Bas, Fran├žois de (1840-1931)

 
English | Nederlands

BAS, François de (1840-1931)

Bas, François de, krijgshistoricus ('s-Graven-hage 10-9-1840 - 's-Gravenhage 22-2-1931). Zoon van Willem Jacobus de Bas, heer van Barwoutswaarder en Bekenes, adjunct-commies der 1e klasse bij de provinciale griffie van Zuid-Holland, en Johanna Maria Köhler. Gehuwd op 26-8-1863 met Maria Cornelia Wilhelmina Vinkhuyzen. Behalve 1 zoon en 2 dochters die jong overleden, werden uit dit huwelijk 3 zoons en 2 dochters geboren. afbeelding van Bas, François de

Nog geen zestien jaar oud deed De Bas op 4 september 1856 zijn intrede als cadet der cavalerie op de Koninklijke Akademie voor de Zee- en Landmagt te Breda. Zijn vooropleiding had De Bas in zijn woonplaats Den Haag op de kostschool van Guillaume Alexander Burnier genoten. De benoeming tot 2e luitenant op 1 juli 1860 bij het 3e Regiment Dragonders sloot zijn opleiding bij de Koninklijke Militaire Academie af. Bijna vier jaar later, op 17 juli 1864, werd hij voorbevorderd tot 1e luitenant bij de Generale Staf. In het voorjaar van 1868 was hij één van de vier leerlingen die werden toegelaten tot de toen in het leven geroepen 'school tot voorlopige opleiding van stafofficieren', de voorloper van de sedert 1 november 1875 geheten 'krijgsschool voor officieren' te Breda.

De Bas volgde tot 1872 gedurende de wintermaanden en het voorjaar de lessen aan de school, terwijl hij in de zomermaanden werd gedetacheerd bij verschillende legeronderdelen, tijdens de mobilisatie van 1870 bijvoorbeeld bij het Mobiele Leger. Daar was hij adjudant van luitenant-generaal W.J. Knoop (1811-1894), bekend publicist op krijgshistorisch gebied, die als lid van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam in 1858 had voorgesteld de belangrijkste bronnen en bouwstoffen der Nederlandse krijgsgeschiedenis voor publikatie te ontsluiten. De vooraanstaande historicus prof. J. Bosscha en de rijksarchivaris R.C. Bakhuizen van den Brink onderzochten op verzoek van de Akademie Knoops voorstel, brachten een gunstig advies uit en bepleitten de oprichting van een historische afdeling bij het departement van Oorlog. Het zou De Bas zijn die aan Knoops voorstel in de jaren negentig metterdaad gestalte zou geven.

Twee van de vier officieren die in 1868 de cursus waren begonnen slaagden in 1872 voor het eindexamen, onder wie De Bas, die als eerste was geëindigd en die dat zelfde jaar nog bij keuze werd bevorderd tot ritmeester bij het 2e Regiment Huzaren te Venlo. Een jaar later was hij weer, als kapitein, terug bij de Generale Staf. Daarna verliep zijn carrière gelijkmatig. Van 1878 tot 1885 was hij leraar aan de krijgsschool in Den Haag. Na zijn bevordering tot majoor in 1885 werd hij in september 1887 opnieuw geplaatst bij het 2e Regiment Huzaren. Behalve zijn spoedig daarop volgende bevordering tot luitenant-kolonel, zou hij van deze plaatsing, die het einde zou inluiden van zijn actieve militaire carrière, weinig plezier beleven. In 1889 werd zijn loopbaan geknakt door een gedwongen huwelijk van zijn oudste dochter, die vier maanden na de trouwdatum een kind ter wereld zou brengen uit haar echtverbintenis met een 2e luitenant, die weliswaar inmiddels was overgegaan naar het Oost-Indische Leger, maar oorspronkelijk had gediend in het regiment van De Bas. In een samenleving die wat betreft de omgang der seksen volstrekt andere normen hanteerde dan die welke thans gebruikelijk zijn, zeker in het milieu waarin De Bas verkeerde, gold het voorgevallene als iets ongehoords en voor De Bas als een ramp, een woord dat hij met betrekking tot deze kwestie zelf meermalen gebruikte. Een zestal jaren later zou hij zich trouwens in een brief aan een bevriende generaal nog bitter uitlaten over de hem destijds 'in den dienst te beurt gevallen bejegening'.

De voor hem blijkbaar onhoudbaar geworden positie bij het 2e Regiment leidde tot een min of meer impulsief ingediend verzoek om op non-activiteit te worden gesteld, die hem, ingaande 20 augustus 1890, werd verleend. Vanuit deze situatie schiep hij zich een nieuwe carrière, die langer zou duren dan zijn in militaire dienst doorgebrachte tijd. Nog als majoor was van hem in 1887 het eerste deel verschenen van een historische studie, getiteld Prins Frederik der Nederlanden en zijn tijd (Schiedam, 1887-1913), die in totaal vier delen zou omvatten. Met dit boek presenteerde De Bas zich als militair historicus, en na zijn non-activiteitsverlening in 1890 ging hij zich uitsluitend op de beoefening van de krijgsgeschiedenis toeleggen. In oktober van dat jaar bood hij de minister van Oorlog, luitenant-generaal J.W. Bergansius, een memorandum aan waarin ook hij pleitte voor de oprichting van een afdeling krijgsgeschiedenis bij de Generale Staf. De historische geïnteresseerde bewindsman honoreerde dit verzoek niet volledig, maar bewerkstelligde wel dat De Bas werd belast met nasporing en studie van de Nederlandse krijgsgeschiedenis tegen een toelage van 1.000,- per jaar. Dit betekende dat hij, z'n credo 'ad fontes' volgend, zich vooral bezig zou houden met het opsporen van bronnen die van belang zouden kunnen zijn voor de vastlegging in geschrifte van de Nederlandse krijgsgeschiedenis.

