Beekman, Anton Albert (1854-1947)

 
English | Nederlands

BEEKMAN, Anton Albert (1854-1947)

Beekman, Anton Albert, historisch-geograaf (Amsterdam 5-1-1854 - 's-Gravenhage 23-5-1947). Zoon van Anthonius Gerardus Franciscus Beekman, majoor bij de Jagers, en Agnes Françoise Adriana Brouerius van Nidek. Gehuwd op 27-12-1880 met Wilhelmina van Deventer. Zij hadden 3 zoons en 1 dochter. afbeelding van Beekman, Anton Albert

Beekman stamde zowel van vaders- als van moederszijde uit een aanzienlijk officiersgeslacht. Het is niet verwonderlijk dat hij, opgegroeid in een vaderlandslievende familiekring, een militaire loopbaan begeerde. In 1870 werd hij - één week voor het uitbreken van de Frans-Duitse oorlog - op 16-jarige leeftijd na een vergelijkend examen als veelbelovend kadet aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA) te Breda geplaatst voor 'het wapen der genie hier te lande'. In 1873 werd hij als 2e luitenant-ingenieur te Delft gestationeerd en in 1876 als Ie luitenant-ingenieur te Utrecht. Hij werd inzonderheid betrokken bij de 'Nieuwe Hollandsche Waterlinie', aan welk grootschalige verdedigingsstelsel destijds uit beduchtheid voor de groeiende macht van Duitsland hoge prioriteit werd gegeven. Hij benutte deze tijd ook naarstig voor literatuurstudie.

Beekmans ambitie richtte zich in eerste instantie op de samenstelling van een driedelig handboek onder de titel Taktiek en versterkingskunst (Gorinchem, 1879), een werk dat hem bij gunstige ontvangst welhaast zeker een docentschap aan de KMA zou opleveren. Er is evenwel slechts één deel van verschenen. De reden daarvan is dat de schrijver kort tevoren op eigen verzoek voor een jaar op non-activiteit was gesteld, en daarna, wederom op eigen verzoek, eervol uit de krijgsdienst is ontslagen. Hij had intussen te Zutphen een leraarschap in de wiskunde op zich genomen (in 1879 aan de HBS en van 1882 tot 1890 aan het gymnasium). Een en ander kan niet los worden gezien van zijn voorgenomen huwelijk met een - even jonge - Utrechtse vrouw die van zeer eenvoudige komaf was, een verbintenis die destijds in de officiersstand als een mesalliance werd beschouwd.

Het plotselinge afbreken van zijn officierscarrière heeft Beekman niet weerhouden in de jaren '80 nog meermalen over defensiezaken te schrijven en te spreken. Behalve in periodieken als De Militaire Spectator heeft hij veelvuldig in dag- en weekbladen van zijn inzichten doen blijken (hij was o.m. militair medewerker van Het Nieuws van den Dag). Hij heeft speciaal aangedrongen op verbetering van de 'Hollandsche Waterlinie', alsmede van de 'Stelling van Amsterdam', die hij als een vrijwel onneembaar geacht reduit dikwijls 'het palladium onzer onafhankelijkheid' noemde. Hij kon zich in deze - en later ook in veel andere - gevallen ongemeen polemisch tonen, zoals in de brochure Is Nederland in gevaar? (Zutphen, 1889).

Beekman heeft in die tijd ook op andere terreinen grote activiteit ontplooid. Hij genoot bij een breed publiek bekendheid door eenvoudige vertellingen, die alle spelen onder mensen in wier midden hij als knaap of militair had geleefd. De eerste daarvan zijn al in 1870 gepubliceerd. Zijn voorbeeld was de letterkundige J.J. Cremer, aan wie hij geparenteerd was. Een aantal verhalen is gebundeld in Schetsen en novellen ('s-Gravenhage, 1881) en Hollanders in politiek en uniform (Zutphen, 1885).

Veel duurzamer waardering heeft Beekman geoogst met zich op te werpen als voorvechter van de gedeeltelijke afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee. Hij zou tientallen jaren lang, in een onoverzienbare reeks van spreekbeurten en - soms belerende, soms hekelende - artikelen en brochures e.d., blijven ijveren voor de verwezenlijking van 'Nederlands twaalfde provincie' op basis van de verziende plannen van zijn vriend Cornelis Lely. In 1897 zou hij bestuurslid van de Zuiderzeevereeniging en in 1919 lid van de Zuiderzeeraad worden. Hij heeft in vele richtingen invloed trachten uit te oefenen, zelfs op de naamgeving (hij heeft o.m. de naam Usselmeer gepropageerd). De wens, bij zijn begrafenis uitgesproken, dat de naam Beekman ergens in het nieuwe land zou worden 'vereeuwigd', is niet vervuld.

