komen. Door de tientallen doelpunten die hij scoorde klom het elftal plotseling omhoog en werd het zelfs kampioen van de oostelijke divisie. Niet alleen in het oosten maar ook in de rest van Nederland hoorde men zijn 'machtige poeiers', met als gevolg dat hij weer werd uitgenodigd voor het Nederlands elftal.

Onder leiding van de Engelse trainer Bob Glendenning en de mentale begeleider Karel Lotsy beleefde de nationale ploeg een bloeiperiode. Tot geestdrift van een talrijke supportersschare behaalde het in interlands de ene overwinning na de andere. Met de rentree van Bakhuys werd een nog geduchtere voorhoede geformeerd: Bakhuys in het midden, geflankeerd door Kick Smit en Leen Vente. Wat Bakhuys kon werd duidelijk in de eerste de beste wedstrijd na zijn terugkeer uit Indië. Op 11 maart 1934 scoorde hij tegen België een doelpunt dat onverbrekelijk met zijn naam is verbonden. Een lage bal van rechts kopte hij languit vallend het Belgische doel in. Nog altijd heet een doelpunt dat met een dergelijke zweefduik wordt gemaakt een 'Bakhuysgoal'. Nederland won de wedstrijd tegen de Belgen met liefst 9-3, en leek rijp het toernooi om de wereldbeker van 1934, dat in Italië zou worden gespeeld, met klinkend succes te bekronen. Heel Nederland zong daarom 'We gaan naar Rome' (de plaats van de finale); speciaal van Bakhuys verwachtte men veel. Maar de ontnuchtering volgde al in Milaan, waar zevenduizend met de trein, de bus of op de fiets meegekomen supporters het Nederlands elftal tegen Zwitserland zagen verliezen. Ook Bakhuys verrichtte geen wonderen. Toch bleven hij en het nationale team opvallende resultaten boeken in de periode van 1934 tot 1936. In totaal speelde hij 23 keer in het Nederlands elftal en maakte hij 28 doelpunten. Bakhuys, 1.81 lang, atletisch gebouwd, het donkere haar strak naar achteren gekamd, de scheiding in het midden en voorzien van een paar flinke flaporen, was tijdens de crisisjaren een ware Nederlandse sportheld.

Sportief gezien mocht hij in het middelpunt van de belangstelling staan, maatschappelijk bleef het tobben met twaalf ambachten en dertien ongelukken. In 1935 verhuisde hij weer van Zwolle naar Den Haag. Op 28 februari 1937 speelde hij zijn laatste wedstrijd op Houtrust. De Venlose voetbalvereniging VVV was geïnteresseerd in hem geraakt. Hij besloot daar zijn heil te zoeken. Voor VVV was de vreugde echter van korte duur: de Koninklijke Nederlandsche Voetbalbond (KNVB) ontdekte dat deze vereniging Bakhuys een sigarenzaak had aangeboden. Het bondsbestuur, dat de amateurstatus maagdelijk wenste te houden, zag daarin een schending van de heiligste regels, en schorste hem prompt als lid van de bond. Voor de kranten was dat natuurlijk sensationeel nieuws.

In dat zelfde jaar 1937 werd hij gecontracteerd door de FC Metz uit Frankrijk, waar kort tevoren het professionalisme was ingevoerd. Men herinnerde zich Bakhuys - voor de Fransen 'Bakwie' - levendig uit de wedstrijd Frankrijk-Nederland (12-1-1936), die door Nederland met 6-1 was gewonnen dank zij drie doelpunten van een op zijn best spelende Bakhuys. De FC Metz gaf hem een handgeld van 22.000,- en een maandsalaris van zeshonderd gulden, vorstelijke bedragen naar de normen van die tijd. Bakhuys was de eerste beken de Nederlandse voetballer die in het buitenland voor geld ging spelen. Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog dreigde een einde te maken aan zijn Franse avontuur. Hij werd vanuit Nederland, dat inmiddels door de Duitsers bezet was, op transport gesteld naar Leipzig, waar hij als instrumentmaker moest werken. 'Het voetbal is daar mijn grote redding geworden', herinnerde hij zich later. Van de Duitsers kreeg hij enige bewegingsvrijheid. Hij benutte deze door omstreeks 1943 terug te gaan naar Metz. Tot aan zijn achtendertigste jaar (1947) zou hij bij de FC Metz onder contract blijven. Volgens ingewijden ging zijn spel er nog op vooruit, maar het voetbalpubliek alhier las nog slechts sporadisch over hem. Desondanks had hij zijn vaste plaats in de voetbalhistorie reeds veroverd: velen waren ervan overtuigd dat niemand op de vaderlandse velden harder had geschoten, als middenvoor een betere spelverdeler was geweest of sneller met het hoofd gekopt had.

Ook na zijn terugkeer naar Nederland bleef de KNVB hem beschouwen als een soort gevallen vrouw. Gemakkelijk had hij het in de maatschappij nog steeds niet, en zijn gezondheid liet eveneens te wensen over. Aan het begin van de jaren vijftig werd hij wegens tuberculose in een sanatorium te Renkum opgenomen. Na zijn herstel zorgden relaties ervoor dat hij een betrekking kreeg bij het Centraal Bureau Rijvaardigheid te Rijswijk. Daar zou hij zijn leven verder slijten. Inzake de sport schreef hij voor enige tijdschriften en Haagse dagbladen verslagen van voornamelijk amateurwedstrijden, terwijl hij op de televisie fungeerde als freelance medewerker voor de rubriek 'Sport in beeld'. Op gezette tijden haalde hij ten behoeve van journalisten herinneringen op aan zijn actieve voetballoopbaan. In de sportliteratuur, bijv. in het bekende Neerlands voetbalglorie (Amsterdam, 1949) van ir. A. van Emmenés, was hij inmiddels geboekstaafd als 'een van de opmerkelijkste, een van de allerbeste voetballers van ons land'.

A: Archief-Haagse Voetbal-, Cricket- ∓ Hockeyvereniging "HBS", te 's-Gravenhage in het bezit van de club.

L: Aad van Leeuwen, 'Bep Bakhuis de meest toegejuichte Zwollenaar', in Tussen de rails 8 (1959) 4 (september) 43-45; D. Zijlstra, Sportsterren van toen (Amsterdam, 1971) 39-42; AJS [A. J. Schuwer], 'De schijnwerper op een grandioze voetbalcarrière', Kraaiennieuws. Clubblad van de Haagse Voetbal-, Cricket- ∓ Hockey vereniging "Houdt Braef Stant" 65 (1979) 3 (juni) 56-58. Aanwezig in GA 's-Gravenhage; 'Bep Bakhuys: legendarische middenvoor', in Het Binnenhof, 14-4-1979; 'Profcarrière van een unieke voetballer', in Zwolse Courant, 13-4-1979; Fred Racké, Een eeuw Haags voetbal [Rijswijk, 1983] 162-163.

I: Website Sportgeschiedenis.nl: http://www.sportgeschiedenis.nl/2006/12/12/de-doelpunten-van-supervoetballer-bep-bakhuys.aspx [22-1-2008].

A. Lammers


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013