In 1895 werd De Bas op zijn verzoek op pensioen gesteld, waarbij hem de rang van kolonel werd verleend. Zijn werkzaamheden als speurder naar krijgshistorische bronnen zette hij onverminderd voort, blijkbaar tot tevredenheid van zijn opdrachtgever, want in 1897 ontving hij de titel van directeur van het Krijgsgeschiedkundig Archief van de Generale Staf. Met instemming van de Chef van de Generale Staf had De Bas, naast de uitoefening van zijn historische activiteiten, sinds 1892 een tijdelijke aanstelling verkregen bij het Koninklijk Huisarchief. In die hoedanigheid slaagde hij er in 1900 in, na opdracht van koningin Emma, van groothertog Adolf van Luxemburg, als oudste mannelijk afstammeling van het Huis Nassau, de toestemming te verkrijgen dat nakomelingen uit het huwelijk van koningin Wilhelmina met prins Hendrik van Mecklenburg de titel van 'Nassau' zouden mogen blijven voeren. De werkzaamheden op het Koninklijk Huisarchief verhinderden overigens niet dat De Bas sinds 1896 jaarlijks een verslag publiceerde over zijn krijgsgeschiedkundige nasporingen. Een overzicht van dit speurwerk naar bronnen publiceerde hij in het door hem samengestelde Repertorium voor de Nederlandsche Krijgsgeschiedenis ('s-Gravenhage, 1905). Met de Belgische kolonel van de Generale Staf graaf J. De T'Serclaes de Wommersom schreef hij een driedelig werk, getiteld La Campagne de 1815 aux Pays-Bas (Brussel, 1908-1909) waarin werd getracht het optreden van de Nederlandse troepen bij Quatre-Bras en Waterloo in een ander en beter licht te stellen dan tot dusver in buitenlandse geschriften gebruikelijk was. Het boek deed hem op voorspraak van de Chef van de Generale Staf als gepensioneerd luitenant-kolonel nog een rang hoger stijgen, waardoor hij zich generaal-majoor mocht noemen. In die jaren vond ook enige uitbreiding plaats van het personeel van het Krijgsgeschiedkundig Archief. Belangrijk was de plaatsing in 1908 op eigen verzoek daar van de luitenant-kolonel b.d. F.J.G. ten Raa, die als individueel opererend krijgshistoricus reeds van zich had doen spreken.

Ten Raa had belangrijke gegevens meegebracht voor het schrijven van een geschiedenis van 'Het Staatsche Leger', waarvoor hij reeds uitgebreid onderzoek had verricht op het Algemeen Rijksarchief. Het eerste geheel door Ten Raa geschreven deel, verscheen in 1911. Op het titelblad werd als medeauteur echter ook F. de Bas genoemd, die zijn positie van directeur van het Krijgsgeschiedkundig Archief had gebruikt om de aan hem ondergeschikte Ten Raa in deze voor een voldongen feit te stellen, in de geleerde wereld overigens geen onbekend verschijnsel. Postuum kreeg Ten Raa de eer die hem toekwam, doordat de delen 6 en 7 van Het Staatsche Leger 1568-1795, na zijn overlijden in 1926, exclusief onder zijn naam werden gepubliceerd, deel 6 in 1940 en deel 7 in 1950. De Bas, die met vele binnen- en buitenlandse onderscheidingen werd begiftigd, is tot op hoge leeftijd als directeur verbonden geweest aan het Krijgsgeschiedkundig Archief, sinds 1913 als luitenant-kolonel b.d. met de rang van luitenant-generaal. Hij verliet het Archief in 1927 om gezondheidsredenen op bijna 87-jarige leeftijd. Voor dit Krijgsarchief is hij vooral de speurder geweest naar bronnen van belang voor de militaire historie, waardoor deze instelling in de loop der jaren over een schat aan documentatiemateriaal kon beschikken, die echter geheel verloren is gegaan als gevolg van het geallieerde bombardement op het Haagse Bezuidenhout op 3 maart 1945.

Hoewel De Bas 'navorsching der waarheid' in zijn vaandel had staan, erkende hij ook dat 'geschiedenis schrijven altijd subjectief is'. Dit kleurde dan ook zijn opvattingen, die vooral werden beïnvloed door zijn onvoorwaardelijke aanhankelijkheid aan het Huis van Oranje, waardoor zijn geschriften thuishoren in de orangistische traditie der Nederlandse geschiedschrijving. De blijvende verdienste van De Bas is geweest dat hij erin is geslaagd de aanbevelingen van Bosscha en Bakhuizen van den Brink uit 1858 in realiteit om te zetten en uit het niets een instituut te laten verrijzen dat zich specifiek bezighield en nog bezighoudt met de bestudering en beschrijving van het Nederlandse militaire verleden.

A: Collectie - F. de Bas berust bij Sectie Militaire Geschiedenis van de Landmachtstaf te 's-Gravenhage.

P: Zie voor bibliografie bovengenoemde collectie.

L: J. van Roon, 'Generaal F. de Bas en de N.-Indische kartografie', in De Indische Gids 49 (1927) II, 593-595; Derks, in Eigen Haard 57 (1931) 222-223; W. baron Snouckaert van Schauburg, in Die Haghe. Jaarboek 1931, 6-13; W.E. van Dam van Isselt, in De Militaire Spectator 100 (1931) 121-123.

I: Die Haghe. Jaarboek 1931, afbeelding tegenover pagina 6.

H.L. Zwitzer


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013