Beekmans Zutphense jaren zouden de meeste vruchten dragen op het terrein van de geografie van Nederland. In 1883 vond hij tussen velerhande beslommeringen gelegenheid een boek samen te stellen dat volgens menigeen, hemzelf niet te vergeten, 'een omwenteling' in het aardrijkskundeonderwijs heeft bewerkstelligd, namelijk Nederland als polderland (Zutphen, 1884). Deze 'beschrijving van den eigenaardigen toestand der belangrijkste helft van ons land' heeft inderdaad talrijke gebrekkige en onjuiste voorstellingen betreffende de geografie van Nederland weggenomen, vooral inzake de hydrografische gesteldheid van onze laaggelegen streken, die door mensenhand zeer ingrijpend is veranderd. Dit 'in een vaderlandschen geest' geschreven boek heeft officieel slechts twee nieuwe drukken beleefd (in 1915 en 1932), maar er zijn tussentijds diverse, meer of minder uiteenlopende, bewerkingen van uitgekomen. Twee daarvan zijn De strijd om het bestaan (Zutphen, 1887) en Polders en droogmakerijen ('s-Gravenhage, 1909-1912. 2 dl.).

Hoewel ook de laatst verschenen versie feitelijk grotendeels is achterhaald, wordt Nederland als polderland nog door menigeen tot de bekendste geografische werken over ons land gerekend. Het werk heeft overigens niet alleen vele aardrijkskundebeoefenaren op een ander been gezet, het heeft ook de levensloop van de auteur vergaand beïnvloed. Van alle publikaties die in de loop van 70 jaar aan Beekmans vaardige schrijf- en tekenpennen zijn ontsproten - een lijst daarvan zal gauw een 200 titels tellen - heeft er géén de schrijver bij zijn leven zoveel faam bezorgd als Nederland als polderland. Hij zou zich dan ook de jaren door niet ongaarne op dit auteurschap blijven beroemen.

Beekmans lange leven overziende, kan men zeggen dat dit boek als een scharnier heeft gediend. Het zou zeker niet tot stand zijn gekomen als de schrijver niet had kunnen steunen op de inzichten en ervaringen die hij bij zijn opleiding en werkzaamheid als genieofficier had opgedaan. Daarvan getuigen ook de krijgskundige, waterbouwkundige en kartografische bijlagen. Even zeker is dat de gunstige ontvangst de auteur heeft aangemoedigd zijn ambitie voortaan op de beoefening van de vaderlandse geografie en kartografie te concentreren.

Beekman heeft zich de eerste jaren vooral toegelegd op de schoolaardrijkskunde, die toen een wedergeboorte beleefde. Hij heeft echter in dit vlak duidelijk minder succes geoogst dan zijn generatiegenoten R. Schuiling en H. Blink, die beiden op een brede geografische opleiding konden bogen. De meeste opgang heeft zijn Schoolatlas van Nederland (Zutphen, 1889) gemaakt, vooral toen deze, op aandrang van de uitgever en met inschakeling van Schuiling, is opgegaan in een Schoolatlas van de geheele aarde (Zutphen, [1893]). De laatste druk van 'Beekman en Schuiling' zou in 1927 verschijnen.

In een aperçu van Beekmans Zutphense tijd kan er niet aan voorbij worden gegaan dat hij in de eerste plaats leraar in de wiskunde was. Het vak lijkt hem tamelijk koud te hebben gelaten, maar de betrekking bood hem veel vrije tijd. De keerzijde ervan was dat ze zó weinig inkomen zal hebben opgeleverd dat hij genoopt was voor zijn meeste optredens en publikaties een honorarium te verlangen. Hij zou in die jaren tevens nog enkele nevenfuncties vervullen, zoals die van inspecteur van het militair onderwijs.

In dit licht is het begrijpelijk dat Beekman in 1891 het directeurschap van de HBS te Schiedam heeft aanvaard. Hij heeft deze veeleisende functie twaalf jaar vervuld. 'In houding en allure altijd militair gebleven', heeft hij het binnen en buiten deze school niet gemakkelijk gehad. Dat hij zich een tijdlang bij onderwijskundige vraagstukken betrokken heeft gevoeld, blijkt uit zijn Denkbeelden omtrent eene reorganisatie van middelbaar en gymnasiaal onderwijs (Zutphen, 1897), waarmee hij een 'adresbeweging' in gang heeft gezet voor de invoering van driejarig voortgezet basisonderwijs of wel een middenschool - welke gedachte een kleine eeuw later opnieuw wordt nagestreefd.

Het is in deze jaren dat Beekmans voorliefde zich definitief heeft toegespitst op de studie van de historische geografie van Nederland en enkele van haar neventerreinen, zoals de waterstaatsgeschiedenis en de toponymie. Op dit wetenschapsgebied kon zijn specialistische kennis eerst goed tot haar recht komen. Het is vooral in deze capaciteit dat hij in het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap erkenning heeft gevonden. Hij is niet minder dan 28 jaar bestuurslid en zelfs 37 jaar redacteur van het Tijdschrift... van het Genootschap geweest, en daarnaast o.a. acht jaar redacteur van de Nomina Geographien Neerlandica.

Zodra zijn persoonlijke omstandigheden zulks toestonden, heeft Beekman de kans aangegrepen zich te vergenoegen met een leraarsbaan die hem meer armslag zou bieden voor zijn wetenschappelijke ambitie. Hij is van 1902 tot 1916 als zodanig werkzaam geweest in Den Haag, waar hij niet alleen gemakkelijk toegang had tot bibliotheek en archief maar ook geregeld met aardrijks-, geschied-, krijgs- en staatkundig gelijkgezinden kon verkeren. Een van de eerste resultaten was Het dijk- en waterschapsrecht in Nederland vóór 1795 ('s-Gravenhage, 1905- 1907. 2 dl.), een imposant tweedelig glossarium dat nog altijd wordt geraadpleegd.

In 1909 heeft Beekman - tegen een bescheiden bezoldiging - een taak op zich genomen die een kleine 30 jaar zijn beste historisch-geografische en kartografische krachten zou opeisen, namelijk de bezorging van de Geschiedkundige atlas van Nederland ('s-Gravenhage, 1913-1938). Deze atlas zou uiteindelijk 19 'kaarten' omvatten, die alle uit meer bladen bestaan, alsmede 38 tekstdelen. Zeven kaarten met bijbehorende teksten zijn door Beekman samen met geleerden als P.J. Blok et al. ontworpen en geschreven. Drie zijn helemaal voor zijn rekening gekomen, waaronder Holland, Zeeland en West-Friesland in 1300 ('s-Gravenhage, 1916-1920. 3 dl.). Wat de meeste bewondering afdwingt, is dat Beekman alle 185 kaartbladen zelf getekend heeft. De atlas is terecht 'de hechtste hoeksteen van zijn roem' genoemd.

Met hoevelen hij zich ook in zijn lange Haagse tijd gebrouilleerd mag hebben, het heeft hem toen niet aan eerbewijzen ontbroken. Zijn nationale zin is door de toekenning van twee koninklijke onderscheidingen gestreeld, zijn wetenschappelijke door de verlening van het eredoctoraat in de letteren door de Rijksuniversiteit te Groningen in 1914. Hij zou zijn levensavond in grote eenzaamheid doorbrengen, geplaagd door toenemende doofheid. Hij was tot zijn dood, om met Fockema Andreae te spreken, 'een voorbeeld van de in Nederland niet veel voorkomende »Privatgelehrte", en een gelukkig voorbeeld ervan'.

A: Oud-Archief van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap in het Rijksarchief te Utrecht.

P: Behalve de reeds genoemde publikaties: bibliografie in onder L vermeld artikel van Fockema Andreae.

L: Herdenkingsartikelen in De Hollandische Revue 19 (1914) 751-766; C. Easton, in Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap. Tweede serie 41 (1924) 438-441; S.J. Fockema Andreae, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1950-1951. 67-73; M.W. Heslinga, 'Anton Albert Beekman en de vaderlandse aardrijkskunde in het laatst van de negentiende eeuw', in Geografisch Tijdschrift. NR 11 (1977) 324-338; G. L. Cleintuar, Wisselend getij. Geschiedenis van de Zuiderzeevereeniging 1886- 1949 (Zutphen, 1982).

I: Website Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren: http://www.dbnl.org/tekst/_jaa003195001_01/_jaa003195001_01_0007.htm [22-1-2008].

M.W. Heslinga


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013